Biochemische behandeling bipolaire stoornis

William J. Walsh is biochemisch onderzoeker en hoofd van de wetenschappelijke staf van het Health Research Institute (HRI) en het Pfeiffer Treatment Center (PTC). Hij is de geestelijke erfgenaam van Carl Pfeiffer, een pionier op het gebied van de biochemische behandeling van ziekten en van geestesziekten in het bijzonder. Vóór hij stierf, vroeg dr. Pfeiffer aan dr. Walsh een centrum te stichten ten behoeve van het belangrijke werk waar zij beiden zich tientallen jaren voor in hadden gezet.

Het HRI-PTC is een niet-commercieel centrum voor onderzoek en ambulante behandeling in Warrenville, in de buurt van Chicago. Het HRI houdt zich bezig met onderzoek, het PTC met behandeling. Deze combinatie is ontworpen als een samenwerkingsverband tussen biochemici en artsen. De organisatie is gespecialiseerd in de biochemische behandeling van geestelijke, emotionele en gedragsstoornissen. Sinds haar oprichting in 1989, heeft het PTC meer dan 15.000 mensen behandeld die leden aan de bipolaire stoornis, depressie, angststoornissen, schizofrenie, autisme, concentratieverlies, hyperactiviteit en andere gedrags-, leer- en emotionele problemen.

De biochemische behandeling van de bipolaire stoornis


“Wat ik de afgelopen vijfentwintig à dertig jaar gedaan hebt,” vertelt dr. Walsh, “is proberen chemische classificaties te ontwikkelen voor schizofrenie, bipolaire stoornis, depressie, gedragsstoornissen en autisme. Elk van deze termen is namelijk een paraplu of vergaarbak die verschillende categorieën omvat. De scheikunde achter de diagnose is namelijk niet alleen de sleutel tot de individuele behandeling; wanneer biochemische overeenkomsten gevonden kunnen worden tussen individuen in iedere categorie, zou dit in principe de weg kunnen wijzen naar de oorzaak van de stoornis, met de bijbehorende preventie en zelfs geneeswijze.”

Alhoewel de bipolaire stoornis duidelijk een genetische component heeft, betekent dat niet dat de situatie hopeloos of ongeneeslijk is, aldus dr. Walsh. “Genetica betekent voor mij chemie. Chemische omstandigheden kunnen worden bijgesteld en gecorrigeerd.”

Ongeveer tweederde van de bipolaire patiënten die naar het PTC komen, hebben de ‘klassieke’ bipolaire stoornis; eenderde is bipolair met psychotische kenmerken, observeert dr. Walsh. “Bipolair met psychotische kenmerken is wellicht een heviger versie van bipolair. Als je de milde versie hebt, zul je hypomaan zijn. Als het middelmatig is, ben je wellicht een klassieke manisch-depressieve patiënt. Als het hevig is, zul je bipolair zijn met psychotische kenmerken.

Sommige patiënten met hypomanie hebben het gevoel dat zij niet in orde zijn, dat zij zichzelf niet kunnen vertrouwen, dat het hun leven ruïneert. Anderen ervaren hun hypomane periode juist als hun meest creatieve tijd. Zij willen van de depressie af en de manie behouden. Maar de ernstig manisch-depressieven willen van beide af.”

Symptomatisch en biochemisch ligt de bipolaire stoornis met psychotische kenmerken dicht bij schizofrenie, stelt dr. Walsh. “Ik heb vrijwel identieke patiënten gezien, met identieke symptomen, terwijl de één schizofreen gediagnosticeerd is en de ander bipolair met psychotische kenmerken. Ik denk dat dit slechts een kwestie is van naamgeving. Bloed- en urineonderzoek van mensen met die twee ziektebeelden tonen hetzelfde resultaat. Wij zouden niet kunnen zeggen wat het biochemische verschil is tussen een schizofrene patiënt en een bipolaire patiënt met psychotische kenmerken. De biochemie van klassieke bipolariteit verschilt overigens wel van die van schizofrenie.”

In de biochemische behandeling zijn het niet zozeer de diagnostische labels, maar de details van de biochemie die de richting voor de therapie aanduiden. Deze benadering heeft het voordeel dat zij uitgaat van ieders persoonlijke biochemische toestand. In tegenstelling tot psychofarmaca, die ontworpen zijn om een bepaalde neurotransmitter op te hogen of te verlagen, geeft biochemische therapie het lichaam uitsluitend wat het nodig heeft, en doet dat op een veilige manier. Het probleem met de psychofarmaca is dat zij “vijf tot vijftien andere neurotransmitters beïnvloeden, de hersenen van deze mensen veranderen en leiden tot de zogenaamde bijverschijnselen,” zegt dr. Walsh. Wanneer je daarentegen, wat de biochemische behandeling doet, het lichaam de voedingsstoffen verschaft die het mist, herstel je het aangeboren vermogen om het niveau en de functie van de neurotransmitters te corrigeren en reguleren. “Waarschijnlijk zullen de behandelingen van de komende eeuw de natuurlijke chemicaliën van het lichaam aanwenden die de patiënt terugbrengen tot een normale gesteltenis, in plaats van de pillen die leiden tot een abnormale toestand,” stelt dr. Walsh.

Biochemische behandeling bipolaire stoornis

Biochemische profielen van de bipolaire stoornis

In volgorde van frequentie is de top vier van de biochemische tendensen van mensen die met een bipolaire stoornis naar het PTC komen: 1)een methylatiestoornis die leidt tot een te hoog of te laag niveau van neurotransmitters; 2) een disbalans in de essentiële vetzuren; 3) een metaal-metabolisme probleem; 4) pyrrolurie, een stoornis die leidt tot extreme tekorten aan zink, vitamine B6 en arachidonzuur, een omega-6 essentieel vetzuur.

Deze disbalansen kunnen mild, middelmatig of ernstig zijn, wat bepaalt of een persoon wel of niet een bipolaire stoornis ontwikkelt. “Als, aan de milde kant van het spectrum, een persoon in een positieve omgeving leeft en het leven voldoening schenkt en kalm is, zal hij of zij door het leven gaan zonder te decompenseren,” aldus dr. Walsh. “Maar als zo’n zelfde persoon leeft in een nare omgeving of enkele traumatiserende ervaringen doormaakt, kan hij of zij om die reden decompenseren. Maar aan de andere kant van het spectrum, als er een ernstige disbalans is, is het onvermijdelijk. Dan maakt het niet uit hoe hun levensomstandigheden zijn, het gaat gewoon gebeuren.”

Methylatieproblemen

In de jaren ’70 ontwierp dr. Pfeiffer een model voor biochemische behandeling van schizofrenie dat de basis vormt voor de benadering die het PTC momenteel gebruikt voor zowel schizofrenie als bipolariteit. Het model van dr. Pfeiffer was gebaseerd op zijn ontdekking dat sommige schizofreniepatiënten hoge histaminewaarden hebben. Anderen hebben juist lage histaminewaarden. Histamine is een essentiële proteïne-metaboliet (een product van het metabolisme), dat in alle lichaamsweefsels aanwezig is. De meeste mensen asso-ciëren histamine met allergieën, maar in de hersenen functioneert het als een neurotransmitter.

Dr. Pfeiffer ontdekte dat hij schizofrene symptomen teniet kon doen of verlichten door supplementen te verstrekken die het histamine niveau normaliseren. Omdat deze aanpak effectief was, concludeerde hij dat histamine, als neurotransmitter, wel eens de beslissende factor zou kunnen zijn in het ontstaan van schizofrenie. Dr. Walsh vult aan: “Sinds zijn dood is inmiddels veel tijd verstreken, en er is nu nog meer bewijs beschikbaar.

Het blijkt dat histamine in feite een indicator is voor methylatie. Mensen met hoge histaminewaarden zijn ondergemethyleerd. Mensen met lage histaminewaarden zijn overgemethyleerd. Dr. Pfeiffer stootte bij toeval op de juiste, effectieve behandeling. Hij dacht dat hij de histamine instelde, maar wat hij eigenlijk deed, was de verhouding tussen methyl en folaat (de anionische vorm van foliumzuur) in balans brengen.

Wat betekent ondermethylatie en overmethylatie? Methyl is een van de veel voorkomende organische chemicaliën in het lichaam. Methylgroepen zijn aanwezig in de meeste enzymen en eiwitten. Methylatie is het proces waardoor methylgroepen worden toegevoegd aan een verbinding, zodat methyl beschikbaar komt voor de vele lichaamsreacties waarbij het een rol speelt. Zowel methyl als histamine zijn belangrijke, alomtegenwoordige chemicaliën in het lichaam, en zij zijn elkaars tegenhanger.

Met te veel methyl overproduceert het lichaam de drie neurotransmitters dopamine, norepinephrine en serotonine. Met te weinig methyl is het niveau van deze neurotransmitters te laag.

Folaten zijn de verschillende vormen die foliumzuur aanneemt in het lichaam. Foliumzuur, een lid van de B-vitamine-familie, helpt bij de productie van hersen-neurotransmitters en moet dus in de juiste hoeveelheid beschikbaar zijn, samen met methyl.

Op basis van zijn veertigjarig onderzoek weet dr. Walsh nu dat de methylatiefactor niet alleen speelt in de bipolaire stoornis maar eveneens in schizofrenie en andere psychiatrische ziektebeelden. Zo is een hoge histaminewaarde en de daarmee samengaande lage methyl ook geassocieerd met de obsessief-compulsieve stoornis. Net als bij schizofrenie hebben de meeste mensen met een bipolaire stoornis een methyldisbalans – te veel of te weinig. Daarom is het voor de behandeling cruciaal te weten wat er biochemisch in een bepaalde persoon gebeurt. Voor mensen die bijvoorbeeld een teveel aan methyl hebben, zijn medicijnen die bedoeld zijn om het niveau van neurotransmitters te verhogen schadelijk.

De behandeling van een lage histaminespiegel, met de bijbehorende over-methylatie, bestaat uit supplementen om methyl te reduceren, met name foliumzuur, vitamine B12 en vitamine B3 (niacine of niacinamide). Veel mensen uit deze categorie hebben ook een metaal-metabolisme probleem, wat blijkt uit een hoge koperspiegel ten opzichte van een lage zinkspiegel. Dat probleem moet dus ook aangepakt worden (zie de paragraaf over metaal-metabolisme).

De supplementen die gebruikt worden om een hoge histaminespiegel met bijbehorende ondermethylatie te behandelen zijn methionine (een aminozuur), calcium, magnesium en vitamine B6. Zij vermeerderen de methyl in het lichaam en/of spelen een rol bij methylatie. Calcium is een belangrijk supplement voor hen die ondergemethyleerd zijn omdat het helpt de histaminespiegel te verlagen. Voor hen die niet efficiënt methionine omzetten in SAMe (S-adenosyl methionine), wat een noodzakelijke stap is in het beschikbaar maken van methyl, worden SAMe supplementen toegevoegd. Met dit protocol zal de neurotransmitterproductie meer normaliseren. Onder-methylatie ongedaan maken is echter een langzaam, geleidelijk proces, dat vier tot zes maanden in beslag neemt.

Een bijkomend probleem is dat de persoonlijkheid van mensen die van nature een hoge histamine hebben en ondergemethyleerd zijn, de behandeling belemmert. Zij zijn van nature niet bepaald meegaand en niet geneigd om naar de dokter te gaan. Zelfs bij zware hoofdpijn nemen zij geen pijnstiller. Zij staan afwijzend tegen ieder soort behandeling.
Alhoewel de supplementen om deze biochemische tendensen te corrigeren gewoonlijk hetzelfde zijn, hanteert het PTC geen standaard protocol. Behandelingen zijn gebaseerd op de individuele biochemie. De dosering wordt bepaald naar rato van de metabolische gewichtsfactor van de betreffende persoon. Dr. Walsh benadrukt dat dit veel accurater is dan uit te gaan van een gemiddelde van 80 kilo en het percentage dat iemand daarboven of onder zit te verrekenen. Die laatste methode geeft kleine mensen te lage doses en grote mensen te hoge. Het is niet juist iemand van 160 kilo twee maal zo veel te geven als iemand van 80 kilo.

Een disbalans tussen de essentiële vetzuren
2-


In de ervaring van dr. Walsh speelt een disbalans tussen de essentiële vetzuren een veel grotere rol in de bipolaire stoornis dan bij depressie of schizofrenie. “Dit zou de factor kunnen zijn die het verschil tussen deze ziektebeelden maakt,” merkt hij op. “Van de driehonderd belangrijkste vetten in zenuwcelweefsel en hun myelineschede, bestaat 90% van deze vette substantie bij de synapsen en receptoren uit slechts vier vetzuren. Dit moet belangrijk zijn voor de geestelijk gezondheid.”

De vier vetzuren zijn EPA (eicosapentaeenzuur), DHA (docosahexaeenzuur), AA (arachidonzuur) en DGLA (dihomo-gammalinoleenzuur). De eerste twee zijn omega-3 essentiële vetzuren, de twee laatste omega-6.

Zoals ook anderen hebben geobserveerd, tendeert het standaard Amerikaanse dieet, met in het algemeen weinig voedingsstoffen en een nadruk op junk food, naar een overdosis omega-6 en een tekort aan omega-3 essentiële vetzuren, merkt dr. Walsh op. Zowel de lage als de hoge histaminecategorieën van de bipolaire stoornis passen in dit profiel. De belangrijkste aanvulling voor hen zijn omega-3 supplementen, met name EPA en DHA. Visolie bevat beide en is daarom een bruikbaar supplement, maar dr. Walsh gebruikt ook zuivere EPA en DHA. Voor de bipolaire stoornis gebruikt hij geen lijnzaadolie als bron van omega-3, omdat dit voornamelijk EPA bevat en niet voldoende DHA.

In geval van pyrrolurie (zie verderop in dit hoofdstuk) is het probleem niet een tekort aan omega-3, maar veeleer een lage omega-6-spiegel, met name arachidonzuur. In deze gevallen is het benodigde supplement teunisbloemolie of borage-olie. Dr. Walsh merkt op dat bipolaire patiënten met deze biochemie de typische huidproblemen hebben die geassocieerd worden met een tekort aan omega-6, een zeer droge huid, onvermogen bruin te worden en niet tegen de zon kunnen.

Voor mensen met een tekort aan omega-3 is het opmerkelijk dat DHA en EPA de tegengestelde polen beïnvloeden. DHA kalmeert de manische fase, EPA verlicht de depressieve fase, aldus dr. Walsh. Samen vormen zij een systeem dat stemming reguleert en voorkomen zij grote uitslagen. Beiden zijn nodig, wat verklaart waarom visolie, die beide bevat, tot resultaten leidt in de behandeling, maar lijnzaadolie niet.

Hypothetisch, zegt dr. Walsh, zouden mensen die slechts een milde hypomanie ervaren en die de depressieve fase willen vermijden, alleen EPA kunnen nemen, maar hij adviseert de combinatie van de beide essentiële vetzuren.

Biochemische behandeling bipolaire stoornis:  Een metaalmetabolisme probleem

Een metaalmetabolisme probleem (de regulatie van metalen in het lichaam, zowel de noodzakelijke mineralen als de giftige zware metalen zoals kwik) is vaak ook aanwezig bij de bipolaire stoornis. Dit blijkt uit hoge koperwaarden ten opzichte van zink. Dit geeft aan dat het lichaam niet in staat is de mineraalspiegel in het bloed te controleren. Gewoonlijk kan het lichaam een homeostase (een juiste verhouding) van koper en zink in stand houden, onafhankelijk van het dieet en van andere factoren. Deze verhouding is cruciaal voor vele functies. Dit mechanisme van homeostase berust op een vitaal eiwit, metallothioneine genoemd. Het onvermogen de homeostase in stand te houden duidt dus op een metallothioneine tekort of op een gebrekkig functioneren daarvan.

Metallothioneine is betrokken bij vele lichaamsfuncties. Een tekort of het onvermogen deze substantie te benutten is gekoppeld aan een verzwakt of beschadigd zenuwstelsel, mentale moeilijkheden, verzwakte immuniteit, spijsverteringsproblemen, waaronder gebrekkige absorptie, tekorten aan voedingsstoffen en het ontwikkelen van allergieën. Dr. Walsh heeft ontdekt dat er ook een verband bestaat tussen autisme en een gebrekkig functioneren van metallothioneine. Zijn onderzoek suggereert zelfs dat zo’n disfunctie wel eens een primaire oorzaak van autisme zou kunnen zijn.

Omdat er geen test beschikbaar is om de metallothioneine in het lichaam te meten, gaat het PTC uit van de verhouding tussen de bloedwaarden van zink, koper en ceruloplasmine (een substantie in het bloed waar koper zich aan hecht) als indicatoren van het gebrekkig functioneren van dit eiwit. De behandeling bestaat vervolgens uit supplementen die de functie van metallothioneine stimuleren.

Het PTC heeft een lange ervaring met het corrigeren van verstoringen in het metaalmetabolisme. “Wij weten al meer dan vijfentwintig jaar dat twee derde van de mensen met gedragsstoornissen een probleem met hun metaalmetabolisme hebben,” aldus dr. Walsh. “En al die tijd wisten wij dat het vrijwel zeker een probleem was met metallothioneine, want alle metalen die door metallothioneine gereguleerd worden, zijn abnormaal bij deze mensen. Mensen met een obsessief-compulsieve stoornis hebben gewoonlijk een erg laag koper niveau, evenals sociopaten (mensen met een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis). Paranoïde schizofreniepatiënten hebben daarentegen gewoonlijk een extreem hoog koper niveau. De verhouding van koper ten opzichte van zink is hier van belang. Enige tijd geleden hebben wij ons gerealiseerd dat je de verhouding moet meten om betrouwbare gegevens te krijgen. Als je alleen naar de elementen op zich kijkt, kun je in de war raken.”

Een metallothioneineprobleem, dat leidt tot een onvermogen om homeostatis van koper en zink in de bloedsomloop in stand te houden, is voornamelijk een genetische stoornis. Een tekort aan zink (zoals bij pyrrolurie) kan ook tot dit probleem leiden of het verergeren. De primaire stof die nodig is in de aanmaak van metallothioneine is zink, dus als je een groot zinktekort hebt, zal dat het systeem verzwakken.

In alle gevallen is een biochemische behandeling de oplossing om het probleem ongedaan te maken. Zink, mangaan, vitamine E en C stimuleren allen de aanmaak en werking van metallothioneine. Ook selenium en glutathion (een verwant van glutamine-zuur, een aminozuur) zijn nuttig voor dit doel. Ook vitamine B6 maakt deel uit van het protocol, want B6 en zink werken samen en B6 is direct betrokken bij de synthese van enkele neurotransmitters.

Dr. Walsh heeft gemerkt dat dit programma behoorlijk effectief is. Gewoonlijk komen het koper- en zinkniveau in evenwicht en worden genormaliseerd. “Wanneer een homeostase van het koper- en zinkniveau in het bloed wordt bereikt, kun je concluderen dat metallothioneine operationeel is,” zegt hij.

Wanneer de supplementen geleidelijk metallothioneine weer laten functioneren, komt tevens een detoxificatie op gang. De nadruk ligt hier op geleidelijk. Wanneer de detoxificatie te snel wordt opgestart, komen te veel gifstoffen uit de weefsels vrij. Dat kan tot nare verschijnselen leiden en belast de nieren. Om dit te voorkomen, worden de supplementen die metallothioneine stimuleren geleidelijk opgebouwd.

Pyrrolurie

In sommige gevallen van schizofrenie wijzen testen op een toestand die pyrrolurie wordt genoemd. Deze wordt gekarakteriseerd door extreme tekorten aan zink, vitamine B6 en arachidonzuur.

Een pyrrole is een basale chemische structuur die gebruikt wordt voor het vervaardigen van heem, de kleurstof die het bloed rood kleurt. Pyrrolurie is een genetische stoornis in de pyrrolechemie, gekarakteriseerd door een overproductie van kryptopyrroles (wat ‘verborgen pyrroles’ betekent) tijdens de synthese van hemoglobine (de ijzerrijke component van het bloed die zuurstof vervoert). Omdat kryptopyrroles zich binden aan vitamine B6 en zink, die vervolgens in de urine terechtkomen, leidt dit tot een tekort aan deze beide bouwstoffen. Mensen met pyrrolurie kunnen ook lage waarden van de neurotransmitter serotonine hebben, omdat vitamine B6 nodig is voor de synthese daarvan. Omdat ook de neurotransmitter GABA van zink afhankelijk is, kan een zinktekort ook negatieve gevolgen hebben voor deze neurotransmitter.

In de wereld van de biochemie wordt pyrrolurie vooral geassocieerd met schizofrenie. Echter, ook de bipolaire stoornis is ermee verbonden. De beide diagnostische labels worden vaak met elkaar verward wanneer pyrrolurie een rol speelt. Pyrrolurie is een genetische stoornis die onder invloed van een stressvolle gebeurtenis of periode kan resulteren in geestelijke disbalans. Niet alleen het begin, ook terugval is bijna altijd gerelateerd aan stress. Hier is dit oorzaak en gevolg, terwijl het ontstaan van de klassieke bipolaire stoornis en schizofrenie niet noodzakelijkerwijs gerelateerd is aan levens-omstandigheden.

De rol van pyrrolurie in de bipolaire stoornis en schizofrenie is consistent met het gegeven dat een eerste crisis gewoonlijk plaatsvindt tussen het vijftiende en vijfentwintigste levensjaar. Dr. Walsh brengt dat in verband met de puberteit en de daarmee gepaard gaande groeispurt die, door het zink te verbruiken en het koper te verhogen, tot een biochemische disbalans leidt en zo een mentale stoornis creëert. “Hormonen zijn gerelateerd aan koper,” legt hij uit. “Hoe hoger je estrogeen niveau, hoe hoger je koper niveau. Koper is gerelateerd aan paranoïde schizofrenie, dat is een directe verbinding. Maar ook voor pyrrolurische patiënten is zinkgebrek een probleem. Wanneer je een groeispurt doormaakt, verbruik je heel veel zink. Iemand die pyrrolurisch is, ontwikkelt dan een fors zinktekort.

De klassieke tekenen die gewoonlijk samengaan met een tekort aan zink en vitamine B6, zijn een aanwijzing voor pyrrolurie. Dit zijn een gevoeligheid voor licht, geen of heel weinig droomherinnering, de neiging het ontbijt over te slaan en een voorkeur voor gekruid eten. De behandeling van pyrrolurie richt zich op suppletie van zink en vitamine B6 en ondersteunende voedingsstoffen.



Biochemische disbalansen corrigeren

Als onderdeel van het verzamelen van informatie voor de behandeling, let de staf van het PTC op de symptomen die gewoonlijk de diverse biochemische disbalansen vergezellen. In de loop van meerdere decennia hebben zij daar oog voor gekregen. “Tijdens de intake, die één à anderhalf uur duurt, willen wij alles weten over deze mensen: ziektegeschiedenis,

symptomen, persoonlijkheid, levensgeschiedenis, wat voor type leerling of student zij waren, reacties op medicijnen. Wij willen weten wat er gebeurde ten tijde van het doorbreken van hun psychiatrische stoornis, welke verschillen zij zelf merkten en wat de familie zag.” De wetenschappelijke basis voor de biochemische behandeling wordt evenwel verkregen door bloed- en urine-onderzoek. Bloedonderzoek is de sleutel om ondermethylatie en overmethylatie vast te stellen, onderzoek van de urine om pyrrolurie vast te stellen. De informatie die deze testen opleveren, maakt een behandeling op maat mogelijk.

In de meeste gevallen heeft het PTC goede resultaten geboekt met de behandeling van de bipolaire stoornis. Familieleden spreken van een ‘opmerkelijke verbetering’ of ‘een ‘gedeeltelijke verbetering.’ Geen verbetering is ongewoon bij de biochemische behandeling. Degenen die een gedeeltelijke verbetering ervaren, kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën: degenen die het zeer goed doen maar soms een terugval ervaren en degenen die gedeeltelijk beter werden en bleven.

Uit de gevallen van gedeeltelijke verbeteringen maakt dr. Walsh op dat de chemie slechts gedeeltelijk gecorrigeerd is. Dan is er nog steeds een of andere chemische disbalans aanwezig, en dan is een trigger uit de omgeving – emotionele onrust, een sterfgeval in de familie, een ziekte, een verwonding, een auto-ongeluk – voldoende om een terugval te veroorzaken. Die zijn echter niet zo diep als de toestand voor de behandeling. Als we de toestand vóór de behandeling beschouwen als 0% en na de behandeling als 100%, dan gaat de terugval terug tot 60 %.

Terugval wordt gewoonlijk veroorzaakt door een combinatie van stress en gebrekkige bereidwilligheid om mee te werken. De perioden van terugval duren gewoonlijk kort en met het hernemen van de supplementen en eventueel een tijdelijke verhoging is de persoon snel terug op 100%.

Dr. Walsh verwijst naar een grootschalig onderzoek onder duizenden mensen waaruit blijkt dat de bereidwilligheid mee te werken vrijwel lineair afneemt vanaf de leeftijd van drie jaar. Hoe ouder iemand is, hoe minder waarschijnlijk is het dat hij of zij bereid zal zijn mee te werken met de behandeling.

Mensen met een bipolaire stoornis verschillen in deze van mensen met schizofrenie. De laatsten zijn bereidwilliger. Dr. Walsh vermoedt dat dit is “omdat schizofreniepatiënten zo dramatisch lijden. Hun pijn is zo enorm, dat zij alles willen doen om beter te worden, zo wanhopig zijn zij. Dit wil niet zeggen dat mensen met een bipolaire stoornis niet intens lijden, maar schizofrenen zijn nog verder op het continuüm van pijn en disfunctioneren.”

Eén reden voor het gebrek aan bereidwilligheid om mee te werken zou hun negatieve ervaringen met medicijnen kunnen zijn. Wanneer mensen naar het PTC komen, hebben zij al veel medicijnen gehad en geleden onder hun negatieve bijwerkingen, zodat zij een aversie tegen medicatie hebben ontwikkeld. “Wij geven hen capsules die zij moeten slikken. Het is echter moeilijk voor hen om onderscheid te maken tussen medicatie en voedingssupplementen,” merkt dr. Walsh op. Hij beschouwt het verkrijgen van bereidwilligheid als een onderdeel van een succesvolle therapeutische methode. “Wij hebben een behandeling nodig die mensen kunnen en willen doen. Dat is een onderdeel van de behandeling.

Wanneer mensen stoppen met het nemen van de supplementen, zelfs voor een week of tien dagen, beginnen zij achteruit te gaan. Dan zijn zij zelfs nog minder geneigd hun supplementen te nemen. Soms is het een vicieuze cirkel. Als je op een bepaald punt komt, kun je jezelf niet meer terugbrengen. Dat kan snel gebeuren.”

Bipolaire patiënten moeten relatief veel supplementen nemen, gemiddeld zeven tot tien pillen per dag, zowel ’s ochtends als ’s avonds. De supplementen samenvoegen (door de apotheek, die ze gecombineerd samenstelt overeenkomstig de individuele biochemische behoefte), maakt bereidwilligheid waarschijnlijker, omdat men dan slechts drie of vier pillen hoeft in te nemen, twee maal per dag.

De volgende cases illustreren de twee typen methylatieproblemen van de bipolaire stoornis en de efficiëntie van de biochemische therapie in het herstel.

Biochemische behandeling bipolaire stoornis: 2 casuistieken:

Casus 1: Elena: lage histamine, overgemethyleerd bipolair

Elena, vierentwintig jaar, was altijd een uitstekende studente geweest en summa cum laude geslaagd. Na de middelbare school ging zij rechten studeren. Tijdens haar eerste jaar maakte zij een ernstige crisis door, werd gediagnosticeerd als bipolair en moest teruggaan naar haar familie. Toen haar ouders haar naar het PTC brachten, was Elena een jaar ziek geweest. Zij was ingesteld op medicatie en volgde counseling, maar zij had ieder contact met haar vrienden verbroken, was niet langer in staat te werken en kwam nog zelden haar slaapkamer uit.

“Zij had een van de laagste histaminespiegels die wij ooit hebben gezien,” becommentarieert dr. Walsh. “Dat bleek haar enige disbalans. Al het andere was normaal. Omdat dit niet geheel consistent was met haar symptomen, hebben wij haar opnieuw getest, en bevonden dat dit inderdaad de diagnose was.” Haar overgemethyleerde toestand betekende dat “zij te veel dopamine, norepinephrine en serotonine had, wat verklaarde waarom de selectieve serotonine-heropnameremmers die zij nam geen effect hadden. Dat medicijn was voorgeschreven om te proberen de serotonine-activiteit te verhogen, maar zij had al te veel serotonine.”

Om Elena’s overmethylatie aan te pakken, gaf het PTC haar foliumzuur, vitamine B12 en niacinamide, met ondersteunende voedingsstoffen, waaronder vitaminen C, E en B6. De B12 werd gegeven in de vorm van wekelijkse injecties. In het begin was zij niet in staat dat zelf te doen, maar na enige tijd leerde het PTC haar hoe zij zichzelf kon injecteren. Omdat zij zo’n lage histamine had, moest zij daarmee doorgaan.

Elena reageerde buitengewoon goed op dit eenvoudige programma. In de tweede maand ervan begon haar situatie te verbeteren en na de vierde maand was die weer normaal. Dr. Walsh merkt op dat essentiële vetzuren geen deel van haar regime waren omdat de link tussen essentiële vetzuren en de bipolaire stoornis toen nog niet bekend was. Het gaat momenteel prima met Elena. Zij heeft geen terugval gehad, is afgestudeerd en werkt als advocaat.

Na vier maanden behandeling hernam zij haar opleiding, in de veronderstelling dat zij genezen was. “Daarmee ging zij in tegen mijn aanbevelingen,” herinnert dr. Walsh zich. “Ik wilde dat zij minstens acht maanden zou wachten. Maar zij had zo’n haast haar leven weer op te pakken. De eerste tijd was moeilijk en zij had te veel stress tijdens de biochemische overgangsperiode, vóór wij haar chemie weer helemaal op orde hadden.”

Wanneer zij zich beter beginnen te voelen, draagt dr. Walsh mensen altijd op om voorzichtig te zijn en niet te gretig hun leven weer op te pakken. “De meesten van hen hebben een paar jaar verloren en kunnen niet wachten weer te beginnen. Zij hebben het gevoel dat zij achter lopen. Al hun vrienden zijn afgestudeerd, hebben een baan, zijn getrouwd… Wij dringen er bij hen op aan niet gelijk in het diepe te springen, maar eerst pootje te baden. Wij stellen voor dat zij niet ineens weer alle colleges gaan volgen tijdens hun eerste jaar van herstel, maar één of twee vrij eenvoudige cursussen, om hun hersenen en hun vermogen met stress om te gaan te testen.” Elena sloeg dit advies in de wind, ging terug naar een moeilijk voltijds studieprogramma en worstelde zich er doorheen. Gelukkig veroorzaakte de hoge mate van stress waaraan zij zich blootstelde geen blijvende negatieve gevolgen voor haar toestand. 

Casus 2: Marcus: hoge histamine, ondergemethyleerd bipolair

Marcus was een buitengewoon knappe jongeman. Hij leek wel een filmster en had een onweerstaanbare persoonlijkheid. Toen hij zeventien was, kreeg hij de diagnose klassiek bipolair. Toen hij op zijn twintigste bij dr. Walsh kwam, had hij net een jaar gevangenisstraf achter de rug voor het vervalsen van zijn vaders handtekening op cheques tijdens zijn koopzieke manische fase. Zijn vader was rijk en had enige tijd de schulden betaald die zijn zoon opliep. Op een gegeven moment draaide hij echter de kraan dicht, omdat hij van mening was dat hij door alsmaar te betalen dit gedrag in de hand werkte. Korte tijd later vervalste Marcus de cheques en belandde in de gevangenis.

Na zijn vrijlating brachten zijn ouders hem naar het PTC. Hij was achtereenvolgens ingesteld geweest op de stemmingsstabilisatoren Lithium, Depakote en Tegretol, maar had daar een afkeer van. Zijn ouders waren van mening dat de medicijnen hielpen, maar hij ontkende dit en weigerde ze te nemen. Anderzijds “leek hij heel geïnteresseerd in onze behandeling,” zegt dr. Walsh.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat hij ondergemethyleerd was, met een zeer hoge histaminewaarde. Hij kreeg hiervoor het klassieke methylatieprogramma, dat wil zeggen methionine, calcium, magnesium, zink, vitamine B6, mangaan en vitamine C en E.

Marcus werkte goed mee met dit protocol en na drie maanden ging het bijzonder goed met hem. “Bij zijn volgende bezoek, drie maanden later, sloop hij naar binnen en zag er verdrietig uit. Ik vroeg hem wat er gebeurd was, en hij zei: ‘Ik wil mijn excuses aanbieden. Ik ben gestopt met uw programma. Het ging zo goed, dat ik dacht dat ik die capsules niet meer nodig had. Ik dacht dat ik het zelf wel kon.’”

Het gevolg was een terugval. Hij kwam weer in een manische fase terecht, kocht twee boten op vervalst krediet en werd gearresteerd. Hij had een advocaat nodig en zijn familie weigerde hem te helpen tenzij hij terug zou gaan naar het PTC.

Uit het onderzoek bleek dat zijn chemie net zo ontregeld was als vóór hij met de behandeling begonnen was. Marcus’ programma werd iets aangepast, maar in essentie was het hetzelfde regime.

Hij moest nogmaals een jaar de gevangenis in. Kort vóór zijn vrijlating belde zijn moeder dr. Walsh en zei hem dat Marcus naar het PTC wilde komen. Vanuit de gevangenis reden zij er direct heen. Marcus zei dr. Walsh dat hij dit nooit meer mee wilde maken – hij bedoelde de gevangenschap – en beloofde plechtig dat hij mee zou werken. Dat was zes jaar geleden, en het gaat nog steeds zeer goed met hem, naar eigen zeggen en volgens zijn familie. Hij heeft geen grote schommelingen meer gehad, maakt een succesvolle carrière in zaken en zover dr. Walsh weet, heeft hij zich gehouden aan zijn belofte mee te werken.

Bovenstaande is hoofdstuk 5 uit: Stephanie Marohn, The Natural Medicine Guide to Bipolar Disorder (2003).

Vertaling: Charles Steur (c.steur@tele2)

 

Overige literatuur:

Edelman, E., Natural Healing for Schizophrenia and other common mental disorders; 1996/2009.

Foster, H.D., De echte oorzaken van schizofrenie; 2004.

Marohn, S., The Natural Medicine Guide to Schizophrenia; 2001/2011 (bevat een vergelijkbaar hoofdstuk over schizofrenie).

Walsh, W.J., Nutrient Power. Heal your Biochemistry and heal your Brain. 2012/2014.

(De boeken van Marohn zijn secundaire literatuur; William Walsh is momenteel de meest vooraanstaande onderzoeker op het gebied van biochemie en psychiatrische stoornissen).

 

 

 

 

 

 

 

 

[1]          . Noot van de vertaler: ‘docter’ is hier een academische titel; Pfeiffer was bioloog, Walsh is biochemicus. Beiden zijn geen arts.

You may also like...