Actieve Therapie, arbeid en heropvoeding



De Grondbeginselen

De Grondbeginselen: Dat arbeid, geregelde nuttige bezigheid, bij de behandeling van zielszieken een uitermate nuttigen invloed heeft, is door sommige scherpzinnige psychiaters reeds in vorige eeuwen ingezien en zoo ontstond al in enkele van de oudste bekende gestichten (oa in Saragossa in Spanje voor 3 eeuwen) een geregelde werkverschaffing voor de patiënten, terwijl de beroemde Fransche geneesheer Pinel er al in de het begin van de vorige eeuw op wees, dat geregelde arbeid in elk gesticht den grondslag moet vormen van de gansche verpleging, omdat arbeid het voornaamste middel is om de orde te bewaren. Hoewel in latere jaren de arbeidstherapie hier en daar met groot voordeel werd toegepast, is deze verpleeg- en behandelingsmethode toch geenszins algemeen naar waarde geschat. Pas in de laatste tientallen van jaren is men er zich meer op gaan toeleggen en heeft men meer algemeen leeren inzien, hoe noodzakelijk de arbeid voor krankzinnigen is als middel om den geest levendig te houden en om de noodige levensvreugde en bevrediging te verschaffen en hoe het doellooze luierende niets doen, waaraan patiënten tot dan toe waren overgegeven, onvermijdelijk leidde tot verveling, tot geestelijke versuffing, steeds diepere verzinking in een ziekelijken gedachtendoolhof, tot ontevredenheid en prikkelbaarheid en tot het ontstaan van allerlei onmaatschappelijke gewoonten. In de laatste jaren zijn wij zoover gekomen dat er vrijwel geen gesticht meer te noemen is waar de verpleging niet staat in het teeken der arbeidstherapie. In niet geringe mate is deze groote vooruitgang te danken aan den invloed van den Duitschen psychiater Dr. Simon, die zijn praktische inzichten omtrent de opvoedbaarheid van krankzinnigen tot een geordend sociaal gedrag ten grondslag legde aan zijn methode van arbeidstherapie en daarmede in zijn gesticht te Gutersloh zulke goede resultaten bereikte, dat de roep daarover ver buiten zijn land weerklonk. Hij noemde zijn behandelingswijze de “actievere behandeling van krankzinnigen”. Wij zullen terstond zien, waarom hij dezen naam koos. Onder zijn invloed is de krankzinnigenverpleging in de jaren na 1925 ongetwijfeld een groote schrede vooruitgegaan en het is daarom dan ook niet mogelijk over arbeidstherapie te spreken zonder aandacht te wijden aan de beginselen dezer actieve behandelingswijze. Welke nu zijn deze beginselen? Wij zullen ze in eenige punten samenvatten: 1º. De verschijnselen, welke wij bij krankzinnigheid aantreffen zijn te onderscheiden in:

  1. a)   verschijnselen, die als zodanig tot het ziektebeeld behooren, maw het onmiddellijk en noodzakelijk gevolg zijn van het ziekteproces, dat aan de psychose ten grondslag ligt. Tot deze groep behooren de ziekelijke stemmingsafwijkingen, illusies en hallucinaties, waandenkbeelden, gedachtevlucht, spreekdrang, verwardheid, remming, bewegingsdrang, stupor, katatone verschijnselen en bewustzijnsstoornissen.
  2. b)   Verschijnselen die niet als zodaanig bij het ziektebeeld behooren, maar die er door allerlei ongunstige omstandigheden bijgekomen zijn. Hiertoe rekenen wij bv de plaagzucht, de neiging tot smeren en scheuren, het urenlange schreeuwen en schelden, het aanvallend optreden tegen medepatiënten en verplegenden en al dergelijke symptomen, die aan sommige afbeeldingen van het gesticht het stempel van “onrustige afdeelingen” kunnen geven.

2º. Deze z.g. bijkomstige, niet tot het ziektebeeld behorende verschijnselen vinden hun oorzaak voornamelijk in de volgende omstandigheden:

  1. a)   Het onder invloed der zielsziekte wegvallen van de in normale leven bestaande verstandelijke en door opvoeding en sociale aanpassing aangeleerde remmingen, waardoor vroeger beter beheerste en op den achtergrond gedrongen, onaangename karaktereigenschappen thans ongeremd voor den dag komen.
  2. b)   Het onrustige en onmaatschappelijke milieu op sommige gestichtsafdelingen.
  3. c)   Het niets doen en verveling

Ter verduidelijking van de beide laatste punten het volgende: onder het onrustige en onmaatschappelijke milieu verstaan wij hier het gedrag van de omgevende medepatiënten. Schreeuwende, twistende, scheldende, agressieve, vernielende en rusteloos heen en weer lopende patiënten beïnvloeden hun lotgenoten op de meest ongunstige wijze. Deze worden er zelf eveneens onrustig van ofwel zij doen als kinderen en nemen alles, wat verkeerd is, over. Het wanordelijk gedrag, wordt ten slotte in zulk een milieu een macht der gewoonte. Wij weten allen, hoe iedereen, ook zelfs de normale, zich aanpast aan en omvormt naar de omgeving, waarin hij verkeert; wat moet er dan terecht komen van een krankzinnige, die dag in dag uit in zulk een omgeving van onrust leeft?

Wat betreft het niets doen met zijn onafscheidelijke gezel, de verveling, zegt dr. Simon zeer terecht; ‘een Mensch doet nooit niets; doet hij niet iets goeds, dan doet hij iets verkeerds of op zijn minst genomen denkt hij het”. De krankzinnige, die luiert en zich verveelt, gaat plagen, twist zoeken, scheuren, vernielen, smeren, wordt hoe langer hoe onhandelbaarder en negativistischer ofwel hij versuft en stompt verstandelijk hoe langer hoe meer af.

3º. Het derde en niet het minst belangrijke beginsel der actieve therapie is ten slotte dit, dat ook voor den krankzinnige moet worden vastgehouden aan het bestaan van een zekere verantwoordelijkheid voor zijn doen en laten. Tot voor korten tijd huldigde men in de krankzinnigenverpleging het principe dat men den zielszieke moest beschouwen als iemand, die uit hoofde van zijn ziekte absoluut niet verantwoordelijk is voor alles wat hij doet. Het gevolg hiervan was dat men alle daden en gedragingen van den patiënt opvaat en verdroeg als nu eenmaal noodzakelijke gevolgen van zijn ziekte waaraan hij zelf niets kon doen.

Met het doorvoeren van dit principe echter verdwijnt ten slotte geheel en al de logische reactie op de buitenwereld op het gedrag van den patiënt. In het normale leven hebben al onze daden gevolgen en brengen reacties in de buitenwereld teweeg, die voor ons van aangenamen of onaangenamen aard zijn overeenkomstig den aard dier daden. Uit eigen ervaring leert de Mensch zoo dagelijks, hoe hij zich te gedragen heeft, wil hij met zijn omgeving niet in conflict komen. De logische reactie van zijn omgeving is voor de opvoeding tot een zich sociaal gedragend Mensch voor een ieder noodzakelijk.

Schakelen wij nu echter de verantwoordelijkheid van de krankzinnige geheel uit, beschouwen wij al zijn daden en gedragingen zonder uitzondering ook de onsociale en onmaatschappelijke, als een noodzakelijk gevolg van zijn ziekte, en laten wij de normale logische reactie op zijn handelingen uitblijven, dan ontnemen wij hem een van de gewichtigste fundamenten voor een sociaal geordend gedrag. Wat heeft hij er dan nog voor belang bij om zich rustig, netjes en ordelijk te gedragen, zijn affecten te beheerschen en zich te schikken naar zijn medemensen? Het komt er immer toch niet op aan, hoe hij zich gedraagt; zijn omgeving duldt toch alles van hem!

Hieraan behoeft nauwelijks te worden toegevoegd, dat het bestaan van een verantwoordelijkheid, bij krankzinnigen juist moet worden aangenomen voor die daden, welke niet voortvloeien uit de bovengenoemde essentiële ziekteverschijnselen, doch die samenhangen met de bijkomstige, niet tot het ziektebeeld behorende symptomen.


Van deze drie grondbeginselen nu gaat de actievere behandelmethode uit. Wij zetten dus voorop, dat het grootste dat het grootste deel der krankzinnigen en vooral de chronische patiënten wel degelijk in staat zijn zich ordelijk te gedragen en dat krankzinnigheid niet noodzakelijkerwijs samen behoeft te gaan met storende en onsociale eigenschappen.

Het is echter aan ons om te zorgen het gestichtmilieu zo te maken, dat de omstandigheden, die het ontstaan van storende en onsociale gedragingen bevorderen, niet aanwezig zijn, m.a.w. wij moeten er voor zorgen dat het milieu, waarin de patiënten verkeeren, zoo rustig en ordelijk mogelijk is en vervolgens, dat zij nooit aan verveling zijn overgegeven.

En daarnaast moeten wij iedere patiënt, zooveel mogelijk heropvoeden tot een ordelijk en maatschappelijk gedrag; de ervaring bevestigt, dat een dergelijke opvoedbaarheid bij krankzinnigen bestaat. Het dáárom, dat inderdaad van een actievere therapie gesproken kan worden. Wij zien niet meer lijdelijk toe, hoe een psychose zich ontwikkelt en welke nasleep van symptomen er daardoor bij een patiënt gaat ontstaan, wij laten ons bij de verpleging niet meer passief lijden door zijne gedragingen, doch wij grijpen actief in: wij verhinderen dat er bijkomstige verschijnselen bij den patiënt gaan optreden, wij gaan hem zoo noodig heropvoeden tot een sociaal Mensch en wij ruimen alles zorgvuldig uit den weg, wat deze gezonde ontwikkeling kan belemmeren. Zoo kunnen wij onze patiënten, voorzooveel zij voor genezing vatbaar zijn, gereed maken voor het leven, dat hen na hun ontslag weer in de groote maatschappij wachten, voorzooveel zij door den ernst hunner ziekte blijvend in het gesticht zullen moeten leven, maken tot rustige, ordelijke medeleden van de kleine gestichtmaatschappijen.

Het scheppen van een rustig en ordelijk milieu enerzijds, arbeidstherapie en heropvoeding anderzijds hangen ten nauwste met elkaar samen. Geregelde arbeid op zich brengt vanzelf reeds meer rust en orde. De her-opvoeding:

Daarnaast moet iedere patiënt worden opgevoed in den plicht om zich zoo te gedragen dat hij anderen niet hindert. Die opvoeding moet hoofdzakelijk berusten op het geestelijk overwicht van de opvoeder. Van groot belang is hierbij, dat wij met de meeste onzer patiënten niet als met krankzinnigen, doch als met gezonde welopgevoede menschen omgaan, ernstig, vriendelijk, opgeruimd, al naar gelang dat in ieder geval noodig is altijd echter in acht nemende de vereischte beleefdheidsmanieren en steeds ook latende gevoelen, dat er op die goede omgangsvormen gelet wordt. De overgroote meerderheid der verpleegden zal er zich dan spoedig aan gewennen zich op dezelfde passende wijze uit te drukken en de vereischte beleefdheidsvormen tegenover artsen en verplegenden te gebruiken. Waar het voorbeeld alleen niet voldoende is, moet men hen er op wijzen, dat zij zich te gedragen hebben als welopgevoede menschen. Wanneer voorbeeld en vermaning den patiënt niet tot een ordelijk en rustig gedrag kunnen brengen, dan zal men hem eenvoudig, zoals men dat ook bij kinderen doet, moeten verhinderen zijn storend gedrag voort te zetten en hem aan iets beters moeten gewennen. Wij zullen hem moeten beletten steeds weer onrustig rond te loopen of anderen lastig te vallen, den ganschen dag te zitten wiegelen en wippen, allerlei prullen te verzamelen en zich aan tafel ongemanierd te gedragen. Met de grootste opmerkzaamheid moet men telkens het eerste begin van het hervallen in de afwijkende handeling den kop indrukken. Natuurlijk moet men deze pogingen steunen door geregelde bezigheid te verschaffen; het is onmogelijk om patiënten geheel zonder bezigheid stil en ordelijk te houden. Wij moeten juist de afwijkende handelingen vervangen door normale ge-ordende en wij moeten de patiënten daaraan ten slotte zoo gewennen, dat zij zich op den langen duur uit gewoonte netjes gedragen. Wanneer een patiënt storend optreedt en zich niet spoedig laat kalmeeren, dan moet hij onmiddellijk uit de omgeving der andere patiënten verwijderd worden, want die ene zou in staat zijn een geheele zaal in onrust te brengen. Deze verwijdering moet echter van korten duur zijn en na eenigen tijd moet men het weer met hem probeeren. Men kan hem korten tijd op een leege zaal brengen, hem ergens alleen aan het werk zetten (natuurlijk onder toezicht) hem desnoods eenige uren naar bed sturen, in het alleruiterste geval hem voor korten tijd isoleeren, om daarna te zien, of de straf uitwerking gehad heeft. Is dit niet het geval, dan herhaalt men de maatregel nog eens. Vooral, wanneer in de gemeenschappelijke zalen en werkplaatsen een aangename gezellige spheer heerscht, zal de patiënt al spoedig het verblijf daar verkiezen boven de scheiding van de anderen en zal hij zich behoorlijk gaan gedragen.

Zoo zorgen wij dus voor een logische reactie van de omgeving op het gedrag van den patiënt. Niet alleen echter door straf, maar vooral ook door belooning moeten wij opvoeden; gedraagt de patiënt zich goed, dan moet dit voor hem ook aangenaam gevolg hebben, bv in de vorm van grootere zelfstandigheid en vrijheid, overplaatsing naar vrijere afdeelingen, meedoen aan uitstapjes en voorstelling enz. Storend en asociaal gedrag moet natuurlijk even zoo logisch tengevolge hebben, dat zulke gunsten weer vervallen. Moge dit over de opvoedkundige beginselen der actievere behandelingsmethode genoeg zijn. De verplegenden mogen uit deze weinige regelen eenig inzicht krijgen in de opvoedkundige taak, die hun is opgedragen. De hiertoe noodige tact is niet uit een leerboek te leeren: aangeboren geschiktheid en ervaring moeten hier den weg wijzen. Men denke echter over dit onderdeel der krankzinnigenverpleging niet te licht. Uit hetgeen tot hiertoe gezegd is, mag vooral niet de conclusie getrokken worden dat een verplegingsinrichting voor zielszieken dus een streng opvoedingsgesticht moet zijn. Dit zou zeer onjuist wezen. Men kan opvoeden met gestrengheid, doch ook met zachtheid, zoonoodig bij tijd en wijle met strengheid gepaard. Onze patiënten zijn en blijven arme ongelukkigen en zieken, die wij moeten leeren begrijpen, troosten en helpen. Zoo weinig mogelijk dwang, moet er zijn en zooveel mogelijk genoeglijke gezelligheid en blijheid, al neemt dit laatste niet weg, dat aan de handhaving van rust en orde moet worden vastgehouden. De Arbeidstherapie Wenden wij ons thans meer in het bijzonder tot de arbeidstherapie. Bij de toepassing van den arbeid als therapie, als geneeskundige behandeling, moet op de allereerste plaats voor iederen patiënt afzonderlijk die arbeid worden uitgezocht, welke voor hem in alle opzichten het meest geschikt is en waarvoor hij de meeste belangstelling heeft. Wanneer men klakkeloos maar alle patiënten hetzelfde werk laat verrichten zal men en vele gevallen zeer weinig resultaat bereiken. De geneesheer zal dan ook voor iederen patiënt individueel bepalen, op welke wijze hij te werk zal worden gesteld.

Dit oordeel zal hij geheel laten afhangen van den psychischen en lichamelijken toestand. Vaak zal hij daarbij moeten zoeken, bijgestaan door de verplegenden, naar soms totaal verborgen capaciteiten en dikwijls nog slechts zwak gloeiende vonken van belangstelling voor de een of andere bezigheid. Van het juiste begin hangt veel, zo niet alles, af. Is ten slotte bepaald, welke arbeid een patiënt mag en kan verrichten, dan kan hij bij de betreffende arbeidsgroep worden ingedeeld.

Het is van het grootste belang, dat er verschillende mogelijkheden zijn, waarop de patiënt aan het werk gesteld kan worden. In de meeste inrichtingen worden dan ook vele vakken en bezigheden beoefend, vanaf de meest eenvoudige, die aan de capaciteiten der patiënten slechts zeer geringe eischen stellen, tot de meer ingewikkelde die geheel gelijkwaardig kunnen zijn aan die, welke door gezonden beoefend worden. Zoo noemen wij: het helpen dragen bij transporten van waschgoed, kolen, meststoffen voor de tuinen, asch en sintels e.d., het meehelpen trekken of duwen van handkarren, graafwerk voor het afgraven en ophoogen van terreinen, hout zagen, beton gieten, staaldraad vlechten, wol plukken, touw pluizen, zakken plakken, garen winden, spinnen, tabak strippen, het verrichten van allerlei huiswerk, matten vlechten, naaien, breien, weven, borstels en kwasten maken, aardappelen schillen en groenten schoonmaken, werk in de wasscherij, hulp-verrichtingen in keuken en bakkerij, tuin- en landarbeid van allerlei soort, boerderijwerk, vakwerk in de timmermans-, smids-, schilders- en schoenmakerswerkplaatsen, fijnhandwerken, kunstweven, tapijt weven en knopen, hulpwerk op de laboratoria en de administratiebureaux, boodschappen doen enz. Wij zouden deze lijst nog zeer kunnen uitbreiden. Het is hier echter niet om een volledige opsomming te doen, doch om slechts te wijzen op de talrijke mogelijkheden voor tewerkstelling onzer patiënten. Ieder gesticht heeft zoo zijn eigen werkverschaffing en steeds staan allerlei richtingen open om nieuwe soorten van arbeid in te voeren. Het komt er maar op aan, dat men een patiënt aan geregelden arbeid krijgt en wanneer men dit gedaan zou kunnen krijgen door een geheel nieuwe soort van werk, dan zal geen enkele gestichtdirectie er zich tegen verzetten dien tak van arbeid in te voeren; integendeel, zulk een succes zal dankbaar worden aanvaard.

Lang niet altijd is het even gemakkelijk een patiënt aan het werk te krijgen. Vaak moet men zoeken in verschillende richtingen tot men eindelijk iets gevonden heeft dat zijn belangstelling voldoende werkt. Vaak zijn de geestelijke capaciteiten tengevolge van de psychose zoo sterk verminderd of zoo in ontwikkeling achtergebleven dat hij aanvankelijk niet tot den eenvoudigsten arbeid in staat is. ook dan geve men niet te gauw den moed op; met eindeloos geduld en taai volhouden, met meehelpen en telkens weer opnieuw voordoen gelukt het toch nog zoo heel dikwijls om ook in schijnbaar hopelooze gevallen den patiënt nog iets aan te leeren. En las dan eenmaal een heel eenvoudig werk aangeleerd is, dan kan men het weer probeeren met iets moeilijkers. Zoo kan men de prestaties verbeteren en op een steeds hooger niveau brengen.

Dit stelselmatig opvoeren van de kwaliteit van het werk door het telkens plaatsen in een betere arbeidsgroep is een van de beginselen door Dr. Simon bij zijn arbeidstherapie toegepast. Nooit verlieze men uit het oog, dat het belang van den patiënt altijd als doel vooropstaat. Het gaat niet om een bepaalde hoeveelheid werk, die moet worden afgemaakt; het gaat ook niet om het materiële belang van het gesticht, al kan dit voordeel als iets bijkomstigs dankbaar worden aanvaard en ten bate van het algemene welzijn worden aangewend maar het gaat er om, den geest van den patiënt levendig te houden en af te leiden van zijn ziekelijke gedachtenspheer, den patiënt zich langzamerhand weer te doen opwerken tot op een niveau zoo hoog als zijn psychose dit toelaat. Een uitermate belangrijk punt bij het beoefenen der arbeidstherapie is, dat men den verpleegde nuttig werk laat verrichten, waarvan hij eenig resultaat ziet. Absoluut nutteloos werk, zooals bv het aan elkaar breien van een broddellap, die even zo dikwijls weer uitgerafeld wordt, is minstens even geestdoodend als niets doen. Daarmee houdt men de belangstelling niet levendig en voedt men niet op tot een hooger peil.

Slechts dan, wanneer hij iets uit zijn arbeid ziet groeien, wanneer hij bemerkt, dat hij voor een doel werkt, al is dat doel aanvankelijk ook nog zoo eenvoudig, zal het gelukken de aandacht van den patiënt voor zijn werk te blijven boeien en slechts dan zal men bereiken dat hij er met liefhebberij zijn best op gaat doen. En ook alleen in dat geval treft de arbeidstherapie doel. Als opwekking tot den arbeid word in vele inrichtingen een belooningsstelsel toegepast. Dit kan hierin bestaan, dat aan de werkende patiënten iets extra’s wordt gegeven in den vorm van toegiften op het eten, versnaperingen, tabak of sigaren, deelname aan bijzondere uitstapjes, of vermakelijkheden, ofwel men kan voor het gepresteerde werk een vergoeding uitbetalen in den vorm van gestichtsmunt of gangbaar geld. In beide gedaanten werkt dit stelsel van logische vergoeding voor gepresteerden arbeid aanmoedigend en opwekkend.

Nog niet werkende patiënten worden er door aangespoord om eveneens aan den arbeid te gaan, ten einde ook aan deze voorrechten deelachtig te worden. Zij, die reeds werken, worden er door tot grooteren ijver aangezet. Het bij een geldelijk belooningsstelsel verdiende geld kan in een daartoe geïmproviseerde gestichtswinkel aan nuttige zaken of versnaperingen worden besteed: van het niet gebruikte kan een spaarpot worden aangelegd.

Er zijn enkele inrichtingen waar iedere patiënt verplicht is een gedeelte van het door hem verdiende geld op een spaarbankboekje te storten; dit spaargeld kan hem als “uitgaanskas” bij zijn terugkeer in de maatschappij worden meegegeven en hem over de eerster financiële moeilijkheden heenhelpen of op andere wijzen te zijnen bate worden aangewend, met dit spaarstelsel kweekt men de zoo nuttige, in den tegenwoordigen tijd maar al te veel verwaarloosde, zin voor spaarzaamheid aan en waar men het heeft toegepast is gebleken, dat de meeste der patiënten gaarne van deze gelegenheid gebruik maken. Vooral bij mannen werkt het systeem van geldelijke belooning goed; bij vrouwen wordt de behoefte daaraan minder gevoeld, temeer wijl het meestal door haar verrichte huishoudelijke werk, naaiwerk enz. zoo geheel ligt in de lijn van den huiselijken zin der vrouw. Bij een uitgebreide toepassing der arbeidstherapie zal men niet kunnen ontkomen aan de noodzakelijkheid, om ook aan z.g. onrustige patiënten allerlei werktuigen in handen te geven, waaronder er ook zijn, die als gevaarlijke wapenen gebruikt zouden kunnen worden.

Het is onmogelijk alle gevaarlijke voorwerpen uit handen der patiënten te houden, omdat zij daarmede “wel eens” een gevaarlijke handeling zouden kunnen verrichten. Wanneer men echter met zorg zijn patiënten uitkiest en aan werkelijk gevaarlijke menschen zulke voorwerpen niet geeft, wanneer men zeer nauwkeurig toezicht houdt, bij optredende buien van prikkelbaarheid terstond de gereedschappen afneemt en steeds met de grootste zorg controleert of alle werktuigen na afloop van den arbeid weer op hun plaats zijn gekomen, dan kan men practisch gesproken geen gevaar loopen.



De algemeene ervaring leert dat men bij deze voorzorgsmaatregelen, geheel in tegenstelling met wat men vroeger verwachtte, geen ongevallen te duchten heeft. Ondanks deze gunstige ervaringen blijft natuurlijk de grootste voorzichtigheid aangewezen bij suïcide-patiënten, bij krankzinnigen met misdadige neigingen en bij epilepsielijders, de laatste houde men speciaal verwijdert van stookplaatsen, machinerieën met niet voldoende beschutte aandrijfriemen, van slooten en vijvers, dit alles met het oog op het plotselinge neervallen bij het toeval, waardoor zij in levensgevaarlijke situaties zouden kunnen geraken. Om dezelfde reden is het ook voorzichtig hen niet te doen werken met scherpe timmermans- en landbouwwerktuigen.

Bij buiten werkende patiëntengroepen behoort het toezicht speciaal scherp te zijn met het oog op de ontvluchtingneiging, die sommigen vertoonen. Het verdient aanbeveling nu en dan eens de hoofden te tellen om te controleren of allen nog aanwezig zijn.

Bij in open lucht werkende patiënten let men ook op de kleeding in verband met de weersgesteldheid en zorgt, dat zij koud weer voldoende warm, bij heet zoemerweer niet te dik gekleed zijn. Ook is het noodzakelijk, vooral als ’t warm is, frisch drinkwater, thee of karnemelk aan de buitengroepen mede te geven.

Bij zeer ongunstig weer wordt natuurlijk het buitenwerk niet voortgezet en wanneer plotseling onweers- of regenbuien opkomen, zoekt men met zijn patiënten snel toevlucht in de daarvoor bestemde schuilplaatsen of in het meest nabijgelegen gebouw. Voor het voldoen aan de natuurlijke behoeften in de vrije natuur bij het werken op groote afstanden van de gestichtsgebouwen, is het medenemen van draagbare closets aan te bevelen. Onafscheidelijk verbonden met een goede arbeidstherapie is de zorg voor geregelde ontspanning ter afwisseling met den arbeid. Evenals dat in de vrije maatschappij gebeurd, moet ook in het gesticht een bepaald deel van den dag gewijd worden aan den arbeid, een ander deel aan den rust. De ontspanning kan bestaan in diverse gezelschapsspelen, muziek en zang, lectuur, toneelspel, gymnastiek, volksspelen, korfbal, voetbal en voorts zooveel, als de verplegende voor zijn patiënten weet uit te denken en belangwekkend te maken. Ook hier ligt voor de verplegenden een rijk arbeidsveld en ook dit is een van de onderdeelen der verpleegkunde waarin de goede krankzinnigenverpleegster haar capaciteiten kan toonen. Wie er slag van heeft de belangstelling en de animo van zijn patiënten voor een of ander spel of vorm van ontspanning, liefhebberijen of zelfontwikkeling te trekken, toont geschiktheid voor zijn taak.

 

You may also like...

Geef een reactie