Algemene Paralyse 1892


Algemeene paralyse. – Ziekte der eeuw. – Grootheidswaanzin. – Beschrijving

De geestesstoornis welker proces de meest verschrikkelijke verschijnselen aanbiedt is voorzeker de algemeene paralyse. Bij ’t laatste congres van specialisten in zenuwziekten hebben verscheiden bekende redenaars op de vermeerdering der gevallen van die ziekte opmerkzaam gemaakt. De algemeene paralyse is inderdaad de ziekte onzer eeuw, evenals de mystische- en godsdienstwaanzin de meest voorkomende zielsziekte was in die jaren, door Michelet betiteld als: “de duizend jaren van onmenschelijkheid, die men de middeleeuwen noemt”. Algemeene paralyse valt de meest krachtige en weldoorvoede mannen, wier geest voortdurend werkzaam is, op ’t lijf tusschen de 35 en 40 jaar. Wetenschappelijke mannen, letterkundigen, kunstenaars zijn voornamelijk de slachtoffers van dit lijden.
Geslachtelijke uitspattingen, voordurende bloedaandrang naar de hersenen (koks, stokers); een slag op ’t hoofd, zware koortsen die de hersencentra aandoen, misbruik van sterken drank moeten eveneens beschuldigd worden.

Men weet dat ’t voornaamste verschijnsel dat karakteristiek is voor die ziekte, grootheidswaan is. Zelden is die waanzin logisch en geordend, eerder is hij ongeregeld, zonder samenhang, vol tegenspraak en zonder dat de ideeen eenigzins op elkaar volgen. Meestal gaat hij vergezeld van stoornissen in het schrift; de hand weifelt en beeft. De mond, de lippen en vooral de tong worden bewogen door een lichte, voordurende trilling die het spreken stoort en de domme gezichtsuitdrukking der lijders verhoogt. De aandoeningen der hersenschors openbaren zich vervolgens door het verlies van het geheugen, onvastheid bij het loopen en bij bewegingen, ongelijkheid der pupillen en andere verschijnselen die alleen door den geneesheer naar waarde kunnen geschat worden.
Intusschen nemen de grootheidsideeen, de pretensien der ikheid toe, de buitengewone opwinding over de persoonlijkheid vermeerdert; de meest onzinnige gedachten van roem en speculatie nemen een vorm aan in den geest van de ongelukkige lijder. Hij is paus, koning, keizer, dichter, schilder; hij is alles wat hij wil zijn of liever alles wat de tuimel van zijn gedachten en van zijn waanzin wil dat hij is.

De geheele oudheid kende reeds den grootheidswaanzin; de oudste opmerking daarvan vinden wij bij Herodotus die ons onder den titel van “de gek van den Peraeus”, een man beschrijft die zonder ophouden verblijf hield aan de haven van Athene, meenende dat al de schepen van hem waren.
Het eigenaardige van den grootheidswaan is dan ook, volgens Foville, de ziekelijke overdrijving van alles wat den persoon betreft.
De lijders snoeven op hun schoonheid, hun rijkdom, hun geest, op een zoo waardige en trotsche manier dat de meest ernstige geneesheer in lachen uitbarst. Onlangs hebben wij nog een schrijven ontvangen van twintig bladzijden, waarin de lijder ons, met een verbeeldingskracht gelijk aan die van een Oosterling, de ongehoorde en buitengewone weelde van zijn vertrekken beschreef: intusschen woonde de schrijver onder de dakpannen, in een klein hokje.
Wij hebben een oud officier gekend die vroeger in goeden doen was geweest maar die, tengevolge van mislukte speculaties, gedwongen was in eenvoud te leven. Hij was het type van den lijder aan grootheidswaanzin; hij had verschillende uitvindingen op ’t gebied van alle takken van industrie gedaan, zeide hij, hij sprak alle talen; hij was musicus, dichter, candidaat voor de Fransche academie; hij had 60 miljoen rente, hij overstelpte den president der Franschen republiek met brieven, omdat deze de plaats innam die hij moest bekleeden, hij geloofde zoon van God te zijn enz. Tegenwoordig is hij opgesloten te Bicêtre.

Nu eens is de grootheidswaan gedeeltelijk en met redeneering, dan eens onlogisch en vaag, zonder samenhang; in ’t eerste geval is hij nog te genezen, in ‘t laatst loopt hij overmijdelijk uit op algemeene paralyse, op beroerte of idiotie, maar eindigt altijd met den dood.
Wij hebben reeds opgemerkt dat de beschaafde naties alleen het voordeel (?) hebben, dat zij krankzinnig geworden; de bevolkte steden worden ’t meest aangetast, en in die steden de hoogere klasse. Deze wet openbaart zich voornamelijk in den grootheidswaanzin, die erfelijkheid, eerzucht, teleurstellingen, overdaad, buitensporigheden, wangunst, wanordelijkheden, industrieele en geldelijke crises tot oorzaak heeft. Onechte kinderen, zegt Foville, worden dikwijls door grootheidswaanzin aangetast, omdat zij geneigd zijn zich een onwaren stamboom te scheppen. Het geregelde en zittende leven dat de meeste vrouwen hebben, en de hystero-epilepsi, waaraan zij dikwijls lijden, zijn redenen waarom zij aan den grootheidswaanzin ontsnappen.

Deze waanzin komt het meest voor tusschen de dertig en veertig jaren, den tijd, waarop lichaam en geest den meesten arbeid verrichten. Maar op hooger leeftijd is hij niet zeldzaam. Men herkent daaraan dat grootheidswaanzin een gevolg is der algemeene paralyse, wanneer hij kinderlijk is, vol tegenspraak en onlogisch en wanneer hij vergezeld is van bewegingsstoornissen, moeielijkheden bij het schrijven en van gezichtsstoornissen; de hand beeft, de mond, lippen en de tong vertoonen lichte trillingen, die de spraak bemoeielijken en haar een eigenaardige uitdrukking geven.

Men begrijpt dat ’t moeielijk is hier een nauwkeurige beschrijving te geven hoe de grootheidswaanzin moet behandeld worden; de behandeling hangt af van den persoon. Dit is echter voor alle lijders ‘tzelfde, dat zij moeten worden afgezonderd, en wanneer de zieke aan zijn omgeving wordt onttrokken en hij behandeld wordt met baden en kalmeerende middelen, onder het opzicht van een bekwaam geneesheer.

Wat de voorbehoedmiddelen tegen de ziekte betreft, ’t zijn de regels der gezondheidsleer op lichamelijk en geestelijk gebied niet alleen die daarvoor moeten waken maar ook een goede oplossing der voortdurende sociale en eoconomische raadselen. Want, zooals Ball ’t uitdrukt, is de algemeene paralyse, waaruit meestal grootheidswaanzin voortkomt, “een belasting, door de naijverige goden geheven van de naties, die te beschaafd zijn geworden en die te ver van de oorspronkelijke bedaardheid zijn afgeweken”. Helaas, met ’t oog op onze hersenen, waren wij beter denkend in den tijd, toen wij niet zoo goed dachten!

Wanneer grootheidswaan een verschijnsel is van de algemeene paralyse, dan gaat die ziekte langzaam voort tot ’t einde, de dood, daar is. Na den prikkelingstijd komt onvermijdelijk een tijd van afmatting en de langzame vernietiging der hersencellen loopt uiteindelijk uit op een meer of minder volledige verlamming, op uitputting, idiotie en ten laatsten op den dood. De ziekte duurt meestal een jaar of drie, vier. Wanneer zij eenmaal zeker is, is de geneeskunst onmachtig er iets tegen te doen; maar als men voorafgaande verschijnselen kent en in tijds opmerkt, kan kan men nog beproeven den voortgang der ziekte te stuiten.
Overigens duren die voorafgaande verschijnsels tamelijk lang en worden telkens door een kortdurende beterschap afgewisseld.

Bron: Zenuwlijden, Dr. E. Monin
Achttiende hoofdstuk
Uit het Fransch vertaald door Dr. A. Aletrino
Nijmegen, HCA Thieme, 1892

 

You may also like...

Geef een reactie