BIG Opdracht en verantwoordelijkheid

Opdracht en verantwoordelijkheid

Welke voorwaarden stelt de Wet BIG aan de opdrachtgever en de opdrachtnemer? Als een beroepsbeoefenaar in opdracht van een zelfstandig bevoegde een voorbehouden handeling uitvoert, stelt de Wet BIG voorwaarden aan de opdrachtgever en de opdrachtnemer.

De opdrachtgever is een arts, tandarts of verloskundige. Een opdrachtnemer kan iedere beroepsbeoefenaar zijn, zoals een radiodiagnostisch laborant, een verpleegkundige, een verzorgende of een helper in een kinderdagverblijf. Een beroepsbeoefenaar die niet zelfstandig bevoegd is, mag (behalve in een noodsituatie) nooit op eigen initiatief een voorbehouden handeling uitvoeren.

De Wet BIG stelt de volgende voorwaarden:

  • De opdrachtgever is deskundig en bekwaam tot het stellen van de indicatie; · De opdrachtgever geeft aanwijzingen en zorgt u ervoor dat toezicht en tussenkomst mogelijk zijn; dit alleen voor zover redelijkerwijs nodig; · De opdrachtgever stelt vast dat de opdrachtnemer bekwaam is om de voorbehouden handeling naar behoren uit te voeren; · De opdrachtnemer handelt in opdracht van de zelfstandig bevoegde; · De opdrachtnemer handelt volgens de gegeven aanwijzingen; · De opdrachtnemer stelt vast dat hij bekwaam is om de voorbehouden handeling naar behoren uit te voeren.

Wettelijke eisen aan de opdrachtgever en de opdrachtnemer van een voorbehouden handeling (artikelen 35 en 38 Wet BIG)

Opdrachtgever: arts, tandarts of verloskundige: deskundig en bekwaam om te indiceren:

1) opdracht geven

2 ) voorzover redelijkerwijs nodig:

  • aanwijzingen geven
  • toezicht verzekeren
  • mogelijkheid tot tussenkomst verzekeren

3) de bekwaamheid van de opdrachtnemer vaststellen

Opdrachtnemer: alle andere beroepsbeoefenaren

1) in opdracht handelen

2) handelen overeenkomstig de gegeven aanwijzingen

3) beschikken over de bekwaamheid om de handeling uit te voeren

Wat betekent ‘toezicht en tussenkomst’?

Of toezicht en tussenkomst door de opdrachtgever noodzakelijk zijn en in welke vorm, zal per situatie verschillen. De arts kan direct toezicht houden door op de plaats van handeling zelf aanwezig te zijn. Tussenkomst van de arts kan op verschillende manieren worden ingevuld. De arts kan telefonisch bereikbaar zijn om zonodig de beroepsbeoefenaar mondeling aanwijzingen of een aanvullende opdracht te geven. De arts kan ook ter plekke aanwezig zijn om zonodig in te grijpen en dehandeling over te nemen.

Wat zijn aanwijzingen?

Aanwijzingen van de arts betreffen in het algemeen het observeren van de patiënt en het handelen bij complicaties. Het kan ook gaan om specifieke voorschriften voorhet uitvoeren van een voorbehouden handeling. Aanwijzingen kunnen mondeling of schriftelijk worden gegeven en in protocollen worden vermeld.

Het is aan te bevelen om in een protocol duidelijk melding te maken van specifieke bijwerkingen en/of complicaties bij een handeling en hoe in zulke gevallen moet worden gehandeld (ingrijpen of waarschuwen). In de 24-uurs zorgverlening, waar vaak meerdere beroepsbeoefenaren verantwoordelijk zijn voor de zorgverlening aan een patiënt, is het schriftelijk vastleggen van aanwijzingen zeer aan te bevelen. Als degene die de opdracht-met-aanwijzingen aanneemt, de aanwijzingen alleen mondelingoverdraagt, kan belangrijke informatie verloren gaan. Als er iets mis gaat, kunnen schriftelijke afspraken en protocollen van belang zijn om te bepalen of de beroepsbeoefenaar zorgvuldig heeft gehandeld.

Wanneer aanwijzingen geven en toezicht en/of tussenkomst mogelijk maken?

De wet stelt dat de zelfstandig bevoegde ‘voorzover redelijkerwijs nodig’ aanwijzingen moet geven en de mogelijkheid van toezicht en/of tussenkomst moet verzekeren. Aanwijzingen, toezicht en tussenkomst zijn dus niet in iedere situatie nodig.

Maar wie bepaalt dat? Dit is in eerste instantie een taak (en een plicht) van de opdrachtgever. De arts dient te overwegen of aanwijzingen nodig zijn en of hij voor toezicht en tussenkomst moet zorgen. Mogelijke overwegingen van de arts zijn: de complexiteit van de handeling (het handelschema, de kans op complicaties en/of bijwerkingen, is uitstel van de handeling mogelijk) en de complexiteit van de situatie (de patiënt, zijn zorgbehoefte en de mstandigheden waaronder de zorg wordt geboden) (1).

Als een arts aan zijn assistent aanwijzingen geeft, moet de assistent deze opvolgen. Daarnaast kan degene die de opdracht krijgt en zich niet volledig bekwaam acht om hem uit te voeren, bijvoorbeeld als de handeling hem niet geheel vertrouwd is, om aanwijzingen vragen. Hij kan dan ook aangeven of toezicht en tussenkomst door de opdrachtgever gewenst zijn. Bij twijfel moet hij dat zelfs doen! Blijft de uitvoerder van de opdracht betwijfelen of hij de opdracht naar behoren kan uitvoeren, dan mag hij de opdracht niet uitvoeren. Ook als de opdrachtnemer een ernstig vermoeden heeft dat de opdracht niet klopt, moet hij dit aan de arts kenbaar maken en de handeling niet uitvoeren zolang daarover geen duidelijkheid bestaat.

Enkele voorbeelden:

  • Een arts geeft de opdracht om een maagsonde in te brengen bij een patiënt in een stabiele gezondheidstoestand. Als een gediplomeerde en ervaren beroepsbeoefenaar deze handeling uitvoert, zullen aanwijzingen, toezicht en/of tussenkomst door de arts minder noodzakelijk zijn. Moet deze handeling bij een comateus persoon worden uitgevoerd, dan zijn specifieke aanwijzigingen en eventueel direct toezicht van de opdrachtgever meer noodzakelijk.
  • Als het gaat om een (eerste) intraveneuze toediening van een geneesmiddel, kan het nodig zijn dat de arts deze handeling zelf verricht of direct bereikbaar is als de verpleegkundige deze handeling uitvoert, met name als de reacties van de patiënt op deze medicatie niet of moeilijk zijn in te schatten. Bij het bepalen of aanwijzingen, toezicht of tussenkomst van de arts (opdrachtgever) nodig zijn, is met name de bekwaamheid van de opdrachtnemer van groot belang:
  • Als bijvoorbeeld een wijkverpleegkundige wekelijks intramusculaire injecties geeft, is toezicht en/of tussenkomst van de huisarts daarbij niet noodzakelijk als het gaat om een ‘bekend’ geneesmiddel.
  • Een arts geeft aan zijn assistent de opdracht om een griepvaccinatie te geven. Als de dokters-assistent de handeling regelmatig uitvoert, is toezicht minder noodzakelijk dan bij een niet ervaren assistent.
  • Een medewerker van de GGD geeft dagelijks vaccinaties. Gezien de vaardigheden van de medewerker zal het niet direct noodzakelijk zijn dat de arts aanwijzingen geeft. Maar voor het geval dat een ernstige reactie op de inenting optreedt, moeten er wel afspraken bestaan over de bereikbaarheid van de arts.

Is een schriftelijke opdracht noodzakelijk?

Voor het uitvoeren van een voorbehouden handeling is een opdracht noodzakelijk, maar de Wet BIG stelt geen eisen aan de vorm waarin de opdracht wordt gegeven, schriftelijk of mondeling. De wet stelt aan het geven en uitvoeren van opdrachten algemene zorgvuldigheidseisen. De mate van zorgvuldigheid wordt vooral bepaald door de handelwijze van beroepsbeoefenaren. Het is bijvoorbeeld gewenst om, ook bij mondelinge opdrachten, de datum en de naam van de opdrachtgever en de opdrachtnemer in de rapportage schriftelijk vast te leggen. Zo kan te allen tijde worden nagegaan wanneer en door wie de opdracht is gegeven en aangenomen. Om misverstanden te voorkomen, is het aan te bevelen om met schriftelijke opdrachten van de arts te werken. Als een verpleegkundige ‘s avonds telefonisch de opdracht van de arts krijgt om bepaalde medicatie intraveneus toe te dienen, kan de verpleegkundige de opdracht ter plekke noteren en controleren door deze opnieuw voor te lezen aan de arts. Het verdient aanbeveling deze mondelinge opdracht schriftelijk door de arts te laten bevestigen. Een schriftelijke opdracht van de arts kan een extra mogelijkheid tot controle zijn voor beide partijen. Daarnaast heeft een schriftelijke opdracht een betere bewijskracht als er iets misgaat.

Is het overdragen van een opdracht toegestaan?

De Wet BIG gaat ervan uit dat degene aan wie de opdracht wordt gegeven, ook de persoon is die de voorbehouden handeling uitvoert. De gangbare praktijk is vaak anders. Degene die de opdracht aanneemt, is in veel gevallen niet de persoon die de handeling uitvoert. In sommige thuiszorgorganisaties bijvoorbeeld ontvangt de intaker de opdracht en draagt deze over aan de verpleegkundigen of de verzorgenden van het desbetreffende rayon. In de situatie dat een handeling drie maal daags dient te worden uitgevoerd, kan het voorkomen dat verschillende beroepsbeoefenaren de uitvoering van deze opdracht op zich nemen. De wet sluit het overdragen van een opdracht niet uit, maar geeft geen bepalingen waaraan deze overdracht dient te voldoen. Het overdragen van een opdracht dient in ieder geval op een zorgvuldige en verantwoorde wijze te gebeuren. Daarnaast is het van belang dat de bekwaamheid van de opdrachtnemers is gegarandeerd. Vaak is de opdrachtgever niet op de hoogte van de persoon van de opdrachtnemer. Aangezien de wet stelt dat de arts zich van de bekwaamheid van de opdrachtnemer moet vergewissen, is het van belang dat die bekwaamheid wordt geobjectiveerd. Doorwerkafspraken, protocollen en een (bij)scholingsprogramma kan hierin worden voorzien.

Wat te doen met de opdracht ‘zonodig pijnstilling geven’?

Artsen geven regelmatig de opdracht om ‘zo nodig’ medicatie te geven, bijvoorbeeld morfine toedienen via een infuus of epiduraal catheter. De betreffende opdrachtnemer bepaalt, mede aan de hand van de opdracht en in samenspraak met de patiënt, wanneer de noodzaak voor toediening van pijnstillende medicatie aanwezig is. Ook in andere zorgsituaties, zoals een acute afdeling in een psychiatrisch ziekenhuis, spreken de betrokken beroepsbeoefenaren af in welke gevallen bij een patiënt ‘zonodig’ direct medicatie per injectie moet worden toegediend. Er mag van worden uitgegaan dat een ervaren verpleegkundige verantwoord kan bepalen wanneer de noodzaak voor medicatie aanwezig is. Een protocol of instructie

kan daarbij een hulpmiddel zijn, omdat daarin de marges zijn aangegeven waarbinnen degene die de opdracht uitvoert een keuze moet maken. Maar wat als er een uitzendkracht of oproepkracht op de afdeling werkt? Of een leerling? Zijn deze beroepsbeoefenaren voldoende deskundig en bekwaam om te kunnen vaststellen wanneer de handeling moet worden uitgevoerd? Als het protocol of de instructie voldoende houvast biedt voor een juiste beslissing, dan mag de handeling worden uitgevoerd. Twijfelt deze beroepsbeoefenaar, dan mag hij de opdracht niet uitvoeren.

Wat betekent ‘functionele zelfstandigheid’?

Bepaalde groepen van beroepsbeoefenaren, waaronder de verpleegkundigen, voeren regelmatig en met een grote mate van zelfstandigheid bepaalde voorbehouden handelingen op deskundige wijze uit. De betrokken beroepsbeoefenaren hebben dan vastgesteld dat toezicht en tussenkomst door de arts in die gevallen niet noodzakelijk zijn. Dit is in overeenstemming met de Wet BIG; de bevoegdheidsregeling stelt namelijk dat toezicht en tussenkomst mogelijk moeten zijn in gevallen waarin dat redelijkerwijs nodig is. Voor gevallen als deze biedt de Wet BIG de mogelijkheid om wettelijk vast te leggen

dat (groepen van) beroepsbeoefenaren beschikken over de specifieke deskundigheid om zonder toezicht of tussenkomst door de opdrachtgever bepaalde categorieën van voorbehouden handelingen uit te voeren. Deze ‘functionele zelfstandigheid’ betreft dus de voorwaarden die de wet stelt aan de uitvoering van een opdracht.

De arts/opdrachtgever mag er dan vanuit gaan dat de opdrachtnemer voldoende deskundig is om de voorbehouden handeling, bijvoorbeeld een intramusculaire injectie, ‘functioneel zelfstandig’ uit te kunnen voeren. Een dergelijke regeling zal voorlopig alleen voor verpleegkundigen gelden, zo heeft

de minister van VWS besloten. Op grond van de Wet BIG wordt wettelijk vastgelegd dat verpleegkundigen beschikken over de deskundigheid om bepaalde injecties, puncties en catheterisaties ‘functioneel zelfstandig’ uit te voeren. Dit doet recht aan de sinds jaar en dag bestaande deskundigheid van verpleegkundigen bij het uitvoeren van voorbehouden handelingen. Het biedt bovendien voor de organisatie van de zorg veel voordelen als verpleegkundigen met een grote mate van zelfstandigheid kunnen werken. (3)

Vanzelfsprekend is ook voor het ‘functioneel zelfstandig’ uitvoeren van een voorbehouden handeling altijd een opdracht van een zelfstandig bevoegde nodig en is de individuele bekwaamheid van de opdrachtnemer een eerste vereiste. Zoals hiervoor gezegd laat de Wet BIG de mogelijkheid open dat een voorbehouden handeling, ook als er geen sprake is van ‘functionele zelfstandigheid’, wordt uitgevoerd zonder toezicht en tussenkomst door de opdrachtgever. Anderzijds betekent ‘functionele zelfstandigheid’ nadrukkelijk niet, dat toezicht en tussenkomst niet meer mogen. De opdrachtgever en de opdrachtnemer houden ook dan ieder hun eigen verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige uitvoering van de voorbehouden handeling; twijfelt de opdrachtnemer aan zijn bekwaamheid, dan kan hij om toezicht of tussenkomst vragen. Ook de opdrachtgever kan daartoe in een gegeven situatie besluiten.

Noot 3 Zie ook: ‘Voorbehouden handelingen. Advies over de toepassing van artikel 39 voor verpleegkundigen, mondhygiënisten en radiologisch laboranten’. Raad BIG, Zoetermeer 1995.

Wat betekent ‘verantwoordelijkheid’?

Wie werkzaam is in de gezondheidszorg, is zelf verantwoordelijk voor zijn handelen. Dit geldt óók voor het in opdracht uitvoeren van een voorbehouden handeling. Verantwoordelijk zijn wil zeggen: daarover verantwoording kunnen afleggen. De Wet BIG geeft duidelijk aan welke onderscheiden verantwoordelijkheden de opdrachtgever en de opdrachtnemer hebben:

  • De arts is als opdrachtgever verantwoordelijk voor het op zorgvuldige wijze verstrekken van de opdracht. Hij moet zich daarbij vergewissen van de bekwaamheid van de opdrachtnemer.
  • De verpleegkundige (en ieder ander) die een opdracht tot het uitvoeren van een voorbehouden handeling aanvaardt, is op zijn beurt zèlf verantwoordelijk voor een zorgvuldige uitvoering van die handeling. Een eerste vereiste daarvoor is de feitelijke bekwaamheid om de opdracht naar behoren uit te voeren. · Ook wie nog in opleiding is, bijvoorbeeld een leerling-ziekenverzorgende, en een voorbehouden handeling uitvoert, is daarvoor zelf verantwoordelijk. De instelling waar de leerling werkt is natuurlijk wel verantwoordelijk voor goede afspraken over de inzetbaarheid van leerlingen: welke opdrachten mogen aan leerlingen worden gegeven en welke voorwaarden gelden daarbij?

Is er sprake van ‘eindverantwoordelijkheid’?

De bevoegdheidsregeling voorbehouden handelingen in de Wet BIG laat er geen misverstand over bestaan dat opdrachtnemer en opdrachtgever een gescheiden verantwoordelijkheid hebben. De wet staat niet toe dat bijvoorbeeld de verpleegkundige die een opdracht heeft aanvaard, zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering afschuift naar de arts die de opdracht heeft gegeven.

Ook de arts kan zich wat zijn verantwoordelijkheid voor het verlenen van de opdracht betreft, niet verschuilen achter degene die zijn opdracht uitvoert. Bij het verrichten van een voorbehouden handeling is er dus geen sprake van een ‘eindverantwoordelijkheid’ voor ofwel de opdrachtgever, ofwel de opdrachtnemer. Beiden zijn voor hun aandeel daarin zelf verantwoordelijk.

Toch komt het voor dat een arts zegt: ‘Maar ik heb de eindverantwoordelijkheid’. Wat bedoelt hij dan? De arts heeft gelijk als hij daarmee bedoelt dat hij (eind)verantwoordelijk is voor het totale medische beleid voor een bepaalde patiënt, waaronder diagnose, behandelplan en indicatiestelling. Voor de uitvoering van voorbehouden handelingen echter, geldt de toedeling van verantwoordelijkheden zoals de bevoegdheidsregeling in de Wet BIG die geeft.

Wat is de waarde van protocollen?

In toenemende mate wordt in instellingen gebruik gemaakt van protocollen: richtlijnen voor het handelen van beroepsbeoefenaren. Een protocol kan de kwaliteit van het handelen van de beroepsbeoefenaar ondersteunen. In zo’n protocol is vaak een checklist opgenomen van uit te voeren handelingen. Ook kan een protocol nauwkeurig aangeven wie waarvoor verantwoordelijk is en hoe te handelen als het mis dreigt te gaan. De bevoegdheidsregeling voorbehouden handelingen leent zich goed voor uitwerking in protocollen. Een verpleegkundige die een opdracht tot een protocollair vastgelegde voorbehouden handeling aanvaardt, is dan verantwoordelijk voor een juiste manier van uitvoeren, in overeenstemming met het protocol. Het verdient aanbeveling om alle handelingen die nodig zijn om de opdracht naar behoren uit te voeren in het protocol op te nemen. Betreft het bijvoorbeeld een opdracht tot het toedienen van een bepaalde injectie, dan wordt in het protocol ook de handeling ‘optrekken van de vloeistof ’ beschreven. De opdrachtnemer is er in dat geval ook voor verantwoordelijk dat de juiste hoeveelheid van het juiste preparaat wordt toegediend. Een protocol kan ook als middel dienen voor een toetsing achteraf, door de beroepsbeoefenaar zelf, zijn collega’s of bijvoorbeeld de tuchtrechter.

Wat is de waarde van bekwaamheidsverklaringen?

Veel instellingen maken gebruik van bekwaamheidsverklaringen. Deze geven aan welke handelingen de betreffende beroepsbeoefenaar in principe deskundig en bekwaam kan uitvoeren. Bekwaamheidsverklaringen kunnen bij de organisatie van verantwoorde zorg in een instelling zeker van pas komen. Het ontslaat de individuele eroepsbeoefenaar die een opdracht tot het uitvoeren van een voorbehouden handeling aanneemt, echter niet van de verplichting om zelf vast te stellen of hij inderdaad bekwaam is.

Op het moment dat de feitelijke bekwaamheid ontbreekt, kan de opdrachtnemer dus niet bevoegd handelen. Het is goed voorstelbaar dat iemand die een bepaalde gecompliceerde handeling al enige tijd niet meer heeft uitgevoerd, zich niet meer voldoende bekwaam acht. In zo’n situatie kunnen de betrokkenen nagaan of aanwijzingen, een vorm van toezicht en de mogelijkheid van tussenkomst kunnen bijdragen aan het verantwoord uitvoeren van de handeling. Blijft die zekerheid uit, dan moet degene aan wie de opdracht is gegeven, weigeren om deze uit te voeren.

De waarde van een bekwaamheidsverklaring is dus sterk afhankelijk van de actuele bekwaamheid van de beroepsbeoefenaar die een voorbehouden handeling krijgt opgedragen. Sommige instellingen werken met reguliere bijscholingsprogramma’s die het mogelijk maken dat de feitelijke bekwaamheid van iedereen die een bekwaamheidsverklaring heeft, op peil blijft.

Welke mogelijkheden kent de Wet BIG om een beroepsbeoefenaar te corrigeren ?

Het handelen van de beroepsbeoefenaar in de individuele gezondheidszorg kan op veel manieren worden getoetst en gecorrigeerd. Op grond van de Wet BIG en andere wetgeving. In de Wet BIG is voor acht beroepen tuchtrecht vastgelegd. Tevens zijn strafbepalingen in de Wet BIG opgenomen.

Tuchtrecht in de Wet BIG

Het tuchtrecht heeft als eerste doel het handhaven van een verantwoord niveau van beroepsuitoefening. Als de beroepsbeoefenaar tekortschiet in de zorg aan de individuele patiënt en meer in het algemeen de gezondheidszorg benadeelt, kunnen maatregelen worden opgelegd. Daarbij hoeft geen sprake te zijn van daadwerkelijke schade of opzet. Afhankelijk van de mate waarin de beroepsbeoefenaar tekortschiet, zijn de tuchtmaatregelen meer of minder ingrijpend van aard. De zwaarste maatregel in dit verband is doorhaling in het register: het niet meer mogen voeren van de titel. De tuchtnormen waaraan wordt getoetst, zijn zeer algemeen:

– elk handelen of nalaten in strijd met de zorg van een beroepsbeoefenaar jegens de patiënt en zijn naasten; – elk ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

Uit het toepassen van deze tuchtnormen kunnen specifieke eisen worden afgeleid waaraan beroepsbeoefenaren moeten voldoen, om te kunnen spreken van een kwalitatief verantwoorde beroepsuitoefening. Zo draagt het tuchtrecht bij aan het bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Het tuchtrecht is daarvoor meer geëigend dan het burgerlijk recht en het strafrecht.

De Wet BIG stelt voor acht beroepen tuchtrecht in. Naast de artsen, de tandartsen, de verloskundigen en de apothekers, die nu al tuchtrecht kennen, zullen vanaf eind 1997 ook de verpleegkundigen, de fysiotherapeuten, de klinisch psychologen (dan wel de gezondheidszorgpsychologen) en de psychotherapeuten te maken krijgen met tuchtrecht. Vergeleken met de huidige Medische Tuchtwet is het tuchtrecht volgens de Wet BIG vernieuwd (I).

Strafbepalingen in de Wet BIG

De Wet BIG kent nog een mogelijkheid om het gedrag van de zorgverlener te corrigeren. In de wet zijn strafbepalingen opgenomen die speciaal op de zorgverlener in de gezondheidszorg zijn toegesneden. Deze strafbepalingen gelden ondermeer als waarborg voor een verantwoorde beroepsuitoefening. In tegenstelling tot het tuchtrecht, dat alleen voor de acht in artikel 3 van de Wet BIG genoemde beroepen geldt, zijn de strafbepalingen op alle beroepsbeoefenaren van toepassing, dus ook op beoefenaren van beroepen die op grond van artikel 34 worden geregeld en beoefenaren van niet wettelijk geregelde beroepen.

Strafbaar volgens de Wet BIG is onder andere:

– het onbevoegd uitvoeren van een voorbehouden handeling;
– het opdragen van een voorbehouden handeling zonder aan de voorwaarden te voldoen;
– het veroorzaken van (een aanmerkelijke kans op) schade aan de gezondheid; – het onrechtmatig voeren van een wettelijk beschermde titel;

In de paragrafen 1.4 en 5.1 is ingegaan op het recht een titel te mogen dragen en de strafbepaling die erop betrekking heeft. In het nu volgende een nadere toelichting op de andere strafbepalingen.

Een ieder die onbevoegd voorbehouden handelingen uitvoert, of opdracht geeft tot uitvoering van een voorbehouden handeling zonder de wettelijke voorwaarden in acht te nemen, is strafbaar.

Noot1 Te zijner tijd zal een aparte brochure verschijnen, waarin de verschillen met het huidig medisch tuchtrecht worden aangegeven. In die brochure zal ook het belang van tuchtrecht voor onder andere de verpleegkundige beroepsgroep worden aangegeven.

Een paar voorbeelden.

  • De pas afgestudeerde basisarts die niet bekwaam is om een bepaalde voorbehouden handeling op eigen indicatie uit te voeren en dit toch doet, is strafbaar. · De verpleegkundige die zonder opdracht en zonder dat sprake is van een noodsituatie een injectie met morfine geeft, is strafbaar. · De verloskundige die op eigen indicatie in vitro fertilisatie (IVF) toepast, is strafbaar. De Wet BIG geeft aan dat zij ten aanzien van een aantal voorbehouden handelingen zelfstandig bevoegd is, maar IVF valt daar niet onder. · De gezinsverzorgende die op eigen initiatief door middel van een injectie insuline toedient, handelt onbevoegd en is daarom strafbaar.

Op het overtreden van deze strafbepaling staan in de wet als sancties genoemd maximaal drie maanden gevangenisstraf en/of een geldboete van maximaal f 5000,-.

Een ieder die bij het verlenen van zorg schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid veroorzaakt, is strafbaar. Het gaat hierbij om het gehele terrein van de individuele gezondheidszorg. De schadebepaling is van toepassing op iedereen die zich beroepsmatig met het verlenen van zorg bezighoudt. Het gaat dan om de volgende categorieën:

  • Beoefenaren van wettelijk geregelde beroepen (artikel 3 en artikel 34Wet BIG), zoals artsen en verpleegkundigen, maar ook bijvoorbeeld oefentherapeuten en podotherapeuten, die bij het verlenen van zorg buiten hun deskundigheidsgebied zijn getreden; · Beoefenaren van beroepen die niet wettelijk geregeld zijn, zoals de bejaardenverzorgende, maar ook de alternatieve behandelaar; · Zij die slechts incidenteel op het terrein van de individuele gezondheidszorg werkzaam zijn.

Al het doen en laten van de zorgverlener ten opzichte van de patiënt valt onder deze strafbepaling. Dus ook het nalaten om op te treden, bijvoorbeeld niet doorverwijzen als dat wel geïndiceerd is. Werkzaamheden zoals het voorlichten en adviseren van een patiënt vallen eveneens onder deze bepaling. Op het overtreden van deze strafbepaling staan in de wet als sancties genoemd: maximaal drie maanden gevangenisstraf en/of een geldboete van maximaal f 5000,- en/of ontzetting van het recht het beroep uit te oefenen. Als de beroepsbeoefenaar wist of ernstige reden had om te vermoeden dat hij schade zou veroorzaken, of een aanmerkelijke kans daarop bestond, kunnen de gevangenisstraf of de geldboete worden verdubbeld.

Op grond van welke andere wetten kan een beroepsbeoefenaar worden gecorrigeerd ?

Het handelen van een beroepsbeoefenaar kan eveneens worden getoetst aan het klachtrecht, het burgerlijk recht (inclusief het arbeidsrecht) en het strafrecht. Het klachtrecht De Wet Klachtrecht Cliënten Zorgsector stelt verplicht dat iedere zorginstelling een klachtencommissie heeft. Een patiënt met een klacht over een verkeerde of onzorgvuldige behandeling of bejegening kan deze aan de commissie voorleggen. Die onderzoekt de klacht en doet daar een uitspraak over.

De commissie kan ook aanbevelingen doen. De hulpverlener en de instelling zijn niet verplicht de uitspraak van de commissie op te volgen. Toch is de verwachting dat uitspraken van de commissie serieus worden genomen, omdat dit in het belang van alle betrokkenen is. Voor de hulpverlener bijvoorbeeld betekent een uitspraak ook een gratis advies om de kwaliteit van zijn handelen te verbeteren.

Het burgerlijk recht

Bij het burgerlijk recht gaat het om de rechtsverhouding tussen burgers onderling, in dit geval tussen de patiënt en de beroepsbeoefenaar. Als een verpleegkundige op een verkeerde plaats een intramusculaire injectie geeft, dan is dat een onjuiste uitvoering van een voorbehouden handeling.

De patiënt kan naar de rechter stappen als hij schade heeft ondervonden (bijvoorbeeld een stijf been) en deze vergoed wil zien. Als de verpleegkundige in dienst is van het ziekenhuis, kan de patiënt het ziekenhuis als werkgever aansprakelijk stellen. Het ziekenhuis is dan in principe aansprakelijk voor de schade die door zijn werknemers is veroorzaakt.

Een beroepsbeoefenaar met een eigen praktijk, bijvoorbeeld een verloskundige, kan persoonlijk door de cliënt worden aangesproken. De patiënt zal in beginsel de fout van de beroepsbeoefenaar moeten bewijzen. De beroepsbeoefenaar moet de nodige schriftelijke gegevens kunnen overleggen. Vaak ontstaat aan de hand daarvan meer duidelijkheid.

Het arbeidsrecht

Het arbeidsrecht valt onder het burgerlijk recht en bepaalt specifiek de verhouding tussen werkgever en werknemer en de daarbij behorende wederzijdse rechten en plichten. De beroepsbeoefenaar die in dienstverband werkzaam is, kan indien hij een beroepsfout maakt, door de werkgever worden aangesproken op zijn handelen. Als uiterste consequentie kan ontslag volgen. De betrokken beroepsbeoefenaar kan dit ontslag aanvechten voor de (burgerlijk) rechter.

Het strafrecht

Bij het strafrecht gaat het om de verhouding tussen overheid en burger. Als de patiënt, zijn familie of de inspecteur voor de gezondheidszorg aangifte heeft gedaan, kan de officier van justitie tot vervolging overgaan. Hij zal dan een redelijk vermoeden moeten hebben dat een strafbaar feit is begaan. In het Wetboek van Strafrecht staan alle misdrijven en overtredingen waarvoor iemand strafrechtelijk kan worden vervolgd. De officier van justitie zal moeten aantonen dat er sprake is van grove fouten of nalatigheden. Het strafrecht is een zwaar middel om een beroepsbeoefenaar te corrigeren. De rechter zal hiertoe niet lichtvaardig overgaan en een onomstotelijk bewijs willen hebben. Overigens hoeft niet altijd een straf te worden opgelegd.

Kan het handelen aan meerdere wetten tegelijk worden getoetst?

Het burgerlijk recht, het strafrecht en het tuchtrecht bestaan naast elkaar, maar kunnen tegelijkertijd worden toegepast. Is in een bepaald geval de patiënt schade toegebracht en wil hij die vergoed zien, dan wendt hij zich tot de burgerlijk rechter. De werkgever kan door een beroep te doen op het arbeidsrecht de werknemer aanspreken op zijn handelen als hij tekort is geschoten in zijn plicht om de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze te verrichten. De onzorgvuldig handelende beroepsbeoefenaar kan met het tuchtrecht in aanraking komen als tegen hem een klacht is ingediend die de kwaliteit van zijn beroepsuitoefening betreft. Als bovendien sprake is van een strafbaar feit, zoals genoemd in de strafbepalingen van de Wet BIG of in het Wetboek van Strafrecht, komt het strafrecht in beeld. In principe is het mogelijk dat het handelen van een beroepsbeoefenaar gelijktijdig aan verschillende wetten wordt getoetst. Een strafrechtelijke vervolging van verplegenden en verzorgenden is maar heel zelden voorgekomen. Waarschijnlijk zullen verpleegkundigen en verzorgenden slechts zeer sporadisch door de burgerlijk rechter worden aangesproken op hun handelen, omdat zij meestal in dienst zijn van een instelling. De werkgever is dan in principe aansprakelijk voor de schade die veroorzaakt is door zijn werknemers.

Hoe toetst de rechter?

In het algemeen zal een rechter het handelen van de beroepsbeoefenaar toetsen aan het handelen van een gemiddelde vakgenoot in soortgelijke omstandigheden. Daarnaast zal hij rekening houden met een aantal variabelen, zoals deskundigheid, bekwaamheid, werkomstandigheden en de aard van de handeling. Voorop staat dat de beroepsbeoefenaar onder alle omstandigheden zorgvuldig dient te werken; dit zorgvuldigheidsvereiste wordt door iedere rechter in zijn overwegingen betrokken. De rechter die een schadeclaim van de patiënt moet beoordelen, let daarbij evenwel op andere aspecten dan de tuchtrechter die de kwaliteit van de beroepsuitoefening naar aanleiding van een klacht dient te toetsen.

 

You may also like...

Geef een reactie