1800 Moral Treatment




De ontwikkeling van een nieuwe krankzinnigenzorg begon ongeveer gelijktijdig in Frankrijk en Engeland, in het laatste decennium van de achttiende eeuw, en was vooral gemotiveerd door de weerzin tegen de mensonwaardige toestanden in de gasthuizen en hospitalen: de patienten waren er als dieren opgesloten en vastgeketend.

William Cullen

Als startpunt voor de moral treatment moet William Cullen (1712-1790) worden genoemd die als één van de eersten psychiatrische ziekten ging rangschikken. Het was Pinel die zich enige decennia later liet inspireren door Cullen, naast Locke en De Condillac. Hij vertaalde meerdere werken van Cullen in het Frans en legde zo de basis voor zijn “traitement moral”.

Philippe Pinel (1745-1826), directeur van de Bicêtre in Parijs, zette – zo luidt althans het verhaal in de psychiatrische hagiografieën – de eerste stap in de humanisering van de krankzinnigenzorg door in zijn inrichting de geesteszieken van hun ketenen te bevrijden. Dit bezorgde hem de eretitel van `stichter van de psychiatrie’. Meer religieus gemotiveerd was, in dezelfde periode, het initiatief van de Engelsman William Tuke, een quaker, om een tehuis (retreat) te op te richten waar degenen die vervreemd waren van hun morele en religieuze wortels – hij sprak dan ook bij voorkeur van ‘gealiëneerden’ – op menselijke wijze verzorgd zouden kunnen worden. Zowel Pinel als Tuke stelden voor de behandeling een groot vertrouwen in de genezende kracht van de natuur en bepleitten dan ook om de geesteszieken in een rustige omgeving onder te brengen, bij voorkeur op het platteland.


Maar landelijke rust alleen was niet genoeg: krankzinnigheid werd opgevat als een verlies van zelfdiscipline en om dit te herstellen was een krachtige behandeling noodzakelijk. In zijn Traité médico-philosophique sur l’aliénation mentale ou la manie uit 1801 hield Pinel al een pleidooi voor het invoeren van een systeem van overreding, beïnvloeding, dreiging en afschrikking, dat hij aanduidde als ‘traitement moral’. De kern daarvan was dat de geesteszieke een sterke afhankelijkheid moest gaan ervaren van een gezagsfiguur naar wie hij zou moeten opzien, te weten de arts. In de verdere ontwikkeling van de moral treatment werd het gezag verbreed naar de instelling als geheel. Dit gebeurde om te beginnen door daarin heldere structuren te creëren: een vaste dagindeling met regelmatig terugkerende bezigheden (systematische arbeid, onderwijs, godsdienstoefeningen) en een duidelijk zichtbare hiërarchie.

Er bestonden duidelijke normen voor wat wel en niet mocht, en de toepassing daarvan was gekoppeld aan een regime van beloning en straf, dat vooruitliep op de latere behavioristische leerprincipes. Dit alles was echter ondergeschikt aan het belangrijkste principe, namelijk dat aan de geesteszieke een modelwereld moest worden gepresenteerd waardoor zijn morele gevoelens, hoezeer ook in het ongerede geraakt, op positieve wijze zouden worden geprikkeld.

De moral treatment maakte in Engeland en de Verenigde Staten onderdeel uit van een meer algemene campagne in de jaren 1830-1850, die gericht was op het uitbannen van sociale misstanden. De filantropische beweging die hiervan de motor vormde, poogde op diverse maatschappelijke velden menslievendheid te combineren met morele hervorming en sociale ordening.

Hoewel zij aan de bestrijding van armoede en misdadigheid voorrang gaven, waren de filantropen ook actief op het terrein van de volksgezondheid, met inbegrip van de geestelijke volksgezondheid. In navolging van de Verlichting betoonden zij zich optimistisch over wat ook ten aanzien van geesteszieken met milde dwang kon worden bereikt. In de Verenigde Staten heerste er rond 1850 een ware cult of curability, die in niet geringe mate bijdroeg aan de forse uitbreiding van het aantal psychiatrische inrichtingen.



pinel hogwilliam Cullen hog

You may also like...

Geef een reactie