Dementia Praecox, 1929

Voorlezing XXV: Dementia praecox of vroegtijdige zwakzinnigheid, 1929

Wij moeten u nu een ziektebeeld beschrijven dat in de krankzinngengestichten veel voorkomt. Het treedt gewoonlijk bij jeugdige mensen op, verloopt min of meer stormachtig om in den regel in stompzinnigheid te eindigen. De meeste geneesheeren nemen van deze ziekte drie verschillende vormen aan, al erkennen zij dat die vormen dikwijls in elkaar over gaan en het is in sommige gevallen onmogelijk te bepalen tot welken vorm de lijder gerekend moet worden.

De drie vormen zijn: de hebephrenie, de katatonie en de dementia paranoides. Tegenwoordig noemt men deze dementia praecox ook dikwijls schizophrenie (vrij vertaald beteekent dit: splitsing in de geestelijke vermogens)

Een belangrijk kenmerk van deze ziekte is een sterk in zichzelf gekeerd zijn, wat de doktoren autisme noemen (autos=zelf). Ze leven dikwijls in een zelf bedacht of gephantaseerd waanwereldje en nemen daardoor alles wat er om hen heen gebeurt nauwelijks waar, geven er niet om en laten zich niet makkelijk tot de werkelijkheid terug brengen.

1: De hebefrenie:

timmer1946_hebephrenieDeze hebephrenie verloopt gewoonlijk zonder veel opvallende verschijnselen; bij de lijders daaraan ontstaat langzamerhand, niemand kan een bepaald tijdstip noemen waarop de ziekte begonnen is, een achteruitgang in de geestelijke vermogens. Terwijl zij vroeger goede, vlijtige leerlingen waren, beginnen zijn nu achter te raken; nu eens meenen de onderwijzers met een onwillige te doen te hebben, dan weer is het duidelijk dat de leerling wel wil, maar niet meer kan.

Ook in zedelijk opzicht begint zich een verval te openbaren. Zij zijn zonder belangstelling voor hun omgeving, zij toonen geen eerbied en schijnen geen liefde meer te hebben voor hun ouders; vermaningen, bestraffing laten hun onverschillig, brengen althans geen blijvende verbetering en langzamerhand word zulk een patient stompzinnig; wat wandelen, eten en slapen, dat is zijn leven. In sommige gevallen, waar de zedelijke achteruitgang sterker is dan de verstandelijke, leven zij losbandig, drinken, zwerven, reizen, komen in slecht gezelschap en liegen en bedriegen om aan geld te komen.

Zij laten zich gewoonlijk moeilijk leiden en komen herhaaldelijk in gestichten, om ook daar gewoonlijk niet veel uit te voeren, wanneer men hen aan het lot overliet.

2: De Katatonie

Deze is voor u belangwekkender, ten eerste omdat gij daarbij vele der in vroegere hoofdstukken beschreven ziektebeelden zult aantreffen, maar vooral omdat deze lijders aan de verpleging bijzondere eischen kunnen stellen. Deze ziektevorm kenmerkt zich door een reeks stoornissen in de beweging.

Hiertoe behoren de u zoo goed bekende lijders, die stereotype- of herhalingsbewegingen uitvoeren, den geheelen dag allerlei zonderlinge bewegingen maken, die gewoonlijk geheel zinneloos schijnen te zijn. Deze staat voordurend zijn handen als vinnen te bewegen, gene draait telkens regelmatig zijn hoofd met een ruk om, een derde loopt twee passen voor, twee passen achteruit.

Behalve allerlei stereotype bewegingen, kennen wij ook dergelijke houdingen: de patient staat den ganschen dag als een wassen beeld, zit diep havermans1940-katatonievoorover gebogen op het puntje van zijn stoel, ligt in vreemde bochten gewrongen in zijn bed, houdt zijn hand zoo krampachtig gesloten dat de nagels door de huid naar binnen dringen. In sommige gevallen kan men het ontstaan van deze bewegingen en houdingen nog wel verklaren: zij blijken vroeger doelmatige handelingen geweest te zijn of in samenhang met hallicunaties gestaan te hebben, maar zijn nu volkomen zinneloos geworden. Iets zeer bijzonders van deze bewegingsstoornissen valt op, wanneer men tracht om een verandering in de beweging of in de houding te brengen. Dit bijzondere wisselt naar gelang van geval of het oogenblik: of de patient blijkt voor invloed sterk vatbaar of hij verzet zich tegen de verandering.

Is het eerste het geval, dan kan men bij den zieke de ledematen bewegen, alsof zij van was waren: zij blijven in elken stand dien men hen geeft staan; men spreekt dan van katalepsie of wasachtige buigzaamheid. Het is daarbij of de zieken volkomen willoos zijn. Maar in het andere geval verzetten de patienten zich tegen elke verandering: zij zijn er niet toe te brengen hun bewegingen te veranderen en weerstreven tegen elke verandering van houding. Het schijnt alsof de spieren verstijfd zijn, zooals wij hebben leeren kennen bij de contrakturen van ruggemergaandoeningen. Maar inderdaad is deze stijfheid een zich stijf houden, een zich zinneloos verzetten tegen elke verandering in de houding en dit verschijnsel, dat evenals de katalepsie op een wilsstoornis berust, bestempelen wij met den naam negativisme fo weerstreven.

Het openbaart zich niet alleen in spierspanning, maar ook in de meer samengestelde handeligen van de patient. Hij geeft geen antwoord op vragen, maar spreekt als men hem verlaten heef wil, of gilt en schreeuwt zonder bekende reden zoolang hij alleen is. Wanneer hij te bed ligt, is hij niet te bewegen het te verlaten, is hij er uit verwijdert dan wil hij er daarna niet meer in. Hij staat voortdurend voor de deur en tracht naar buiten te komen; opent men de deur voor hen, dan weigeren zij dikwijls er op uit te gaan.

Met de voedselopname gaat het dikwijls juist zoo; zij verzetten zich tegen elk voedsel, maar gaan uit hun bed en nemen het weg van de medepatienten om het dan haastig op te eten. Al deze handelingen dragen voor den niet ingewijde dikwijls het karakter van plagerijen, zoodat de familie dergelijke stoornissen gewoonlijk ook met den naam van dwarsheid of ondeugendheid bestempeld. Maar de ervaren verpleegkundige weet wel dat dit een ziekelijke stoornis van de wil is; dezelfde patient die het eene ogenblik heftig negativistisch is, blijkt het volgende oogenblik kataleptisch te zijn.

Duidelijke motieven zijn er voor dit vreemd gedrag gewoonlijk niet; in enkele gevallen mogen er waandenkbeelden, vergiftigingsvrees, hallicunaties of iets dergelijks aan ten grondslag. In de meeste gevallen zijn deze stoornissen een gevolg van willoosheid, die zich nu eens vertoont in den vorm van meegaandheid, dan weer in een bot verzet tegen wat een ander van hem verlangt.

De tot nu toe beschreven verschijnselen vat men samen onder den algemeenen naam van katatone verschijnselen en hebben den naam aan deze ziekte gegeven: katatonie.

timmer1946_stupor

Stupor

Maar de katatone vorm van de vroegtijdige zwakzinnigheid kan zich ook op andere wijze uiten: soms word de lijder opgewonden en vertoond dan verschijnselen die aan manie doen denken. Die zieken razen en tieren, hebben gedachtenvlucht en kunnen zeer grooten bewegingsdrang vertoonen, waarbij echter gewoonlijk een meer eentonige beweging optreedt; zij voeren meermalen achtereen dezelfde bewegingen uit en deze zijn zinneloozer dan de manische. Aan de andere zijde kan ook een stupor optreden, die in veel opzichten op den melancholischen gelijkt, maar ook weer minder gemotiveerd is.

Ook kan men bij deze lijders ook eigenaardigheden in de gewone handelingen opmerken: hiertoe behoren de zoogenaamde eetmanieren. Zij zullen hun lepel in hun mond laten draaien, maaken figuren in hun eten gelijk een kind; ze kunnen niet op gewone manier een hand geven, loopen met vreemdsoortige pasjes in het rond, maken allerlei vreemde grimassen bij het spreken en doen dat geaffecteerd lispelend onder het gebruik maken van deftige stadhuiswoorden.

Een hinderlijk verschijnsel kan worden de enorme speekselvloed waaraan de lijders dezer ziekte lijden: het speeksel druppelt voortdurend door den half geopende mond op de kleederen den patient. Soms komt dit doordat de patienten in hun wezenlooshuid verzuimen om het toevallig verzamelde speeksel door te slikken. Het kan ook een verhoogde speekselafscheiding zijn te vergelijken met een verhoogde zweetafschijding, congesties, polsversnelling etz.

Wanneer ik u ook nog vertel dat ook op hysterische gelijkende toevallen in het verloop van deze ziekte herhaaldelijk optreden zult u wel begrijpen dat deze lijders dikwijls allerlei verrassingen aan de verplegenden voorbereiden.

Wat het gevoelsleven betreft kan men zeggen dat dit gewoonlijk geen groote rol meer speelt. Zij verliezen spoedig de liefde voor hun familie en naasten en hechten zich weinig aan hen die dagelijks met hen omgaan en verzorgen.

Daarentegen kunnen lagere gevoelens nog lang bewaard blijven en schijnen door het wegvallen van de hoogere motieven meer tot uiting te komen: zeer vele lijders zijn, zooals wij dat noemen: erotisch.

Eros was bij de de Grieken de god der liefde en erotisch beteekent dus eigenlijk niets anders dan verliefd, maar bij ons gebruiken wij het woord meer in de zin van: lijdend aan verhoogde geslachtsdrift. Dikwijls hoort men leken zulk een verhoogde neiging tot geslachtelijke uitingen met den naam hysterie bestempelen. Wij weten echter dat hysterie een afzonderlijke zenuwziekte is, die niet met een verhoogde geslachtsdrift gepaard hoeft te gaan. De erotie deze patienten kan zeer lastig worden omdat zji herhaaldelijk en schaamteloos tot uiting komt. Zij maken zich aan zelfbevlekking schuldig over dag en in gezelschap van leden van het andere geslacht. Soms vallen zij verpleegsters lastig met onzedelijke bedoelingen. Deze zal zich er steeds op bedacht moeten zijn dat de tegenwoordigeheid van een vrouw prikkelend kan werken: zij behoort dan ook nooit op den rand van een bed te gaan zitten, jonge mannen op een afstand te houden en op de afdeling haar opgewekte vrolijkheid te matigen.

Ook tusschen vrouwen en mannen onderling kunnen verhoudingen ontstaan die een hartstochtelijk karakter hebben. Weest voorzichtig, want een hartstocht die niet bevredigd kan worden maakt het lot van de aan uwe zorgen toevertrouwden extra hard. Ook andere lagere gevoelens van honger, dorst vermoeidheid en walging verdwijnen dikwijls. De patienten worden slordig in de kleeding, roekeloos in hun gedrag.

Hoewel dikwijls belangrijke verbeteringen in de ziekte optreden en af en toe ook een stlilstand van het lijden intreedt, ligt het toch in den aard van den ziekte om langzamerhand over te gaan in stompzinnigheid. De zieken worden wezenloos, stellen nergens meer belang in en brengen het verdere deel van hun leven als planten door. Somtijds verrichten zij nog enigen arbeid als machines, familiebezoek waarderen omdat er dan versnaperingen worden medegebracht.

In vele gevallen blijven er nog enkele vreemde houdingen of dwangbewegingen bestaan. In zware vormen gaat zelfs het spraakvermogen verloren en kunnen de lijders niks anders doen den geheele dag op dezelfde plaatsje van de afdeeling zitten, onzindelijk en moeten als kinderen verzorgd worden. In de laatste jaren is gebleken dat vele van deze patienten toch wel aan de arbeid te krijgen zijn en in dit opzicht ook opvoedbaar zijn.

De verplegers van lijders aan katatonie moeten het goed observeren om den arts een behoorlijk rapport over hun doen en laten te kunnen maken omdat de patienten dikwijls hun vreemde bewegingen uitvoeren wanneer zij zich niet bespied wanen.

De steeds stilstaande patient, die door onbweeglijk staan oedemen, en winterhanden en –voeten of zweren kan krijgen, zal tot geregelde beweging moeten gebracht worden ten einde de circulatie van het bloed te verbeteren. Het nemen van beweging is voor deze lijders dan ook daarom van groot belang omdat bij hen zoo dikwijls tuberculose der longen optreedt. Arbeid in den buitenlucht is dan ook zeeker aan te raaden.

De neiging tot zelfverminking (mutulatie) kan ook zeer heftig, naast pogingen om zich zelf het leven te benemen, optreden. Soms zit er niks anders op dan naast het bed te gaan zitten om deze pogingen te verhinderen. Men moet er dus ook altijd op letten dat er geen deuren open blijven staan, nimmer schadelijke stoffen , carbol, ruw zoutzuur enz onbeheerd blijven en scharen en messen steeds geteld worden en weggesloten wanneer ze gebruikt zijn.

Hoe gij u te gedragen hebt tegenover het negativisme van deze patienten? Gij zult met goedvinden van uw geneesheer eerst trachten hem tot voedselopname, tot zindelijkheid enz. te krijgen en indien de lijder op uw verzoek niets wil gebruiken zult gij het bord met eten bij het bed plaatsen en heengaan. Wellicht dat hij zijn bord, wanneer hij zich onbespied waant, in korten tijd leeg eet.

Een eenvoudig middel om den patient zindelijk te houden is het toedienen van lavamenten, waarbij dan gewoonlijk ook overvloedig urine ontlast word. Wees steeds geduldig met den zieke, laat hem zoveel mgelijk vrijdheid en alleen wanneer het noodzakelijk is zult gij hem rustig, zonder veel woorden uit zijn bed tillen, hem reinigen en doen voor hem noodig is. Wanneer hij neiging vertoont u of een ander aan te vallen, waagt u dan niet alleen in zijn nabijheid. U roekeloos aan gevaar bloot stellen moogt gij niet; dit soort lijders kan zeer onverwacht aanvallen of met een vreemd, veel gebruikt woord, agressief optreden. Word hij gevaarlijk voor zijn omgeving, dan zal hij in veel gevallen geisoleerd moeten worden. Gij zult dit echter niet mogen doen zonder dat uw geneesheer of de hoofdverpleegster u daartoe toestemming geeft.

3:  De dementia paranoides:

timmer1946_dementiaparanoidesDe dementia paranoides is de derde vorm, waaronder de dementia praecox of schizo-phrenie verloopen kan. Paranoides beteekent: op paranoia gelijkend, en hiermee is deze ziekte reeds voor het grootste deel beschreven.

Bij deze lijders vinden we ook een samenhangende waanvorming. Echter onderscheid zich de waan hier door een meer onzinnig karakter en door een gepaard gaan met talrijke hallucinaties van allerlei soort. Gewoonlijk trachten de lijders deze hallucinaties te verklaren door het aannemen van eigenaardige natuurkrachten of andere beinvloeding. De gehoorshallucinaties worden door telefonen, of tegenwoordig veelal door draadloze telegraphie overgebracht, visioenen door luchtspiegelingen te voorschijn geroepen, gevoelshallucinaties – deze zijn zeer vaak van geslachtelijken aard – door electrische toestellen opgewekt. Dit alles geschied door vijanden die zich in hun verbeelding in de kelders of in geheime zalen van het gesticht bevinden. Dikwijls worden hiervoor ingewikkelde verklaringen gegeven.

Een andere eigenaardigheid van dezen waan is dat hij dikwijls buiten het gevoelsleven van de patient omgaat zoodat de lijder zeer kalm en zonder enige opwinding kan verklaren dat hij God is. Hij handelt er niet naar en blijft dezelfde, weining eischende patient.

Een gevolg daarvan is ook dat hij buiten zijn waan om een normaal mensch kan schijnen en dikwijls jarenlang nog goed kan arbeiden, zonder tot groote dementie te vervallen. Dezelfde man die de zonderlingste waandenkbeelden heeft, kan als gestichtstimmerman goede diensten verrichten. Intusschen loopt het langzamerhand toch wel op een zoodanige stompzinnigheid uit, dat de lijder zijn arbeid moet staken en ten slotte niet mee te onderscheiden is van de andere dementen.

Nog een eigenaardigheid die dikwijls gedurende het geheele leven blijft bestaan wil ik u vermelden: de neiging tot het vormen van eigen woorden en taal. Allerlei dwaze woorden worden door hem gevormd, woorden die niemand begrijpen kan, die in veele gevallen zelfs voor den lijder geen beteekenis hebben. Neemt dit verschijnsel sterk toe, dan kan het voeren tot het spreken van een eigen taal, een opeenvolging van zelf gemaakte woorden zonder enigen zin. Het lijkt er wel eens op, of de patient ons voor den gek wil houden en opzettelijk onzin spreekt, maar wanneer gij er eens de proef van neemt, dan zult gij bemerken dat gij met uw gezond verstand moeilijk zoo iets nadoen kunt.

Over de verpleging van deze laatste soort patienten heb ik u niets bijzonders te melden. Dat gij nuttelooze moeite doet, deze lijders hun waandenkbeelden uit het hoofd te willen praten, begrijpt gij wel, zonder dat ik het nog eens herhaal.

 

Bron: Voorlezingen over de verpleging van zenuwzieken en krankzinnigen Dr. J.C.Th. Scheffer, in leven geneesheer directeur van Endegeest en Rhijngeest. Vijfde herziene druk door Dr. A.H. Oort, eertste geneesheer aan het Sanatorium Rhijngeest. Met een voorwoord van Prof. Dr. G. Jelgersma Haarlem, De Erven Bohn, 1929

You may also like...

Geef een reactie