1840-1920-diagnostiek


Hoofdstuk II, Diagnoses van 1840 – 1920

Voor 1840 is de diagnostiek der psychosen nog weinig omvangrijk – in de gestichten worden geen andere vormen onderscheiden als:

Manie
Monomanie
Melancholie
Dementia
Idiotismus

Toch betekent deze indeling reeds een zeer belangrijke vooruitgang op het gebied der psychiatrie. De leer der monomanien, zoals zij door Pinel is begonnen en door zijn leerling Guislain is gegeneraliseerd, heerst onbeperkt, maar staat tevens op het punt om te worden afgebroken en te verdwijnen.

Na 1840 verandert de indeling der psychosen weldra. De uitdrukking monomanie gaat verdwijnen. Aanvankelijk wordt in verband met de oppositie die tegen de leer der monomanien wordt opgevoerd nog van Manie monomania of van Monomania Mania gesproken. In de statistieken ziet men dit als volgt geschieden:

Van 1797 – 1840: 31.74%
Van 1840 – 1850: 10.93%
Van 1850 – 1860: 2.16%,
na 1860 word dit beeld niet meer genoemd, behalve van
1870- 1880 waar zij onverwachts met 0.23% is vertegenwoordigd.

Overigens is de eerste aanvulling na 1840 die met insania epileptica, en wordt het tot 1860 gewoonte om nog al dikwijls gemengde diagnoses te maken zoals Mania-dementia, Mania Melancholica, Melancholica-dementia – wel een bewijs dat de diagnose voor de toenmalige gestichtsartsen moeilijkheden bood. In 1870 verandert de nomenclatuur, waarschijnlijk onder de invloed der Nederlansche Vereeniging voor Psychiatrie en van Ramaer.

Men kent nu:

Mania acuta
Mania chronica (Moria)
Melancholica agitans
Malancholica attonia
Stupidas post maniam
Hallucinationes
Insania cyclica
Insania epileptica
Insania hysterica
Insania moralis
Vecordia
Paralysis cerebri
Dementia
Imbecillitas, idiotie (hydrocephalica)
Imbecillitas, idiotie (atrophica)

Deze indeling wijst een zeer grote vooruitgang aan op diagnostisch gebied. Allereerst is men niet tevreden met de diagnose Mania en Melancholica. Daaruit ontstaan de acute en chronische manie, de agiterende en de attonite melancholie. Men merkt op dat de manie soms door stupor wordt gevolgd en onderscheidt dus stupidas post maniam en herkent de insania cyclica als eene zelfstandige ziekte wier phasen genezen. Men is gewoon geworden om ook de elementaire symptomen te gaan beschrijven en vat voorlopig de “Hallucinationes” als zelfstandige ziekte samen.
Ook de idiotie word onderverdeeld in tweeerlei richting, namelijk in lichtere of zwaardere intensiteit, imbecillitas en idiotie en naar oorzaak ervan, hydrocephalie of mikrocephalie. De dementie komt nog niet voor onderverdeeling in aanmerking. De monomanie is verdwenen. Van die leer is alleen de moral insanity van Pritchard overgebleven.

Afwijken doet het schema echter vooral door:

1) Doordat het aan bekende ziekten gaat aansluiten, de insania epileptica aan de epilepsie, de insania hysterica aan de hysterie

2) Omdat als zelfstandig ziektebeeld de dementia paralytica haar intrede gaat doen onder de naam van paralysis cerebri

3) Omdat een eigen ziektebeeld wordt gevonden, de Vecordia of waanzin. Natuurlijk is deze ziekte aanvankelijk een zeer collectief begrip geweest. Als verschijnselen vindt men beschreven rusteloosheid, verwarde of “geklijke” redeneering, verkeerde denkbeelden en wisselende stemming; soms wordt wel of niet gehallucineerd. Desorientering, grootheidswaan en geheugendefect worden slecht enkele malen genoemd.

Ook wordt Vecordia beschreven als gevolg van Manie en Melancholica en is het derhalve niet zo heel gemakkelijk voor de tegenwoordige onderzoeker precies te weten wat zij bedoelen, vooral omdat er van paranoia nog niet gesproken word.

Evenals monomanie is evenwel ook de Vecordia ten doode opgeschreven en hoe nuttig ook de onderscheiding dezer ziekte heeft gewerkt, leeft zij slechts van 1870 – 1900 in de nomenclatuur van het Gesticht.

Van 1870 – 1880 met 0.69%
Van 1880 – 1890 met 10.11 %
Van 1890 – 1900 met 11.81%
Van 1900 – 1910 met 0.67%

Daarna komen we dit ziektebeeld niet meer tegen.

Men moet intussen niet al te verdrietig gestemd worden over het verlies van ziektebeelden als de Monomanie en de Vecordia. De Vecordia begint als de monomanie verdwijnt. Maar als de Vecordia met 11.81% hoogtij viert, begint ene andere ziekte met 1.2% van 1880 – 1890. Die ziekte is van 1890 – 1900 met 5.09% vertegenwoordigt, van 1900 – 1910 met 13.48% en van 1910 – 1920 met 7.51%. Als dus de Vecordia verdwenen is, viert de paranoia weer hoogtij.

Maar in 1910 krijgen wij door den invloed van den inspecteur Dr. Schuurmans Stekhoven nieuwe indeelingen die door Dr. Cox worden uitgebreid. Het schema ziet er nu als volgt uit:

1)  Mania.

Dit beeld blijft echter niet zonder onderverdeling. Dr. Cox onderscheid:

– Mania
– Hypomania (mania Levis)
– Mania overgaande in secundaire paranoia
– Manie Raisonnante
– Mania Acuta
– Verwarde manie
– Mania idiopathica
– Mania gravis
– Mania idiophatica degenerata

2)  Melancholia met de volgende onderverdeeling

– Malancholica agitata
– Akinetische motiliteits psychose
– Angstpsychose overgangsvorm naar affectieve melancholie
– Hypomelancholie
– Melancholica op senielen bodem
– Melancholica passiva
– Melancholica attonita
– Melancholica hallucinatoria
– Hypomelancholica simplex
– Melancholica c. delirio
– Melancholica depress. c. delirio
– Affectieve Melancholica, vermoedelijk als eerste stadium ener hebephrenie of hysterische angstneurose.

3)  Insania periodica.

– Periodische acute halluc-paranoia (Period. Amentia)
– Circulares Irrisein (Melanch. Maniak. I.)
– Periodische Maniacale allopsychose
– Periodische Melancholie
– Periodische manie
– Akinetische-parakinetische Motiliteitspsychose
– Manie, als phase eener cycl-mot. Psych.
– Manisch-depressieve psychose
– Melancholica periodica met Melancholia Halluc.
– Insania cyclica

4)  Paranoia

– Paranoia hallucinatoria (subacute vorm)
– Paranoia acuta (depressieve vorm)
– Paranoia halluc. Chronica
– Querilanten waanzin
– IJverzuchtswaanzin en paranoidkarakter
– Chronische hallucinose
– Paranoia chron. Halluc. Persecutoria
– Paranoia chron. Systematica
– Paranoia
– Paranoisch nastadium eener acute hallucinose

5)  Insania neurotica

– Acute expansieve autopsychose door autochtone ideeen
– Dwangvoorstellingen
– Tabes en angstpsychose
– Insania neurotica

6) Hysterie

– Manisch-depressieve psychose met hysterie
– Hysterie met toevallen en hysterisch delire
– Hysterie met toevallen en hysterisch delire met dementia hebephrenica (paran.vorm)
– Melancholica periodica met Hysterisch-psychopatische constitutie
– Hysterische krankzinnigheid
– Hysterische krankzinnigheid met chorea
– Melancholica hysterica
– Amentia hysterica (hyster delire)
– Hysteria: melancholica rationalis
– Mania acuta met Hyst-psychopatische constitutie

7)  Amentia

– Paranoia halluc. Acuta (amentia)
– Uitputtings Amentia
– Paranoia halluc. Acut. (amentia) op den bodem van typhoid
– Amentia (Fürstner)
– Amentia met depressie

8)  Insania toxica

– Toxische delirien (uraemie)
– Dipsomanie
– Delerium saturninum
– Post infectieus peurilisme uitmakende het reconvalescentie stadium van een infectiedelerium
– Lues hereditaria, myxoedeem imbecillitas
– Idiotie met myxoedeem
– Symptomatische psychose d. diabetes
– Dementia alcoholica
– Chronisch alcoholisme
– Paranoia simplex chronica alcoholica

9)  Insania epileptica

– Dementia epileptica met epileptische droomtoestanden.
– Dementia epileptica
– Epileptische schemertoestanden met dementie
– Post-epileptische schemertoestand waarin zich delirium tremens ontwikkeld
– Epileptische droomtoestanden

10)  Dementia Senilis

– Dementia Senilis
– Deliröse Erkrankung des Greisenalters
– Dementia senilis met Korsakoff’sche psychose
– Dementia senilis (confabuleren)

11)  Dementia paralytica

– Dem. Paralytica (exaltatie stadium)
– Dem. Paralytica (depressie stadium)
– Dem. Paralytica (demente vorm)
– Dem. Paralytica (delirium patalyticum)
– Verwarde manie met hyperkinese van paralytische aetiologie
– Dementia paralytica, demente vorm, met lichte maniacale allo-psychische desoriëntatie
– Demente vorm van paralysis progressiva

12)  Dementia organica

– Dementia bij hersensyphilis
– Dementia ex thrombosi cerebri
– Pouls lent permanent avec crises syncopales et epileptiformes
– Porencephalie
– Dementia arteriosklerotica
– Dementia ex thrombosi cerebri met Korsakoff’sche verschijnselen
– Dementia alcoholica met dementia post-apoplex-cerebri
– Tumor intracranialis

13)  Dementia Praecox

– Dementia hebephrenica
– Dem. Hebephrenica (paranoïsche vorm)
– Psychoschysis, beginstadium eener dementia hebephrenica, dementia paranoides of hysterie
– Dementia paranoides
– Katatonie
– Hebephrenie
– Dementia praecox
– Dementia hebephrenica (katatonische vorm)

14)  Dementia secundaria

– Dementia secundaria na functionele psychosen

15)  Imbecillitas

– Imbecillitas
– Paranoia halluc. Acuta (amentia) op den bodem van imbecillitas
– Opwindingstoestand bij een imbecil
– Stemmingsanomaliën bij een imbecil
– Imbecillitas met chron. Alcoholisme
– Periodische manie op den bodem van Imbecillitas
– Imbecillitas met hallucinaties
– Imbecillitas en dementie paranoides

16)  Debilitas

– Debilitas
– Periodische manie op den bodem van debilitas
– Paranoia halluc. Acuta (depressieve vorm) met debilitas
– Debiliteit (semi-imbeciliteit) met hysterische symptomen

17)  Insania Morales

– Moral insanity

18)  Idiotie

– Idiotie
– Idiotie en Epilepsie

19) Casus ceteri

– Traumatische psychose (primaire)
– Partieel psychisch infantilisme
– Confusio mentalis
Men ziet dus dat het gebrek van deze nieuwe indeling zeker niet is te zoeken in de beperking van het aantal namen.

Integendeel, wellicht zijn hier te veel vormen van krankzinnigheid van elkander onderscheiden. Ik durf er dan ook niet voor in te staan dat twee verschillende gestichtsartsen niet herhaaldelijk eenzelfde patient in twee verschillende groepen kunnen onderbrengen. Veeleer is deze gecompliceerde indeling een bewijs voor de weinige scherpte onzer klinische ziektebeelden en het is de vraag of de gewenschte scherpte daarvan wel ooit verkregen kan worden.

Men redt er zich wel uit, indien men met Kraepelin en Bleuler er van uitgaat dat bepaalde psychosen onder verschillende symptomengroepeering hun loop kunnen nemen, en dat eene verschillende symptomengroepeering slechts een phase van de geheele ziekte is. Men kan dan wel van toestandsbeelden spreken, maar reikt zich zelf daarmede een bewijs van armoede uit, wanneer men erkennen moet dat twee ongeveer gelijke symptomengroepeeringen, toestandsbeelden van zeer verschillende ziekten kunnen zijn.

Bronnen:

Bijdrage tot de kennis van gestichtspatienten.

Proefschrift ter verkrijging van den graad van doctor in de geneeskunde aan de rijksuniversiteit te Utrecht na machtiging van den rector-magnificus Dr. JAC van Leeuwen, hoogleraar in de faculteit der godgeleerdheid, volgens besluit van den senaat der universiteit tegen de bedenkingen van de faculteit der geneeskunde te verdedigen op dinsdag den 23sten mei 1922, des namiddags te 4 uur door Johanna Clasina van den Bergh geboren te Utrecht.

Electrische drukkerij L.E. Bosch & zoon – Utrecht
Bibliotheek Psychiatrisch Centrum AZUA Universiteit van Amsterdam

You may also like...

Geef een reactie