De verpleging van krankzinnigen, 1930

Wie de verpleging en nog meer in het bijzonder, wie de krankzinnigenverpleging tot levenstaak kiest, moet, naast de noodige hoeveelheid theoretische kennis, verschillenden eigenschappen bezitten naar karakter en lichaam, die hem geschikt maken voor de uitoefening van dit verheven beroep. Hij moet op de eerste plaats bezitten een groote liefde voor zijn evenmensch en daarnaast liefde ook voor de bijzondere en mooie taak, die hij op zich neemt. Hij moet er verder diep van doordrongen zijn, dat hij zich zelfen geheel aan zijn zieke medemenschen moet geven en dat er in dit beroep geen plaats is voor egoïsme.

Hij moet, wil hij het noodige gezag over de aan zijn zorgen toevertrouwde verpleegden kunnen handhaven en hun de noodige leiding kunnen geven, zelve blijk geven van een hoogstaand, degelijk, eerlijk en vertrouwbaar karakter; hij moet in heel zijn gedrag en ten allen tijde de waardigheid van zijn beroep tot uiting doen komen. Hij moet zijn de evenwichtige tusschen de rustige onder de verwarden en opgewondenen. Hij moet verdraagzaam zijn en geduldig, oneindig geduldig vaak, en hij moet zich tot het uiterste kunnen beheerschen.

Hij moet nauwkeurig zijn in het volbrengen ook van de geringste onderdeelen van zijn tak en van alle opdrachten, hem door den geneesheer opgelegd. Wie al deze karaktereigenschappen niet bezit en wie niet in staat is, misschien ook niet den moed heeft, ze bij zich zelf aan te kweeken, die moge zijn handen afhouden van dit hooge maar veeleischende beroep.

Wat de lichamelijk eigenschappen van een verplegende betreft, is slechts diegene voor de zware taak der krankzinnigenverpleging geschikt, die lichamelijk gezond is en vrij van ernstige gebreken. De gezondheid stelt in de eerste plaats in staat de zwaarste van het verplegingswerk te dragen en helpt op de tweede plaats mee aan het in standhouden van de levensvreugde en blijhartigheid, die men zelf moet bezitten om ze aan andere te kunnen mededeelen.

Zal nu diegene, die al deze geestelijke en lichamelijke eigenschappen bezit en daarbij toegerust is met een voldoende kennis, ten allen tijde in staat zijn om z’n zware taak te volledig en met vreugde te verrichten? Voor een groot deel misschien – ja, doch niet geheel. Daartoe is nog iets ander noodig en wel een bovennatuurlijke steun naast al die natuurlijke hulpmiddelen, de bovennatuurlijke Christelijke naastenliefde, de grondslag allen charitatieve arbeid. Dien bovennatuurlijke steun nu zal iedere geloovige verplegende kunnen vinden in de woorden van Christus, die wij als motto boven dit artikel plaatsten boven dit hoofdstuk.

Voordurend zullen die woorden hem bij zijn dagelijkschen afmattenden arbeid, dat hij verricht, niet alleen worden gedaan omwille van Christus, maar ààn Christus zelf. Met menschelijke sociale en ethische gevoelens zal men misschien in zeer veel gevallen hetzelfde kunnen bereiken.

Er blijven echter even zoo vele gevallen over, waarin menschelijke motieven te kort schieten in het geven van richting en steun, van troost en opbeuring in de moeilijke, dikwijls zelf ondankbare taak. Dan zal alleen de bovennatuurlijke naastenliefde, het weten, dat men in dien zoo ongelukkigen, hulpbehoevenden, verstandeloozen evenmensche toch nog altijd den Christus zelf kan blijven zien, den moed geven om niets, zelfs niet het kleinste onderdeel van zijn taak te verwaarloozen. Menig buitenstaander, menig beginneling in de verpleging heeft er geen oorstelling van, hoe zware eischen aan de verplegenden soms worden gesteld, hoe vaak nu menschelijk voelen en denken in opstand komt tegen zoo vele onderdelen van hun taak en hoe noodig daarbij een bovennatuurlijke steun is.

Krankzinnigenverpleging is ziekenverpleging

Krankzinnigenverpleging is ziekenverpleging. Het sta den verplegenden ten allen tijde voor ogen, dat hij hier evengoed met zieken te maken heeft als bij lichamelijk kranken. Dit wil echter niet zeggen dat beide soorten van verpleging op één lijn kunnen worden gesteld.

Wie de ziekenverpleging meester is, verstaat nog op verre na niet de krankzinnigenverpleging en het werk in een ziekenhuis is geheel anders dan dat in een inrichting voor zenuw- en zielszieken. Wel is het ook voor den krankzinnigenverpleger noodzakelijk, dat hij de verpleging van lichamelijk zieken grootendeels beheerscht. Daarnaast echter heeft hij noodig de zeer speciale kennis van de verschijnselen der krankzinnigheid, zooals wij die in de vorige hoofdstukken hebben uiteengezet, hij moet bezitten karaktereigenschappen, zooals wij in het begin van dit hoofdstuk opsomden en hij moet op de hoogte zijn van de bijzondere verplegingstechniek voor krankzinnigen, zooals wij die verder in dit hoofdstuk zullen leeren kennen.

Alvorens echter daartoe over te gaan moeten wij nog wijzen op enkele algemeene zaken, die van groot belang zijn met het oog op de zeer bijzondere werkkring in de krankzinnigengestichten.

Zin voor orde en netheid

Tot de belangrijkste eigenschappen van een verplegende behoort de zin voor orde en netheid. Niet genoeg kan de nadruk gelegd worden op de groote beteekenis van reinheid en properheid. Onreinheid is de bron van zeer vele besmettelijke ziekten, huidziekten, darmaandoeningen enz. en er moet dan ook naar gestreefd worden de patiënten zelf zoowel als hun verblijven te laten voldoen aan de hoogste hygiënische eischen.

On-ordelijkheid en slordigheid van de verplegenden werkt op de verpleegden bovendien zeer verkeerd; een ordelijke verpleger of verpleegster kan zelfs bij onrustige patiënten orden en regelmaat brengen, terwijl een slordige in de meest rustige atmospheer een geest van wanorde brengt.

Orde en regelmaat hebben onze patiënten noodig; elke wanordelijkheid prikkelt, maakt onrustig, brengt woeligheid en sticht nog grootere wanorde. De verplegende beginne in al deze dingen bij zichzelf, zorge voor netten en ordelijke kleeding, voor reinheid en netheid in geheel zijn voorkomen; hij onderhoude aan zich zelf de grondregels der hygiëne en wat betreft baden, mondreiniging, verzorging van zijn haar, baard en nagels.

Pas wanneer hij in zichzelf orderlijkheid en reinheid tot een tweede natuur heeft aangekweekt, kan hij zijn patiënten eveneens hierin op voeden.

Ordelijkheid in het gedrag

Van minstens even groot belang is de ordelijkheid in het gedrag. Onderlinge ruzie tusschen verplegers of verpleegsters, hooge woorden en onvriendelijkheid tegen elkaar, gebrek aan ernst of zelfs lichtzinnigheid, niet passende gesprekken, door de verpleegden beluisterd, dit alles heeft een uitermate slechten invloed op de patiënten en het gezag der verpleegenden word er ten zeerste door ondermijnd; en men bedenke, dat het gezag en het geestelijk overwicht zulk een kardinaal punt vormen in onze verpleging.  Het moet ook als een zeer groote fout worden aangerekend, wanneer een verplegende in tegenwoordigheid van patiënten kritiek uitoefent op mede-verplegenden, op afdelingshoofden en geneesheeren of zich zelfs maar geringschattend over hen uitlaat, want ook daardoor word het gezag ondergraven. Het moet evenzeer als een fout worden aangemerkt, wanneer verplegenden in tegenwoordigheid van patiënten onderling praten over eigen pretjes en particuliere aangelegenheden.


De verplegende moet gedurende den tijd, dien hij op de afdelingen doorbrengt, geheel en al toegewijd zijn aan de patiënten, in die uren voor de patiënten alleen leven en voor hun behoeften en nooden alleen zorg hebben. Geen onnoodig gepraat, en gelach onder elkaar, doch onverflauwde toewijding moet er zijn, waardoor de patiënten naar de verpleegster opzien als een naar een medevoelende huisgenoot, den verpleger beschouwen als een belangstellenden vriend.

Het behoeft natuurlijk nauwelijks gezegd, dat vroolijke omgang met de patiënten geenszins misplaatst is; integendeel, een verplegende met een zuur gezicht behoort niet tusschen de patiënten.

Eerlijkheid

Een volgende eisch is strikte eerlijkheid waar het betreft het eigendom der patiënten. Het zich toe-eigenen daarvan, al is het nog zoo gering, is diefstal en misbruik van vertrouwen. Wie zijn handen niet af kan houden van het kleinste bezit zijner patiënten, is voor zijn ambt niet geschikt. Het gebeurt helaas nu en dan, dat verplegenden zich versnaperingen of andere kleinigheden van een patiënt toeeigenen, vaak misschien in onbedachtzaamheid en met de bedoeling dit later wel weer terug te geven. Minder erg, doch even fnuikend voor het prestige, is het, dat verplegenden soms aan patiënten versnaperingen of andere dingen vragen. Zij laten zich te veel zien van hun kant van kleine zelfzuchtigheid en later zullen zij dit betreuren, want maar al te dikwijls maken de patiënten daar misbruik van door het hen bij gelegenheid te verwijten.

Bron: leerboek voor de krankzinnigenzorg
Van der loeff en Barnhoorn, 1930
 

You may also like...

Geef een reactie