Anti-depressiva, Inleiding

In 1945 probeerde men een aantal nieuw ontdekte biochemische verbindingen bij de behandeling van tuberculose, tbc. Met enig succes, maar bij nadere beschouwing bleek de vooruitgang die sommige patiënten toonden, vooral te berusten op een verbetering van hun stemming. Ze werden weer wat vitaler, minder moe en lusteloos maar zonder dat de tbc verbeterde. De gebruikte stoffen hadden met elkaar gemeen dat zij een remmende werking uitoefenden op een zeker enzym met een naam die zo ingewikkeld was dat we alleen de afkorting gebruiken: MAO. Hiermee was de eerste familie van (moderne en wetenschappelijk onderzochte) antidepressiva geboren, de MAO remmers.

Het wetenschappelijk onderzoek had vooral betrekking op het vaststellen van de werking van deze middelen, en van de groep patiënten en de soort depressieve klachten die er baat bij had. Waarom ze werken is tot op de dag van vandaag een raadsel, want dat het remmen van het MAO-enzym een oorzaak van depressie wegneemt is nooit aangetoond. De MAO-remmers bleken vooral effectief bij de zeer ernstige, met psychose gepaard gaande depressieve aandoeningen. Zij hebben vele levens gered en nog steeds. Echter, het zijn zware middelen met bijwerkingen die fataal kunnen zijn en ze worden nog slechts gebruikt wanneer alle andere antidepressiva het laten afweten.

In de jaren zestig van de vorige eeuw ontdekte men een nieuwe groep, de tri-cyclische antidepressiva afgekort TCA (de klassieke anti-depressiva). Hier berust de naam op een gemeenschappelijk element in de chemische structuur. De TCA’s betekenden een doorbraak in de behandeling van depressie. Veel meer patiënten dan daarvoor konden met meer succes behandeld worden. En bovendien veel veiliger.

Bekende namen uit deze groep, die nog steeds regelmatig worden voorgeschreven zijn:
Tryptizol (amitriptyline)
Anafranil (clomipramine)
Nortrillen (nortriptyline)
Imipramine (impromen)
(Eerst de merknaam, dan de werkzame stof)

Het verband tussen de tricyclische structuur en de werkzaamheid van deze middelen werd nooit begrepen. Wel vond men een aantal biochemische systemen die duidelijk betrokken zijn bij depressie, zonder precies te begrijpen op welke manier. Twee daarvan zijn veruit het belangrijkste, Serotonine en Norandrenaline.

De volgende grote doorbraak vond plaats in de jaren tachtig van de vorige eeuw. De komst van SSRI’s, een afkorting van de engelse term Selective Serotonine Reuptake Inhibitors. De leden van deze geneesmiddelenfamilie bezitten de gezamenlijke deugd dat zij de heropname (reuptake) van serotonine selectief blokkeren (inhibit). En wel op een bepaalde plaats, in de ruimte tussen de twee uiteinden van zenuwvezels, waar deze contact met elkaar maken, de synaptische spleet. Dat contact maken verloopt via de afgifte door de ene en opname door de andere zenuw van stoffen zoals serotonine, die wij boodschappers noemen, oftewel neurotransmitters.
Zonder serotonine blokkeert het contact tussen de zenuwen en met te veel serotonine gaat het contact op een andere manier mis. De serotonine dient in de juiste hoeveelheid vrijgelaten te worden in de synaptische spleet en door een vernuftig systeem weer op de juiste manier uit die spleet teruggehaald te worden, waarop het spel opnieuw kan beginnen.

Bron:
Spreekuur thuis
Inmerc bv Wormer, 2006
ISBN 13-906619437

You may also like...