Electro Aversie therapie, EAT

EAT of Electro Aversie Therapie moet niet worden verward met ECT. EAT is een methodiek die vooral voor de gehandicaptenzorg is bedoeld en als laatste redmiddel in het bijzonder. Het is een methodiek die veel controverse veroorzaakt. Ik vind het vooral ook een methodiek die tot een discussie kan leiden over de grenzen van het toelaatbare. Als alle andere methodieken falen waar kies je dan voor: iemand in isolement of zelfs aan een ketting leggen of een methodiek die welliswaar verwerpelijk is maar tevens effectief met als resultaat dat de persoon in kwestie toch op een groep kan verblijven. Ik vel nadrukkelijk geen oordeel. Lees alles door en ga de discussie aan.

Er staan twee artikelen over EAT op deze site:

1) Hieronder een globale beschrijving.
2) Het officiele protocol.

Wat is EAT?

Electro-aversie therapie (EAT) is een (indringende en meestal ultieme) gedragstherapeutische methode c.q. techniek, die in duidelijk te omschrijven uitzonderlijke situaties op basis van zorgvuldige indicatie door daartoe opgeleide deskundigen wordt uitgevoerd. EAT kan onder de voorwaarden zoals vastgelegd in dit protocol tot het arsenaal van gedragsbeïnvloedende technieken van psychologische/orthopedagogische behandelaars gerekend worden.

EAT is gebaseerd op principes van operant en klassiek conditioneren (Pavlov). De behandeling bestaat uit het op systematische wijze toedienen van electrische prikkels bij het vertonen van (in de meeste gevallen) uitingen van zelfverwondend gedrag (ZG) en extreem ernstige gedragsproblemen bij mensen met een(meestal ernstige vorm van) verstandelijke beperking en/of autisme. De aversieve prikkel moet ervoor zorgen dat het ongewenste gedrag in frequentie en/of intensiteit afneemt. De stimuli worden op afstand (via een zendertje) toegediend en de electroden voor ontvangst zijn op het lichaam (meestal het bovenbeen) van de cliënt bevestigd.

In welke situatie kan EAT worden toegepast?

De groep mensen bij wie EAT kan worden toegepast is in dit protocol nadrukkelijk beperkt tot mensen met een ernstige verstandelijke handicap en extreem ernstige gedragsproblemen. Hierbij valt te denken aan ernstige zelfverwonding, levensbedreigend braken en zeer agressief gedrag.

  1. Het probleemgedrag levert een direct gevaar op voor de gezondheid van de persoon in kwestie en/of de gezondheid van anderen.
  2. Andere, meer gebruikelijke en minder ingrijpende behandelmogelijkheden zijn overwogen en uitgeprobeerd en hebben geen resultaat opgeleverd. Hiervan is verslag gedaan in het dossier.
  3. Bepaalde behandelmethoden bij de betreffende persoon zijn contra-geïndiceerd en er staat geen andere weg open om het ernstige gedragsprobleem te doen verminderen c.q. te beëindigen.

Indicatiestelling

Om tot indicatiestelling te kunnen overgaan moeten vier voorwaarden vervuld zijn:

1) Het gaat over een verstandelijk gehandicapte persoon met extreem ernstig probleemgedrag.

2) Er is sprake van een goed gedocumenteerd dossier.

3).Er is advies ingewonnen van een onafhankelijk deskundige.

4) Er is een goede besluitvormingsprocedure.

Het betreft een persoon met extreem ernstig probleemgedrag (diagnostiek)

Het is noodzakelijk extreem ernstig probleemgedrag zorgvuldig in multidisciplinair verband vast te stellen bij mensen met een verstandelijke beperking. De gedragsdeskundige heeft hierbij een primaire verantwoordelijkheid. Hulpmiddel hierbij is het consensus protocol ‘ernstig probleemgedrag’ (CEP): er moet daarbij sprake zijn van niveau 4. Dit gestandaardiseerde protocol wordt ook door de Centra voor Consultatie en Expertise (CCE’s) gehanteerd. Soms zijn mensen echter zo sterk mechanisch/fysiek beperkt (bijvoorbeeld door kokers, of vastgebonden in bed), dat zelfverwondend gedrag niet vaak voorkomt of voor kán komen. Een score 4 is niet voldoende als indicatie, maar is slechts een aanwijzing voor de ernst van de situatie.

Er dient duidelijkheid te zijn over de oorzaken van het ontstaan en de ontwikkeling van het probleemgedrag en over de factoren die het gedrag in stand houden1. Zowel naar biologische, pedagogisch/psychologische en omgevingsfactoren wordt onderzoek gedaan.

Aangezien sommige syndromen (bijvoorbeeld Lesch-Nyhan, Cornelia de Lange) gepaard gaan met zelfverwondend gedrag (gedragsfenotypen) dient in voorkomende gevallen onderzocht te zijn of er eventueel sprake is van een dergelijk syndroom

Belangrijke indicatiecriteria zijn:

  • Er is sprake van gedragingen die een direct gevaar voor het eigen leven van de persoon inhouden (bijvoorbeeld zeer ernstig zelfverwondend gedrag).
  • De situatie is niet direct levensbedreigend maar een vitale levensfunctie (zintuigen, spraakvermogen) dreigt ernstig verstoord te raken.
  • De gedragingen van de persoon in kwestie zijn zodanig agressief, dat de lichamelijke integriteit van andere personen ernstig aangetast dreigt te worden.
  • De gedragingen hebben geleid tot een zodanige situatie (apart zetten, fixeren, geen deelname aan activiteiten, etc.) dat betrokkene in een isolement dreigt te geraken. Ernstige contactverarming en onderstimulering zullen daarvan het gevolg zijn.

De bovengenoemde indicatiegrenzen dienen zo strikt mogelijk bewaakt te worden. Onvoorziene problemen of individuele bijzonderheden kunnen overschrijding ervan in uitzonderlijke situaties wellicht noodzakelijk maken, maar dienen dan wel expliciet verantwoord te worden. Overleg hierover en zowel interne als externe verantwoording is noodzakelijk Uiteraard dient ook nagegaan te zijn of er sprake kan zijn van een mogelijke contra-indicatie.

Dit artikel is een onderdeel van het protocol. Dit protocol is tevens op deze website te vinden.

 

You may also like...

Geef een reactie