BIG Bekwaamheid

Wat is het onderscheid tussen deskundigheid en bekwaamheid?

De Wet BIG legt een directe koppeling tussen opleiding en deskundigheid en tussen bekwaamheid en bevoegdheid. Deskundigheid op een bepaald vakgebied wordt over het algemeen verkregen door het volgen van een opleiding.

Is een beroep wettelijk geregeld, dan worden voor dat beroep de opleidingseisen en het deskundigheidsgebied wettelijk vastgelegd. Wie aan de opleidingseisen voor een bepaald beroep voldoet, heeft het recht om de wettelijk beschermde titel te dragen die bij dat beroep hoort. De overheid garandeert daarmee dat de beoefenaren van dat beroep ter zake kundig zijn.

De beroepsbeoefenaar zelf geeft daarmee aan patiënten en andere belanghebbenden, zoals werkgevers, zorgverzekeraars en andere beroepsbeoefenaren, te kennen dat hij deskundig is op het betreffende gebied van de individuele gezondheidszorg. Bekwaamheid heeft betrekking op wat een beroepsbeoefenaar individueel weet én kan. De beoordeling van de bekwaamheid laat de Wet BIG dan ook aan betrokkenen zelf over. Bekwaamheid betreft het vermogen van een beroepsbeoefenaar om in een bepaalde situatie verantwoord een (voorbehouden) handeling uit te kunnen voeren.

Of iemand daadwerkelijk bekwaam is, hangt dus af van individuele omstandigheden en van de aard van de zorgsetting. De daadwerkelijke bekwaamheid en niet alleen het gevolgd hebben van een opleiding, bepaalt of iemand bevoegd kan handelen. De Wet BIG maakt met recht onderscheid tussen deskundigheid en bekwaamheid.Op grond van werkervaring en verdere scholing ontstaan er tussen beroepsbeoefenaren met eenzelfde opleiding verschillen in wat zij individueel weten en kunnen. De bekwaamheid van bijvoorbeeld een verpleegkundige met jarenlange werkervaring kan uitgebreider zijn dan die van een net gediplomeerde verpleegkundige.

Evengoed kan een beginnend verpleegkundige bekwamer zijn dan een verpleegkundige die een aantal jaren zijn beroep niet heeft uitgeoefend. Ook bestaan er verschillen in bekwaamheid tussen beoefenaren van een basisberoep en beroepsbeoefenaren die zich verder geschoold hebben op een specifiek onderdeel van hun vakgebied. Zo beschikt de beginnend arts over een goede basisdeskundigheid op het gebied van de geneeskunst, maar nog niet over de bekwaamheid om alle (voorbehouden) handelingen bijvoorbeeld op het gebied van de heelkunde te kunnen verrichten. Hij kan die bekwaamheid verwerven door zich te specialiseren.

Hoe stelt de opdrachtgever de bekwaamheid van de opdrachtnemer vast?

Eén van de voorwaarden die de Wet BIG aan de opdrachtgever stelt, is dat hij zich ervan moet vergewissen dat de opdrachtnemer bekwaam is om de voorbehouden handeling naar behoren uit te voeren (zie 4.1). De opdrachtgever kan dit persoonlijk vaststellen. De dagelijkse praktijk brengt echter met zich mee dat artsen regelmatig een opdracht geven aan bijvoorbeeld de teamleidinggevende, die de opdracht vervolgens weer overdraagt aan een collega. In een dergelijk geval weet de arts dus niet wie de uiteindelijke opdrachtnemer is.

Aangezien de opdrachtgever de zekerheid moet hebben dat de uitvoerder van de handeling bekwaam is, zijn de arts, de uitvoerder en de instelling gebaat bij duidelijke en zorgvuldig opgestelde regels met betrekking tot het overdragen van opdrachten. Een systeem van bekwaamheidsverklaringen kan daarbij een nuttig hulpmiddel zijn. (Zie ook hoofdstuk 6 ‘Zorgvuldig en verantwoord handelen’.)

Wat houdt een bekwaamheidsverklaring in?

In sommige instellingen wordt de bekwaamheid van een beroepsbeoefenaar om bepaalde handelingen naar behoren uit te voeren, schriftelijk vastgelegd in een bekwaamheidsverklaring. Deze verklaring geeft aan dat de beroepsbeoefenaar theoretisch en praktisch geschoold is om de desbetreffende handelingen naar behoren uit te voeren. Door een bekwaamheidsverklaring neemt de instelling feitelijk een deel van de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever over, namelijk het vaststellen van de bekwaamheid van de opdrachtnemer.

Vanzelfsprekend moet de opdrachtnemer elke keer weer zelf bepalen of hij daadwerkelijk bekwaam is om de opdracht uit te voeren. Ook is het van belang om de eenmaal verworven bekwaamheid regelmatig opnieuw te toetsen, om te voorkomen dat de bekwaamheidsverklaring zijn waarde verliest. Een instelling kan de procedure voor het opstellen en gebruiken van bekwaamheidsverklaringen vastleggen in een bekwaamheidsregeling.

Gaat het daarbij om voorbehouden handelingen, dan kan een dergelijke regeling ook een nuttige rol vervullen in het kader van de bevoegdheidsregeling Wet BIG.

Vergroot een bekwaamheidsverklaring de aansprakelijkheid?

Een bekwaamheidsverklaring ontslaat de individuele beroepsbeoefenaar er niet van om van geval tot geval zelf vast te stellen of hij bekwaam is om de voorbehouden handeling uit te voeren: weet ik er genoeg van en kan ik het verantwoord doen? Is het antwoord negatief, dan is hij niet bevoegd om de voorbehouden handeling uit te voeren. Is de opdracht aangenomen, dan is hij zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren.

Het is niet zo dat een beroepsbeoefenaar met een bekwaamheidsverklaring in grotere mate aansprakelijk is voor eventuele schadelijke gevolgen van zijn handelen dan iemand zonder bekwaamheidsverklaring. Of een dergelijke aansprakelijkheid bestaat, hangt in de eerste plaats af van de manier waarop de handeling is uitgevoerd. In hoofdstuk 6 ‘Zorgvuldig en verantwoord handelen’ wordt uitgebreid ingegaan op het thema ‘aansprakelijkheid’.

Zorginstellingen en voorbehouden handelingen

De Wet BIG biedt het kader voor verantwoorde beroepsuitoefening. Een verantwoorde beroepsuitoefening betekent expliciete aandacht voor de bevoegdheidsregeling voorbehouden handelingen. De Kwaliteitswet Zorginstellingen stelt dat iedere zorginstelling garant dient te staan voor verantwoorde zorg. Verantwoorde beroepsuitoefening door deskundige en bekwame beroepsbeoefenaren maakt daarvan deel uit.

Daarom moet de kwaliteit van het beroepsmatig handelen in de instelling systematisch worden bevorderd en bewaakt. Vaak zal het nodig zijn om de afspraken tussen de beroepsbeoefenaren schriftelijk vast te leggen, want de kwaliteit van het handelen moet controleerbaar zijn.

Zowel in het kader van de Wet BIG als op grond van de Kwaliteitswet Zorginstellingen is het dus van belang om goede afspraken te maken over taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van beroepsbeoefenaren. Dat geldt in het bijzonder wanneer sprake is van voorbehouden handelingen.

Instellingen hebben hier een eigen verantwoordelijkheid. Die zal er in veel gevallen toe leiden dat zij voor het opdragen en uitvoeren van voorbehouden handelingen zorgvuldige procedures ontwikkelen. Een bekwaamheidsregeling kan daarvan deel uitmaken. Veel zorginstellingen stemmen hun werkafspraken en protocollen nu al af op de eisen die de bevoegdheidsregeling voorbehouden handelingen daaraan stelt, ook al wordt deze pas eind 1997 van kracht. De overheid heeft niet voor afzonderlijke groepen van beroepsbeoefenaren willen aangeven welke voorbehouden handelingen zij in opdracht mogen uitvoeren.

Het is aan de zorginstellingen en de betrokken beroepsbeoefenaren om dat verder uit te werken. Het deskundigheidsgebied en de opleidingseisn van de artikel 3 en de artikel 34 beroepen kunnen hierbij houvast bieden. Tevens kunnen zorginstellingen zich richten op de standpunten van de verschillende beroepsorganisaties, onder andere over beroepsprofielen en daarvan afgeleide functieprofielen. De Wet BIG spreekt bovendien over categorieën voorbehouden handelingen zoals ‘injecties’; een nadere uitwerking is niet gegeven.

Wat betreft de verpleegkundigen biedt het advies van de Raad BIG over de toepassing van een regeling voor ‘functionele zelfstandigheid’ aanknopingspunten (zie 4.8). In dit advies geeft de Raad BIG een nadere precisering van voorbehouden handelingen die veel door verpleegkundigen worden uitgevoerd. Dit overzicht is niet bedoeld als alles omvattend en definitief, maar biedt een handreiking voor de praktijk (I). In een instelling zijn verschillende categorieën van beroepsbeoefenaren werkzaam.

Het aantal beroepsbeoefenaren per categorie verschilt van instelling tot instelling. In een verpleeghuis bijvoorbeeld zullen naar verhouding meer verzorgenden werkzaam zijn dan in een ziekenhuis. Ook komen bepaalde voorbehouden handelingen in het ziekenhuis en de thuiszorg vaker voor dan in de zwakzinnigenzorg of de psychiatrie.In een ziekenhuis verschilt het zelfs van afdeling tot afdeling welke voorbehouden handelingen voorkomen. Het is dus gewenst dat een instelling een regeling op maat maakt, in overeenstemming met de personeelsbezetting.

You may also like...

Geef een reactie