Biochemische behandeling van Depressiviteit

De biochemische behandeling van depressie 

vertaling van hoofdstuk 6 uit:
William J. Walsh,
Nutrient Power. Heal your Biochemistry and Heal your Brain.
Vertaling: Charles Steur

biochemische behandeling depressie william J walsh

Inleiding

Depressie is de meest voorkomende psychische stoornis, die de Amerikaanse gezondheidszorg miljarden dollars per jaar kost (in Nederland een miljard euro per jaar), indirecte kosten niet meegerekend.

Depressie komt voor in alle culturen en etnische groeperingen. Eén op de zes mensen krijgt er vroeg of laat mee te maken. Slechts de helft van hen zoekt medische behandeling. Typerende symptomen zijn een chronische neerslachtigheid, gevoelens van waardeloosheid of schuld, het vermijden van sociale contacten, agitatie, concentratieproblemen en slaapproblemen.

Depressie is een brede term, die gebruikt wordt om diverse medische gesteltenissen aan te duiden, waaronder de dysthyme stoornis (een lichte vorm van depressie), de bipolaire stoornis, de cyclothyme stoornis (een lichte vorm van de bipolaire stoornis), depressie als gevolg van het gebruik van drugs, alcohol of medicijnen, seizoensgebonden depressie en de postnatale depressie. Depressie kan leiden tot een ellendig leven en is, naar men aanneemt, verantwoordelijk voor ongeveer 60% van de zelfdodingen in de Verenigde Staten.


Historisch perspectief

Verwijzingen naar depressie gaan terug tot de oudste historische bronnen. De Veda’s, de heilige geschriften van de hindoe’s, geschreven zo’n 1500 jaar vóór onze jaartelling, benadrukken het voorkómen van geestelijk lijden. Het Oude Testament beschrijft de zware depressie van koning Saul en diens uiteindelijke zelfmoord.

Oude beschavingen dachten dat depressie veroorzaakt werd door kwade geesten en verlicht zou kunnen worden door gaatjes te boren in de schedel. In 440 vóór onze jaartelling wees Hippocrates dit bijgeloof af en benadrukte dat depressie verklaard moet worden door natuurlijke oorzaken, zoals het stromen van gal naar de hersenen. De term melancholie stamt af van het Griekse woord voor zwarte gal. Plato blies de theorie dat depressie veroorzaakt wordt door msytieke krachten nieuw leven in, wat door Aristoteles weer werd ontkend. De Romeinse filosoof Cicero opperde dat depressie voortkomt uit levenservaringen en stelde een behandeling voor die overeenkomsten vertoont met de hedendaagse counseling.

De volgende 1700 jaar werd zeer weinig vooruitgang geboekt in het begrijpen of behandelen van depressie. Echte vooruitgang begon in de 19e eeuw, toen depressie werd herkend als een medische gesteltenis en medici en wetenschappers actief naar effectieve therapieën zochten. De term depressie (van het latijnse werkwoord deprimere, neerdrukken), werd als snel een synoniem voor de oude benaming melancholie. Aan het begin van de 20e eeuw was de overheersende aanname dat depressie het gevolg is van ongunstige of traumatische levenservaringen. Meyer, Freud, Adler, Jung en anderen ontwikkelden gesprekstherapieën en counselingtechnieken die erop gericht waren de gebeurtenissen of omstandigheden die de depressie veroorzaakten te identificeren en haar te behandelen.

In de vijftiger jaren van de vorige eeuw stelden sommige onderzoekers de theorie op dat depressie veroorzaakt werd door chemische disbalansen in de hersenen. Zij baseerden zich op de observatie dat de medicijnen Reserpine en Isoniazid het niveau van de neurotransmitters veranderden en invloed hadden op depressieve symptomen. Dit leidde tot het ontstaan van de biologische psychiatrie en van een revolutionaire benadering om depressie te behandelen. Binnen enkele jaren was de monoamine theorie algemeen geaccepteerd in de psychiatrische gemeenschap. Deze theorie beweerde dat zware depressies veroorzaakt worden door geringe synaptische activiteit van serotonine en norepinefrine in de hersenen. Vanaf 1975 is het leeuwendeel van het psychiatrisch onderzoek gericht op het ontwikkelen van medicijnen die de hersenfunctie verbeteren. Tricyclische amines en monoamine oxidase remmers werden in de tachtiger jaren veel gebruikt als medicatie ter behandeling van depressie maar zijn sinds 1987 grotendeels vervangen door SSRI’s (specific serotonine reuptake inhibitors, in het Nederlands specifieke serotonine heropname remmers). Miljoenen depressieve patiënten hebben baat gehad bij Prozac, Paxil, Zoloft en andere SSRI’s.

SSRI’s gaan evenwel vergezeld van onaangename bijverschijnselen, zoals libidoverlies, gewichtstoename, verslechtering van het ziektebeeld, verhoogd risico voor zelfdoding, agitatie, vijandig gedrag, angsten, slapeloosheid en gewichtsverlies. Sommige depressieve patiënten hebben baat bij een specifieke SSRI zonder last te hebben van noemenswaardige bijverschijnselen, maar anderen worden alleen maar slechter als zij hetzelfde medicijn gebruiken. Voor sommigen kan het overstappen op een ander SSRI succesvol zijn. De farmaceutische industrie besteedt nog altijd zeer veel onderzoeksgeld aan het ontwikkelen van verbeterde antidepressiva.


De biochemische classificatie van depressie

Geïnspireerd door Carl Pfeiffers succes met de classificatie van schizofrenie begon ik in 1978 de laboratoriumuitslagen van personen die gediagnosticeerd waren met een zware depressie te verzamelen. Twintig jaar later omvatte mijn database meer dan 300.000 chemische analyses van het bloed en de urine van 2800 depressieve personen. Onderzoek van deze gegevens liet zien dat deze depressieve populatie in biochemisch opzicht verschilt van de doorsnee bevolking. De database bevatte ook gedetailleerde informatie over factoren als symptomen, eigenschappen, ziektegeschiedenis, allergieën en reacties op medicijnen. Uiteindelijk ontdekte ik dat de depressieve populatie kon worden onderscheiden in vijf grote chemische biotypen, met een kleine restgroep van weinig voorkomende biotypen.

 

Ondermethylatie [1]       38%

Folaattekort [2]               20%

Koperbelasting                17%

Pyrroleverstoring           15%

Giftige stoffen                   5%

Overigen                            5%

 

Corresponderend met de unieke biochemie, liet elk van de vijf depressie-biotypen een vrij hoog voorkomen van onderscheidende symptomen, karaktereigenschappen en fysieke eigenschappen zien. Op basis van biochemie, symptomen, reactie op psychofarmaca enzovoort kan de neurotransmitteractiviteit van de vier belangrijkste biotypen worden aangegeven.

Biotype:                                   Neurotransmitteractiviteit:

ondermethylatie                     verlaagde serotonine en dopamine

folaattekort                              verhoogde serotonine en dopamine

koperbelasting                        verhoogde norepinefrine

pyrroleverstoring                   verlaagde serotonine en GABA
De meeste depressieve patiënten van het ondergemethyleerde biotype vertonen de klassieke symptomen van lage serotonine en een verbeterde stemming na het gebruik van serotonine verhogende SSRI-medicatie. Het folaattekort-biotype daarentegen wordt geassocieerd met verhoogde serotonine- en dopamine-activiteit en is intolerant voor SSRI-medicatie. In geval van hoge koper hebben depressieve patiënten een sterke tendens voor verlaagde dopamine- en verhoogde norepinefrine-activiteit. Personen met het pyrrole-biotype ervaren een venijnige dubbele deficiëntie van serotonine en GABA. GABA is de belangrijkste kalmerende neurotransmitter in het centrale zenuwstelsel. Tenslotte kan een ernstige belasting met giftige metalen de bloed-hersen-barrière beschadigen, belangrijke anti-oxidante eiwitten in de hersenen invalideren, de myelineschede van de neurotransmitters beschadigen en de concentratie van bepaalde neurotransmitters veranderen.

Voor elk van de vijf depressie biotypen is een afzonderlijk protocol voor behandeling met behulp van voedingsstoffen ontwikkeld. Deze behandelingen zijn ontworpen om de belangrijkste chemische factoren te normaliseren die betrokken zijn bij de vervaardiging van neurotransmitters en bij hun synaptische activiteit. Veel voorkomende psychiatrische ziekten hebben te maken met overgeërfde disbalansen van specifieke mineralen, vitaminen en aminozuren die de neurotransmitteractiviteit in de hersenen kan wijzigen. Een op het individu toegesneden behandeling met voedingsstoffen is een effectieve klinische benadering om deze chemische disbalanzen te corrigeren en bij te dragen tot het welzijn van depressieve patiënten.

Ondergemethyleerde depressie

Zo’n 38% van de personen in mijn depressie-database vertonen ondermethylatie als hun dominante chemische disbalans. Zij blijken zeer gevoelig te zijn voor de verhouding tussen methyl en folaat in de hersenen. Zij gedeien op SAMe, methionine en andere voedingsstoffen die methylatie krachtig stimuleren. Zij zijn evenwel opmerkelijk intolerant voor folaten. Methyl en folaat hebben namelijk tegengestelde epigenetische effecten op de expressie van de transporteurs die de synaptische activiteit van serotonine, dopamine en norepinefrine reguleren. Foliumzuur verhoogt de genetische expressie van transporteurs en is een serotonin heropname versterker, terwijl methionine en SAMe serotonine heropname remmers zijn. Een abnormaal lage verhouding tussen methyl en folaat gaat samen met een lage serotonine-, dopamine- en norepinefrine-acitiviteit aan de synapasen. De meeste ondergemethyleerde depressieve patiënten vertonen de klassieke symptomen van lage serotonine en een vermindering van depressieve symptomen nadat zij serotonine versterkende SSRI-medicatie hebben genomen.

De diagnose van een ondergemethyleerde depressie is gebaseerd op de chemische analyse van bloed en urine in combinatie met een evaluatie van  de volgende symptomen en eigenschappen:

 

– een goede respons op SSRI’s                                    – een goede respons op SAMe en methionine

– een negatieve reactie op foliumzuur                       – hoge innerlijke spanning

– obsessief-compulsieve neigingen                           – perfectionisme

– zij kunnen zichzelf gemakkelijk motiveren           – seizoensgebonden ademhalingsallergiën

– een goede reactie op antihistaminica                     – een hoog libido

– lage pijntolerantie                                                       – vochtige ogen, veel speeksel

– een sterke wil                                                               – competitief in sport

– sterke suïcidale tendens                                             – vatbaar voor verslavingen

– spaarzame beharing van borst, armen, benen      – kalme houding

– ontkenning van de depressie                                     – regelmatige hoofdpijnen

– succesvolle familiegeschiedenis                                – niet geneigd mee te werken met therapiën

– bezig blijven met gebeurtenissen uit het verleden      – dwars als kind
Wanneer 30 à 50% van deze symptomen en eigenschappen aanwezig is, is het waarschijnlijk dat de persoon in kwestie ondergemethyleerd is als ook het bloedonderzoek dat aangeeft, als namelijk de histaminespiegel van het bloed hoger is dan 70 ng/ml en de verhouding tussen SAMe en SAH[3] laag is. Uit de bovenstaande lijst zijn met name obsessief-compulsieve neigingen, seizoensgebonden allergieën en een geschiedenis van perfectionisme cruciaal.

De methylatietherapie van depressieve patiënten met een laag serotonine is uniek vanwege de noodzaak de inname van folaat te beperken, omdat folaat de SERT-productie zou versterken en de serotonine-activiteit verminderen. De voedingsfactor die de grootste positieve invloed heeft op de behandeling van dit depressie-biotype is directe methylatie, hetzij in de vorm van SAMe, hetzij in de vorm van het aminozuur methionine. Daarentegen moeten supplementen met folaat, choline, DMAE en pantotheenzuur vermeden worden, omdat zij de chromatine acetylatie en het SERT-niveau verhogen. Een hoog percentage van deze patiënten blijkt tevens over een geringe voorraad calcium, vitamine D en magnisium te beschikken en zij gedeien bij de suppletie van deze voedingsstoffen. Ook voedingsstoffen die de vervaardiging van serotonine bevorderen kunnen behulpzaam zijn (met name tryptofaan, vitamine B-6, 5-HTP). De vitaminen A, C en E kunnen het effect verder verhogen.

De meeste ondergemethyleerde patiënten hebben een lage homocysteïne-waarde, maar anderen kunnen een verhoogde waarde hebben, wat een verhoogd risico voor hart en bloedvaten met zich meebrengt. Omdat methylatietherapie dit risico langs biochemische weg verhoogt, behoeven sommige patiënten behandeling om hun homocysteïne-niveau te normaliseren vóór zij SAMe of methionine gaan gebruiken. In de meeste gevallen zal enkele weken van suppletie met serine en vitamine B-6 hun homocysteïne omlaag brengen tot een veilig niveau.

Onze ervaring met hondereden ondergemethyleerde depressieve patiënten heeft bevestigd dat folaten, choline, mangaan, koper en DMAE hun depressie neigen te verergeren. Zij moeten dus strikt vermeden worden.


Casus 1: ondergemethyleerde depressie

Charles, 52 jaar oud, was een succesvol leidinggevende in de staalindustrie en vader van zes kinderen. Ondanks zijn indrukwekkende carrière en financiële zekerheid was hij al meer dan 15 jaar depressief, met hardnekkige zelfmoordgedachten. Hij vertelde dat zijn depressie zijn prestaties op het werk niet nadelig beïnvloedde maar wel problemen veroorzaakte in zijn tweede huwelijk. Charles beschreef zichzelf als een gedreven perfectionist die verzot was op competitieve sporten. Andere symptomen van ondermethylatie bij hem waren hooikoorts, een hoog libido, innerlijke angst en onrust, regelmatige hoofdpijnen en een spaarzame beharing op zijn borst, armen en benen. Charles gaf aan dat Prozac, Zoloft en Paxil zijn depressie verminderd hadden, maar als gevolg van de bijverschijnselen – in zijn geval verminderd libido, misselijkheid en een verergering van zijn hoofdpijnen – was hij daarmee gestopt.

Uit zijn laboratoriumtesten bleek een extreme verhoging van de bloedhistamine (142 ng/ml), een lichte verhoging van pyrroles in zijn urine en een ietwat lage homocysteine. Zijn behandeling bestond uit SAMe, methionine, zink, serine, calcium, magnesium en de vitaminen A, B-6, C, D en E. Na twee maanden klaagde Karel over gebrek aan resultaat, maar gedurende de derde maand begon de vooruitgang. Na twaalf maanden behandeld te zijn, kwam hij terug om getest te worden en verklaarde dat zijn depressie al enkele maanden vrijwel verdwenen was. Hij klaagde dat het trouw innemen van zijn supplementen hem moeilijk viel en kreeg combinatiepreparaten zodat hij minder pillen hoefde te slikken. Sindsdien hebben wij niet vernomen dat zijn depressie terug zou zijn gekomen.


Casus 2: ondergemethyleerde depressie

Julie, 42 jaar oud, was drie maal getrouwd en gescheiden. Met haar nieuwe vriend en vier kinderen woonde zij nu in Wisconsin. Toen zij 16 jaar oud was, had zij de diagnose oppositioneel-opstandige gedragsstoornis gekregen. Zij vertelde dat zij vanaf haar eerste huwelijk, toen zij 19 was, met tussenpozen depressies had gehad. Op de middelbare school had zij uitstekende cijfers gehaald, tot zij meer interesse in jongens kreeg dan in haar studie. Zij haakte af tijdens haar eerste jaar aan de universiteit en trouwde een man die veel ouder was dan zij. Vanaf die tijd kende zij episodes van chronische depressie, vooral in het late voorjaar en aan het begin van de herfst. Zij had gewerkt als kapster en serveerster en was momenteel verkoopster in een groot warenhuis. Zij bleek diverse symptomen van ondergemethyleerde depressie te hebben, waaronder dwangmatig kopen, roken, gevoeligheid voor pollen van ambrosia en grassen en een goede reactie op antihistaminica. Julie had drie verschillende antidepressiva geprobeerd maar beweerde dat die niet effectief waren. Uit haar laboratoriumtest bleek met name een verhoogde waarde van bloedhistamine van 82 ng/ml.

Omdat zij Julie weinig geld tot haar beschikking had, kon zij zich het vrij dure SAMe niet veroorloven. Haar behandeling bestond uit hoge doses methionine, calcium en magnesium, samen met zink, de vitaminen B-6, C, D en E en chroom. Na zes maanden kwam zij terug voor een evaluatie. Zij vertelde dat haar depressie was verdwenen, maar zij had nog steeds problemen met allergieën en koopuitspattingen. Zij uitte haar tevredenheid over de behandeling en zei dat haar vriend haar ten huwelijk gevraagd had omdat zij ‘een prettiger persoon’ was geworden.
Een significant aantal ondergemethyleerde depressieve patiënten vertoont enige mate van pyrroleverstoring. Veel personen met deze combinatie van disbalansen hebben veel bereikt in hun leven, maar kennen een extreme innerlijke onrust en angst, kunnen moeilijk omgaan met stress en worden geplaagd door depressieve gevoelens. Omdat ondermethylatie en pyrroleverstoring beide verband houden met een geringe serotonine activiteit, is de depressie in deze gevallen ernstig van aard. Studies van onze database geven aan dat patiënten met deze hybride gesteltenis vaker suïcidale gedachten hebben dan personen die lijden aan enige andere vorm van depressie.

Veel ondergemethyleerde depressieve patiënten hebben twee eigenschappen die een succesvolle behandeling bemoeilijkt. Ten eerste hebben zij een aangeboren neiging om niet mee te werken met welke medische behandeling dan ook. Sommigen nemen zelfs geen aspirine als zij hoofdpijn hebben, terwijl zij weten dat dat hen zou helpen. De tweede eigenschap is de neiging hun depressie te ontkennen, zelfs wanneer die ernstig is. Een voorbeeld hiervan is een gepensioneerde rechter uit Maryland die ik ontmoette tijdens zijn eerste bezoek aan ons centrum. Zijn vrouw had contact met mij gezocht met het verzoek haar echtgenoot te helpen die leed onder een zware depressie, wat haar zeer verontrustte. Zelf lachtte hij dit weg en beweerde overtuigend dat hij zijn leven lang niet depressief was geweest. Alleen om zijn vrouw een plezier te doen, had hij erin toegestemd getest te worden. Twee weken later pleegde hij zelfmoord, nog vóór zijn voedingsstoffentherapie voor ondermethylatie begonnen was. Gepubliceerd onderzoek geeft aan dat de half van de depressieve Amerikanen nooit behandeling zoekt. Ik vermoed dat een hoog percentage van hen het ondergemethyleerde biotype betreft.


Folaattekort-depressie

Zo’n 20% van de 2800 personen in mijn depressie-database vertonen folaattekort[4] als hun primaire voedingsstoffendisbalans. Zij laten over het algemeen een combinatie van symtomen en eigenschappen zien die hen onderscheidt van de andere depressie-biotypes. De meesten van hen noemen angst in combinatie met depressie en ongeveer 20% van hen heeft in het verleden te maken gehad met een paniekstoornis of angststoornis. Op heel weinig uitzonderingen na zeggen zij intolerant te zijn voor SSRI’s en antihistaminica. Een hoog percentage is niet competitief, is gevoelig voor chemische stoffen en bepaalde voedingsmiddelen, maar niet voor hooikoorts of andere seizoensgebonden allergieën. Ondanks hun lijden zijn verassend veel van hen zorgzame en gulle personen, die aan vrijwilligerswerk deden en waarschijnlijk geweldige buren zijn. ADHD en matige schoolprestaties komt bij hen drie maal vaker voor dan bij het ondergemethyleerde biotype. In de volgende tabel worden de symptomen en eigenschappen opgesomd die vaak voorkomen bij het laag folaat biotype van depressie:

 

– verbetering na folaattherapie                                  – veel angst en neiging tot paniek

– een negatieve reactie op SSRI’s                              – verbetering door benzodiazapines

– gevoelig voor voedsel en chemische stoffen         – geen seizoensgebonden allergieën

– droge ogen en mond                                                  – laag libido

– artistieke gaven en belangstelling                           – zware beharing (bij mannen)

– nervous legs, ijsberen                                                – slaapstoornis

– niet competitief in sport en spel                              – matige schoolprestaties

– hyperactiviteit                                                              – hoge pijngrens

– pijn in bovenlichaam, hoofd, nek                             – negatieve reactie op SAMe en methionine

– intolerant voor oestrogeen                                        – intolerant voor koper
Aanwijzingen voor een laag folaat depressie zijn bloedhistamine beneden 40 ng/ml, een verhoogde SAMe/SAH-verhouding, laag serumfolaat en een absolute basofielen telling beneden de dertig. De diagnose van dit biotype wordt ondersteund door de aan- of afwezigheid van de hierboven genoemde factoren. De aanwezigheid van 40% van deze symptomen en eigenschappen is consistent met het laag folaat biotype van depressie.

De voedingsstoffentherapie voor dit biotype is gericht op het opbouwen van folaatvoorraden gericht op het vermeerderen van de acetylatie van chromatine. De specifieke behandeling van laag folaat depressie omvat de suppletie van:

– Foliumzuur of folinezuur

– Vitamine B-12

– Niacinamide, choline, DMAE en mangaan; deze verlagen de synaptische activiteit van dopamine

– Zink, PLP, vitamine B-6; dezen verhogen het GABA-niveau

– Ondersteunende voedingsstoffen, waaronder de vitaminen C en E

 

Oorspronkelijk werden foliumzuurdoses van meer dan twee mg/dag voorgeschreven om een laag folaat depressie te beschrijden. Folinezuur passeert de bloed-hersenbarrière echter effectiever, wat lagere folaatdoses voor die depressie biotype mogelijk maakt.

In de behandeling van deze personen is het belangrijk de supplementen tryptofaan, 5-HTP, fenylalanine, tyrosine, koper en inositol te vermijden.


Casus 3: laag folaat depressie

Marylin, 36 jaar oud, is een magere ongehuwde vrouw die tijdens haar eerste bezoek een gezichtsmasker droeg ter bescherming tegen chemische allergieën. Wij namen haar ziektegeschiedenis af aan een picnictafel in de tuin omdat zij reageerde op de chemicaliën van ons nieuwe tapijt. Ondanks een IQ van 132 en de motivatie te slagen, presteerde Marilyn slecht op de lagere en middelbare school. In de vierde klas kreeg zij de diagnose ADD en slikte Ritalin tot in de achtste klas. Volgens haar hielp Ritalin met de concentratie maar het werd gestopt omdat het haar eetlust wegnam en zij veel gewicht verloren had.

Haar depressie begon toen zijn 20 was en werkte als serveerster. Gedurende zes maanden probeerde zij counceling, maar dat had geen resultaat. Nadat zij twee weken Zoloft had geslikt, werd haar depressie veel erger en had zij haar eerste paniekaanval. Haar docter schreef diverse andere SSRI’s voor, waar zij eveneens geen baat bij had. Haar angsten namen wel af sinds zij Clonazepam gebruikte. Deze benzodiazepine slikte zij nog steeds.

Andere kenmerken van een laag folaat depressie waren gevoeligheid voor chemische stoffen, concentratieproblemen, droge ogen, een laag libido en chronische nekpijn. Zij had ooit een keer Benedryl genomen en voelde zich toen raar en geagiteerd.

Marilyns histaminewaarde was 16 ng/ml. Zij werd behandeld met hoge doses foliumzuur, vitamine B-12 en niacinamide. Verder werden zink, DMAE, mangaan, chroom en de vitaminen B-6, C en E voorgeschreven en wij adviseerden haar de komende maanden Clonazepam te blijven gebruiken. Na twee weken therapie klaagde zij over toegenomen angstigheid, maar na vier maanden was er een significante verbetering van haar depressie en angsten, niet echter van haar gevoeligheid voor chemische stoffen. Haar behandeling was subtiel afgestemd, gebaseerd op nieuwe laboratoriumtechnieken en wij stelden jaarlijkse check-ups voor. Het volgende jaar meldde zij verbetering op alle fronten en droeg zij geen gezichtsmasker meer. Haar Clonazepam was gedurende een aantal maanden geleidelijk gestopt. Zij is nu zes jaar bezig met voedingsstoffentherapie en is naar eigen zeggen 95% beter.

 

Casus 4: laag folaat depressie

Karl, 28 jaar oud, is een succesvol zakenman in een voorstad van Minnesota, waar hij een chemisch familiebedrijf leidt. Op de middelbare school speelde hij voetbal. Zijn schoolprestaties waren beneden gemiddeld. Hij verklaarde gelukkig getrouwd te zijn en had twee mooie kinderen. Als teenager had hij korte depressieve periodes gekend. Op zijn 25e ontwikkelde hij ernstige angst, depressie en een slaapstoornis. Een jaar lang had hij gesprekken met een councelor van zijn kerk, maar dat bracht niet echt verbetering. Hij had wel wat baat bij Prozac, maar moest daarmee stoppen vanwege misselijkheid en hoofdpijnen. De behandeling met Paxil, Zoloft en Xelexa (allemaal SSRI’s) resulteerde in toename van de angst en van de depressie.

Karl vertoonde diverse symptomen van het laag folaat biotype, zoals laag libido, droge ogen, zodat hij geen lenzen kon dragen, talent voor waterverven en een forse beharing op zijn borst en rug.

Zijn bloedhistaminewaarde was 31 ng/ml, wat zijn laag foliumniveau bevestigde. Zijn behandeling was gefocust op hoge doses foliumzuur, vitamine B-12 en niacinamide. Daarenboven kreeg hij zink, mangaan, GABA, magnesium, DMAE en de vitaminen B-6, C en E. Karl heeft de suppletie met voedingsstoffen nu enige jaren volgehouden en geeft aan dat hij zich goed voelt.

Miljoenen depressieve patiënten hebben baat gehad bij SSRI-medicatie, maar er zijn ernstige bedenkingen over een aantal personen wier depressie verergerde of die gewelddadig werden nadat zij met SSRI’s begonnen. Mensen met het laag folaat depressie-biotype zijn bijzonder vatbaar voor deze ongunstige bijwerkingen, vermoedelijk omdat zij van zichzelf al een hoog serotonine niveau hebben. Daarom reageren zij slecht op medicatie die neurotransmissie van serotonine verhoogt.


Casus 5
: laag folaat depressie

Tijdens zijn eerste bezoek aan ons centrum vertelde een man van middelbare leeftijd uit Colorado ons van zijn suïcidale depressie. Omdat wij enige tijd moesten wachten op de laboratoriumuitslagen, maakten wij ons zorgen over zijn veiligheid en drongen er bij hem op aan direct bij thuiskomst een psychiater te bezoeken. Zijn vrouw vertelde later dat deze hem 20 mg Prozac per dag voorschreef, maar dat binnen een week zijn depressie scherp verslechterde. Hij ging terug naar de psychiater en omdat er geen verbetering was, verhoogde deze de dosis. Zes dagen later pleegde deze man zelfmoord. Kort na het bericht van zijn dood kwamen de laboratoriumuitslagen binnen. Een histaminewaarde van 24 ng/ml wees op een laag folaat depressie-biotype, dat intolerant is voor SSRI-medicatie.
De schietpartijen op de Columbine High School and Virginia Tech zijn uitgevoerd door leerlingen die begonnen waren met SSRI-anti-depressiva. The FDA (het Amerikaanse agentschap dat waakt over de kwaliteit van voedsel en medicijnen) heeft geëist dat bijsluiters van SSRI’s de waarschuwing bevatten dat “antidepressiva het risico voor suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag verhogen.” Het lijkt aannemelijk dat personen met het lage folaat biotype bijzonder kwetsbaar zijn voor deze bijwerking. Mijn aanbeveling is dat psychiaters een eenvoudige bloedtest laten uitvoeren vóór zij starten met SSRI-therapie om laag folaat individuen te identificeren die een hoog risico lopen voor ongunstige bijwerkingen.

Hoge koperdepressie

Ongeveer 17% van de depressieve patiënten vertonen hypercupremia, verhoogde koper, als hun dominante chemische disbalans. De overgrote meerderheid (96%) van dit biotype zijn vrouwen. In de typische gevallen treedt de eerste depressieve episode op gedurende een hormonale gebeurtenis, zoals de puberteit, een bevalling of de menopauze. Dit type depressie gaat samen met karakteristieke symptomen zoals heftige angst, slaapstoornissen, hormonale disbalansen, hyperactiviteit tijdens de kinderjaren, een gevoelige huid voor metalen en ruwe stoffen, oorsuizen en intolerantie voor oestrogeen, schelpdieren en chocolade.

Bij gezonde personen worden de koperniveau’s in het bloed en in de hersenen homeostatisch gecontroleerd door de werking van metallothioneine en de ceruloplasmine eiwitten. Dit is van wezenlijk belangrijk voor het geestelijk functioneren, want afwijkende koperwaarden kunnen de hoeveelheid dopamine en norepinefrine in de hersenen veranderen. Dopamine wordt vaak beschreven als een ‘feel good’ chemische stof die helpt bij de bestrijding van depressie. Een verhoging van norepinefrine wordt geassocieerd met angst, paniekstoornissen, slaapproblemen, paranoia en in zware gevallen met psychose. Depressieve patiënten met een hoge koper zeggen gewoonlijk dat serotonine verhogende antidepressiva hun stemming verbeteren, maar hun angst verergeren. Benzodiazapines zoals Clonazepam en Alprazolam kunnen effectief zijn in het verminderen van de angst, maar blijken bij dit biotype weinig effect te hebben op de depressie. Vrouwen met hoge koper zijn gewoonlijk intolerant voor de pil en voor hormoontherapie omdat deze behandelingen het koperniveau in het bloed verhogen.

Een directe weg om personen met dit depressie-biotype te behandelen is koper af te voeren en het niveau van het koper in hun bloed en hersenen tot normale waarden terug te brengen. Via een behandeling met voedingsstoffen kan dit gewoonlijk binnen zestig dagen. Het eerste natuurlijke mechanisme dat zich aandient om een teveel aan koper te verwijderen is het binden van koper aan metallothioneine-eiwitten in de lever, gevolgd door uitscheiding via de galgang. De genetische expressie (productie) van metallothioneine-eiwitten is afhankelijk van zink en dit spoorelement is gewoonlijk uitgeput in hoge koper personen. Om het koperniveau te verlagen verhoogt geavanceerde voedingsstoffentherapie daarom het metallothioneine-eiwitten niveau door suppletie van zink, samen met mangaan, glutathion, de vitaminen B-6, C en E en andere voedingsstoffen waarvan bekend is dat zij de activiteit van metallothioneine versterken. Deze therapie moet geleidelijk worden opgestart om te voorkomen dat het overtollige koper te plotseling vrijkomt en in het bloed terecht komt, waardoor de depressie en angst tijdelijk zou verslechteren. Patiënten die psychiatrische medicatie nemen, moeten daarmee doorgaan gedurende de eerste twee of drie maanden van de behandeling met voedingsstoffen. Meer dan 85% van de hoge koper patiënten geeft aan dat deze medicatie uiteindelijk gestopt kan worden zonder dat de depressie terugkeert.

Een andere manier om koper af te voeren is het gebruik van tetrathiomolybdaat, dat wel gebruikt wordt bij de behandeling van de ziekte van Wilson en van vaste tumoren. Deze medicatie, die nog in het ontwikkelingsstadium is, kan het koperniveau snel verlagen zonder noemenswaardige bijwerkingen. Wanneer de koperwaarden genormaliseerd zijn, kan deze therapie worden vervangen door zinksupplementen, die de productie van metallothioneine-eiwitten stimuleren. Trientine dihydrochloride en D-penicillamine zijn medicaties die koper effectief verwijderen, maar zij gaan gewoonlijk samen met ernstige bijwerkingen.

De meeste vrouwen met een geschiedenis van postnatale depressie (PND) vertonen een verhoogd serum koper. Daarenboven zijn de klassieke symptomen van PND vergelijkbaar met de verhoogde norepinefrine en uitgeputte dopamine die het gevolg kunnen zijn van bovenmatige koper. Een grote studie uitgevoerd door Crayton and Walsh gaf aan dat depressieve vrouwen met een geschiedenis van PND een significante verhoging van serum koper vertonine in vergelijking met depressieve vrouwen zonder geschiedenis van PND. Na behandeling met voedingsstoffen om koper af te voeren, vertonen de meeste PND-patiënten normale concentraties van serum koper en zijn hun depressie en angst fors afgenomen.

PND is een gesteltenis die optreedt tijdens de postnatale periode die wordt gekenmerkt door een depressieve stemming, gebrek aan energie, onderbroken slaap, hoge angst, verminderd interesse in wat voorheen als prettige activiteiten beschouwd werd en in ernstige gevallen door suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag. Kort na de bevalling ervaren de meeste vrouwen milde depressieve symptomen en 10 à 20% ervaart een complete depressieve fase. Een zwangerschap leidt tot zeer verhoogde niveaus van oestrogeen en koper in het bloed. Gedurende de negen maanden van een zwangerschap verdubbelt het serum koper zich gewoonlijk van ongeveer 110 mcg/dl tot ongeveer 220 mcg/dl. Dit extra koper maakt een snelle ontwikkeling van bloedvaten (angiogenesis) mogelijk, wat nodig is voor de normale groei van de foetus. Gewoonlijk begint het koper en oestrogeen niveau binnen 24 uur na de bevalling te zakken. Vrouwen die aan PND lijden blijken een genetisch of verworven onvermogen te hebben om het overtollige koper af te voeren. Ik heb honderden vrouwen met PND ontmoet die zeiden dan hun depressie onmiddellijk na de zwangerschap begon en jaren duurde. De meesten van hen gaven een grote verbetering aan na behandeling met voedingsstoffen om het koperniveau in hun bloed te normaliseren. Ik heb ook tientallen patiënten met een postnatale psychose die al meer dan twintig jaar duurde ontmoet, die een grote verbetering meldden nadat hun koperniveau genormaliseerd was.


Casus 6: hoge koper depressie

Katlheen, 34 jaar oud, vertelde over haar toenemende depressie na haar eerste twee zwangerschappen en de suïcidale depressie na de geboorte van haar derde kind. Twee jaar counseling en psychofarmaca hadden geen baat gehad. De relatie met haar echtgenoot was verslechterd en van een beetje stress schoot zij al in tranen. Symptomen over koperbelasting waren ook hyperactiviteit als kind, oorsuizen, een gevoelige huid voor goedkope metalen, onvermogen bruin te worden en een forse verslechtering van haar depressie als gevolg van hormoontherapie. Haar serumkoper was 212 mcg/dl; de normaal waarde is 85-115 mcg/dl. Het zink in haar bloedplasma was met 65 mcg/dl onder de maat.

Aan het begin van haar behandeling kreeg zij onder andere 25 mg zink per dag. Geleidelijk werd deze dosis verhoogd naar 75 mg per dag. Gedurende deze periode klaagde Katlheen over toenemende angsten. Verder kreeg zijn volop B-6 en PLP, samen met mangaan, DMAE en de vitaminen B-3, C en E. Bij het vervolgconsult na een half jaar waren haar metaalwaarden genormaliseerd, haar depressie verdwenen en haar huwelijk gered.


Casus 7: hoge koper depressie

Carol, 31 jaar oud, was niet depressief tot zij op haar zestiende met anti-conceptie-pillen begon. Ondanks haar chronische depressie blonk zij uit op de middelbare school en toen zij vierentwintig was, was zij bezig aan een succesvolle carrière. Eenmaal gehuwd bleef zij doorgaan met anti-conceptie en was nooit zwanger geweest. Zij benadrukte dat haar depressie erg zwaar was geworden, met voortdurend de gedachte zichzelf van het leven te beroven door met haar auto tegen een viaduct te rijden. Zij had onvoldoende middelen voor counseling maar had recentelijk wel Effexor, Paxil en Zoloft geprobeerd, zonder verbetering. Zij vertoonde symptomen van hoge koper, zoals intolerantie voor chocolade, allergie voor schelpdieren, een zeer gevoelige huid en incidentele woede-aanvallen.

Carols laboratoriumuitslagen toonden een verhoogde serumkoper en een verlaagd bloedplasma-zink aan. Haar behandeling bestond uit voedingsstoffen die de activiteit van het metallothioneine-eiwit bevorden: zink, mangaan, selenium, DMAE, glutathion, 15 eiwitten die deel uitmaken van metallothioneine en de vitaminen B-6, C, E en PLP. Gedurende de eerste twee weken belde onze telefoniste haar meermaals op, bezorgd dat haar depressie zou verergeren. De tweede maand was er echter een merkbare verbetering en na zes maanden verklaaarde zij dat zij voor het eerst in acht jaar vrij was van depressie. Wij wezen haar erop dat zij vatbaar was voor postnatale depressie en adviseerden haar in geval van zwangerschap koperhoudende prenatale vitaminen te vermijden.


Pyrrolurische depressie

Zo’n 15% van de 2800 personen in onze depressie-database vertonen verhoogde pyrroles als hun dominante chemische disbalans. Dit is een stress-stoornis, waarbij depressie vaak veroorzaakt wordt door een zwaar emotioneel of lichamelijk trauma. Deze personen vertonen gewoonlijk een vreemde combinatie van symptomen, zodat de diagnose snel duidelijk is. Zo ervaren de meest mensen met een pyrroleverstoring zo’n 50% van de volgende symptomen en eigenschappen: forse stemmingswisselingen, onvermogen met stress om te gaan, woede-aanvallen, geen droomherinnering, een huid die in de zon snel verbrandt en niet bruin wordt, misselijkheid ’s ochtends en gevoeligheid voor helder licht en harde geluiden. Velen van hen hebben dunne enkels, polsen en hals, samengaand met flink wat vet rond hun middel en aan de bovenkant van hun dijen. Vrouwen hebben vaak een verstoorde of afwezige menstruele periode. Personen met dit depressie-biotype kwamen vaak laat in de puberteit en maakten een groeispurt door na hun zestiende. Overige symptomen zijn onder andere een grote innerlijke spanning, moeite met lezen, tegenvallende schoolprestaties ongeacht hun intelligentie. Zij hebben de neiging vreesachtig en pessimistisch te zijn en zichzelf van anderen te isoleren. Veel mensen met dit biotype hebben de diagnose rapid cycling bipolaire stoornis gehad omdat hun extreme stemmingswisselingen zich meermaals per dag voor kunnen doen. De meeste pyrrolurische patiënten leven in een wereld van anst en houden zich obsessief bezig met rampen zoals het zinken van de Titanic, terroristische aanvallen, tornado’s en aardbevingen.

Deze mensen lijden aan een dubbele deficiëntie, van zink en vitamine B-6, die genetisch van aard kan zijn. Dit leidt tot een tendens tot een laag gehalte aan serotonine, dopamine en GABA in de hersenen. Dit is een recept voor depressie en angst. De behandeling van de pyrroleverstoring door middel van voedingsstoffen bestaat voornamelijk uit het simpelweg normaliseren van het zink- en B-6-niveau. Tekorten aan zink en B-6 kunnen ernstig zijn en van genetische aard. Vaak zijn hoge doses, vele malen de gewone dagelijkse behoefte, nodig om het bloedzink en de B-6 tot normale waarden op te hogen. Omdat pyrroleverstoringen duiden op een verhoogde oxidatieve stress, wordt de behandeling ondersteund door ruime doses seleen, glutathion, de vitaminen C en E en andere anti-oxidanten.

Depressieve personen met pyrrole-verstoring reageren sneller op behandeling met voedingsstoffen dan de andere depressie-biotypen. Na enkele dagen is al een duidelijke verbetering merkbaar. In vier tot zes weken heeft de therapy haar volledige effect.

Vanwege hun misselijkheid ’s ochtends kunnen de meeste mensen met pyrrole-verstoring geen voedingsstoffen verdragen tot aan de lunch. Zij hebben het moeilijk ’s ochtends en zijn laat op de avond op hun best. Sommigen vermoeden dat de legende van Dracula gebaseerd is op gewelddadige pyrrolurische personen die erg gevoelig waren voor licht en ’s nachts opbloeiden. Mijn database-studies geven aan dat pyrrole-verstoring relatief heel vaak voorkomt bij mensen die de diagnose anti-sociale persoonlijkheid kregen, vroeger sociopathie genoemd. Gelukkig hebben de meest pyrrolurie-patiënten geen criminele neigingen.

De volgende casussen illustreren de diagnose en de behandeling van het pyrrolurische depressiebiotype.

 

            Casus 8: het pyrrolurische depressiebiotype

Kurt, 24 jaar oud, was op de middelbare school een ster in voetbal maar verder een matige leerling. Hij had een hekel aan school en zocht na zijn eindexamen een baan bij de spoorwegen. Hij was berucht vanwege zijn opvliegende aard en was meermaals gearresteerd omdat hij andere mensen had aangevallen. Hij vertelde dat hij sinds zijn zestiende leed aan chronische depressie en gedachten over zelfmoord. Hij was gespierd, oogde als een filmster en had een innemende persoonlijkheid. Hij was geïnteresseerd in meisjes maar maakte zelden een afspraak wegens een erectiestoornis waar hij zich voor schaamde. Hij was twee maal ontslagen omdat hij zijn supervisor aangevallen had. Hij kwam te laat op zijn eerste afspraak omdat hij ruzie had gemaakt met een agent die hem had aangehouden omdat hij te hard reed. Diverse andere symptomen wezen op pyrrole-verstoring, zoals een hoge innerlijke spanning, een slecht korte-termijn-geheugen, geen droomherinnering, voorkeur voor gekruid voedsel, een bleke gelaatskleur, neiging het ontbijt over te slaan en gevoeligheid voor zonlicht.

Kurts laboratoriumuitslagen waren niet opmerkelijk, behalve de pyrroles in zijn urine. Die waren tien maal het normale. Zijn behandeling met voedingsstoffen omvatte krachtige doses vitamine B-6 en zink, samen met ondersteunende voedingsstoffen om de stress te verminderen (selenium, mangaan, de vitaminen C en E). Na twee weken belde hij ons op omdat hij zich ‘raar’ voelde en bezorgd was dat de vitaminen zijn persoonlijkheid veranderden. Voor het eerst in zijn leven ervaarde hij een innerlijke kalmte en deze opmerkelijke verandering verontrustte hem. Tijdens zijn vervolgconsult na drie maanden bleek zijn depressie verdwenen evenals zijn gewelddadige woede-aanvallen. Zijn erectiestoornis was hij echter nog niet kwijt. Intussen heeft hij zijn behandeling met voedingsstoffen jarenlang voortgezet en heeft Viagra zijn sociale leven genormaliseerd. Hij is niet meer ontslagen, heeft geen depressieve periodes gehad en is niet meer in aanraking met de politie geweest.


Casus 9: het pyrrolurische depressiebiotype

Marianne, 32 jaar oud, was ongehuwd en leefde met haar ouders in een voorstad van Chicago. Zij had een moeilijke jeugd gehad. Zij had op een bijzondere lagere school gezeten en was meermaals behandeld voor depressie en explosief gedrag. Zij had een gewone middelbare school bezocht, waar zij weinig vrienden had en qua prestaties onderaan bungelde. Zij ontving counceling van maatschappelijk werkers en psychologen. Dat hielp, maar in stressvolle perioden viel zij weer terug. Na de middelbare school had zij een aantal minimumloonbaantjes gehad en was sindsdien chronisch werkeloos. Haar depressie en emotionele uitbarstingen duurden voort ondanks behandeling door drie psychiaters, die meer dan een dozijn medicijnen voorschreven in een poging haar te helpen. Uiteindelijk meldden haar ouders haar aan voor behandeling met voedingsstoffen, wat zij hun laatste strohalm noemden.

Marianne vertoonde diverse symptomen van pyrroleverstoring, waaronder een abnormale menstruatiecyclus, onvermogen met stress om te gaan, heftige stemmingswisselingen, witte vlekken op haar vingernagels en misselijkheid ’s ochtends. Overdag droeg zij een donkere zonnebril en zij kon zich nooit een droom herinneren. In de koelkast van het laboratorium kleurde haar urine rood-paars (mauve). Haar pyrroleniveau bleek 82 mcg/dl te zijn. Zij had een ernstige pyrroleverstoring en werd behandeld met krachtige doses vitamine B-6, PLP en zink, samen met ondersteunende stressverminderende voedingsstoffen. In het begin viel het haar moeilijk trouw haar pillen in te nemen. Daarom werden deze speciaal samengesteld, zodat het er minder werden.

Marianne’s ouders vertelden later dat zij gedurende de volgende vier maanden een transformatie onderging. Zij verheugden zich er vooral over dat zij veel gelukkiger oogde en dat haar emotionele uitbarstingen voorbij waren. Twee jaar later vernamen wij dat Marianne een vaste baan had en zelfstandig in haar eigen appartement woonde. Het ging goed met haar en zij nam trouw haar voedingsstoffen. Zij voelde zich nog steeds ongemakkelijk in sociale situaties. Daarvoor raadden wij haar counseling aan.

 

Depressie als gevolg van gifbelasting

Ongeveer 5% van de 2800 personen in onze depressie database vertoont metaalvergiftiging als hun primaire chemische disbalans. In de meeste gevallen betreft dit lood, kwik, cadmium of arsenicum. Eén op de 500 mensen lijdt hieraan. Dat zijn er meer dan 600.00 in de Verenigde Staten. Gebruikelijke kenmerken van dit depressie biotype zijn de volgende:

– de depressie komt plotseling op tijdens een periode van relatieve kalmte en welbevinden

– pijnen en kramp in de onderbuik

– verhoogde prikkelbaarheid

– hoofdpijnen en spierzwakte

– weinig energie

– geen reactie op counseling of psychofarmaca

Een belasting met giftige metalen kan moeilijk zijn vast te stellen vanwege de lage concentratie van giftige metalen in het bloed. Bijvoorbeeld kwikbelasting blijkt niet altijd uit een bloedtest, want al na een paar dagen wordt het verhoogde kwik niet meer in het bloed gevonden omdat het naar het lichaamsweefsel, zoals vetweefsel, gegaan is. Omdat depressie als gevolg van metaalvergiftiging vrij ongebruikelijk is, is de logische eerste stap het uitsluiten van ondermethylatie, folaattekort, koperbelasting, pyrroleverstoring, allergie voor caseïne en gluten en een schildklierdisbalans. Een zorgvuldige chemische analyse van het hoofdhaar kan een aanwijzing geven, als rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van een vals positief resultaat als gevolg van uitwendige besmetting. Veel doktoren testen gifbelasting door middel van het toedienen van een chelaterende stof die de gifstoffen uitdrijft en meten dan de verhoogde hoeveelheid gifstoffen die via de ontlasting en urine wordt uitgescheiden. Maar helaas zijn er nog geen betrouwbare referentiewaarden voor deze testen vastgesteld. Een ander probleem bij de diagnosestelling is dat de diverse giftige metalen verschillende symptomen met zich meebrengen. Wanneer depressie als gevolg van giftige metalen echter zorgvulding gediagnosticeerd is, kan behandeling met voedingsstoffen baat brengen.

Jonge kinderen zijn bijzonder gevoelig voor giftige metalen omdat hun bloed-hersen-barrière nog onvolgroeid is en de gifstoffen de ontwikkeling van de hersencellen en de receptoren kan verstoren. Een loodvergiftiging kan bij jonge kinderen het IQ verlagen, maar heeft weinig gevolgen voor de geestelijke vermogens van een volwassene. De primaire gevolgen van een ernstige metaalvergifti-ging bij volwassenen zijn depressie, prikkelbaarheid, een naar gevoel in de onderbuik en lever-beschadiging. Giftige metalen in de hersenen kunnen veel narigheid veroorzaken, waaronder:

– het verzwakken van de bloed-hersen-barrière

– veranderde neurotransmitterniveaus

– vernietiging of verzwakking van de myelineschede

– verhoogde oxidatieve stress

– vernietiging van glutathion en andere beschermende eiwitten

Het is daarom niet verassend dat een giftige metalen belasting een klinische depressie kan veroorzaken.

Behandeling van giftige metalen belasting met voedingsstoffen omvat de suppletie van calcium, het bevorderen van de metallothioneine synthese en anti-oxidanten in ruime dosering. Lood zoekt de botten op. Ongeveer 95% van het oude lood is opgeslagen in het skelet. Wanneer het niet wordt verwijderd, is de halfwaardetijd van lood in het menselijk lichaam ongeveer 22 jaar. Behandeling met voedingsstoffen en chelatietechnieken kunnen het lood effectief uit het bloed en de weefsels verwijderen, maar niet uit de botten. Personen met veel lood in hun botten staan voortdurend bloot aan deze giftige stof die langzaam vrijkomt uit hun skelet. Als gevolg daarvan moeten zij gedurende heel hun leven een behandeling volgen om lood te verwijderen. In de meeste gevallen kan dit met goedkope supplementen, calcium en zink. Veel calciumsupplementen zijn echter onzuiver wat lood betreft. Daarom moet erop worden gelet zeer zuivere produkten nemen.


Casus 10: depressie als gevolg van gifbelasting

John, 54 jaar oud, had een ernstige depressie ontwikkeld tijdens een verlofjaar. Counseling en diverse anti-depressiva hadden volstrekt geen effect gehad op zijn gesteltenis. Ook klaagde hij over boosheid, wat helemaal niet bij hem paste, misselijkheid en krampen in de onderbuik. De uitslagen van zijn laboratoriumtest waren onopvallend, met uitzondering van het loodniveau in het bloed, 80 maal de normale waarde. Ik vroeg hem onmiddellijk naar ons centrum te komen voor crisisoverleg – hij woonde niet ver van ons vandaan. Hij kwam aan in kleding die van boven tot onder bedekt was met verfresten. Hij had een prachtig oud huis gekocht en had de laatste zes maanden verf van de binnenmuren gekrabt. Toen ik hem belde, was hij bezig met een buitenmuur. Wij concludeerden dat hij zich vergiftigd had door zich langdurig bloot te stellen aan loodhoudende verf. Een tweede bloedtest bevestigde de diagnose loodvergiftiging. Omdat zijn depressie ernstig was, werd hij een aantal dagen in een ziekenhuis opgenomen en onderging EDTA chelatie. Binnen een week was zijn depressie volkomen verdwenen. John besloot zijn huis te verkopen. Wij schreven suppletie voor van calcium, zink, seleen en de vitaminen C en E om hem te beschermen tegen het lood dat langzaam uit zijn botten zou lekken.

Kwik is een dodelijk gif dat met name uiterst schadelijk is bij kinderen van de conceptie tot vier jaar oud, de periode waarin de meeste hersenontwikkeling plaatsvindt. De halfwaardetijd van kwik in het lichaam (overal behalve in de hersenen) is ongeveer 42 dagen. In de hersenen is dat 70 dagen.

De halfwaardetijd van kwik kan echter veel hoger zijn voor personen met een genetische metaalmetabolismestoornis of ernstige oxidatieve stress. Kwik heeft een opmerkelijke affiniteit met de glutathion en metallothioneine-eiwitten en behandeling met voedingsstoffen die de hoeveelheid van deze eiwitten verhoogt kan kwik effectief uit het lichaam verwijderen. Chelatie en andere behandelingen zijn ontwikkeld om kwik te verwijderen uit het lichaam van autistische kinderen. Het is onmogelijk blootstelling aan kwik helemaal te vermijden omdat wij iedere dag ongeveer 1 micorgram (mcg) kwik binnenkrijgen via de ademhaling en nog een 10 à 20 mcg in een doorsnee dieet. Een maaltijd met tonijn of een andere grote vis kan nogmaals 20 à 40 mcg opleveren. Gezonde mensen hebben beschermende eiwitten die kwik binden en onschadelijk maken. Sommige mensen hebben echter een genetische zwakte in dit beschermingssysteem en kunnen uiterst kwetsbaar zijn voor zelfs een matige blootstelling aan kwik.

Cadmium is bijzonder gevaarlijk omdat het de neiging heeft zich op te hopen in de leverbuisjes en daar blijvende schade aan te richten. Bronnen van cadmium zijn schelpdieren, ondiepe putten, kunstmest, laswerk, soldeersel, vuurwerk, artistieke verf, mijnbouw en diverse industriële processen. Cadmium zit ook in sigaretten en 1 à 2 pakjes per dag roken kan het niveau van dit metaal in bloed en weefsels verdubbelen. Cadmium moet voorzichtig verwijderd worden om leverschade te voorkomen. Behandeling die de metallothioneine eiwitten bevordert is veiliger dan chelatie, waar het loskomende cadmium wordt afgevoerd via de lever.

Arsenicumbelasting is vrij zeldzaam en moeilijk vast te stellen. De symptomen omvatten hoge ademhalingsproblemen, anorexia, spierzwakte en irritatie van de slijmvliezen. Een definitieve test voor arsenicumvergiftiging zijn verhoogde waarden in zowel urine als hoofdhaar. Helaas zijn de normaalwaarden hiervoor zwak beschreven en de interpretatie van de onderzoeksresultaten is tot op zekere hoogte speculatief. De bilogische halfwaardetijd van arsenicumdelen is kort, 10 à 30 uur. De voornaamste bron van arsenicum is zeevis, schaal- en schelpdieren, besmet water en pesticiden. Het is ook aangetroffen op behandeld hout, speeltuintoestellen en kippenvoer. Suppletie van calcium en het verhogen van het niveau van glutathion eiwitten kan het vertrek van arsenicum bespoedigen. Deze behandeling is echter zelden zinvol in geval van blootstelling via de omgeving omdat arsenicum het lichaam snel verlaat en al terug is naar een veilig niveau nog vóór de behandeling begint. Depressieve mensen die leven of werken in een omgeving met veel arsenicum kunnen evenwel baat hebben bij suppletie met voedingsstoffen die beschermen vergiftiging met arsenicum.


De reguliere gezondheidszorg en de depressie-biotypen

Ondanks brillante vooruitgang in het hersenonderzoek beschouwt de reguliere gezondheidszorg depressie nog steeds als één enkel ziektebeeld in plaats van als een verzameling van verschillende stoornissen. Zij meent dat dysthymia, de postnatale depressie, de seizoensgebonden affectieve stoornis en andere typen depressie variaties zijn binnen één centraal thema: een lage serotonine-activiteit. Als gevolg daarvan worden de meeste mensen die als depressief gediagnosticeerd zijn behandeld met SSRI-medicatie, die erop gericht is de serotonine-activiteit te verhogen. Mensen van het ondergemethyleerde of pyrrolische biotype kunnen baat hebben bij SSRI’s, maar zij zijn schadelijk in geval van folaattekort en zijn ineffectief voor de andere biotypen. De resultaten van de behandeling zouden zeer verbeteren als psychiaters een goedkope bloedtest zouden doen om die patiënten te identificeren die geschikte kandidaten zijn voor SSRI-anti-depressiva. Ook zouden patiënten er baat bij hebben als de disbalansen in voedingsstoffen die verbonden zijn met de verschillende depressie-biotypen zouden worden vastgesteld en behandeld. Behandeling met voedingsstoffen zou waarschijnlijk de behandeling met SSRI’s versterken en de ongewenste bijwerkingen verminderen of wegnemen. In veel gevallen zal blijken dat behandeling met voedingsstoffen alleen al effectief is.

 

[1]     Methyl (CH3) speelt een belangrijke rol bij processen die bepalen of een gen al dan niet tot expressie komt. Wat betreft psychische stoornissen leidt ondermethylatie met name tot een verhoogde productie van serotonine- en dopaminetransporteurs, met een geringer activiteit van beide neurotransmitters aan de synapsen tot gevolg. (Noot van de vertaler.)

[2]     Folaattekort resulteert in overmethylatie. (Noot van de vertaler.)

[3]     SAMe en SAH zijn enzymen die een belangrijke rol spelen in het methylatieproces. – Zie internet voor deze en soortelijke termen. (Noot van de vertaler.)

[4]     Folaattekort resulteert in overmethylatie. (Noot van de vertaler.)

You may also like...