Familie in de psychiatrie, 1940

Puur toevallig stuitte ik op twee stukjes over de omgang met familie. beide in hoofstukken specifiek voor verpleegkundigen.

Tegenwoordig zijn er speciale organisaties en belangengroeperingen voor familie van patienten. Als je de ondertoon in de hiernavolgende stukjes weet te traceren begrijp je meteen waar de reden van die ondersteuning vandaan komt. Dat familie in die tijd het etiket van lastig en ondeskundig opgeplakt krijgt is in zekere zin wel te begrijpen: als je de toegepaste behandelingsmethoden en de resultaten bekijkt is het zonder meer te begrijpen dat familie de kant van de patient kiest en het niet begrijpt en in verzet komt. Dat een dergelijke atitude lastig kan zijn is ook nog wel begrijpelijk. Maar om de familie van clienten als ondeskundig, dom en lastig te bestempelen, zegt wel iets over de arrogantie van de Heeren Geneeskundigen in die tijd.
Zelfs in de relatief milde boeken die ik tot op heden heb gelezen, is de toon die word aangeslagen als de familie ter sprake komt tenenkrommend. En natuurlijk ga ik daarvan een paar voorbeeldjes geven.

Voorbeeld 1: Zielszieken, zenuwzieken en hun verpleging
1936 Van der Loef en Barnhoorn, blz 428/430

Om verschillende redenen tracht de geneesheer zooveel mogelijk te bevorderen, dat de patiënten geregeld door hun familieleden worden bezocht. Vooreerst kan dit voor den toestand van den lijder van voordeel zijn: hij blijft daardoor in contact met zijn gezin, zijn familie, en zijn huiselijke aangelegenheden en een geheel autistisch in zichzelf terugtrekken kan er door worden tegengegaan; ook ziet men herstellende patiënten door een bezoek soms en eens zeer veel verbeteren. Vervolgens is een regelmatig familiebezoek ook nuttig, om den band tusschen het groote publiek en de gestichten nauwer aan te halen en de resten van wantrouwen, misplaatste vrees en verkeerde denkbeelden ten opzichte van de verplegings- en behandelingsinrichtingen voor zielszieken te doen verdwijnen.

Om laatstgenoemde reden is het ook gewenscht, dat de bezoekende familieleden nu en dan eens met het inwendige van het gesticht en zijn afdeelingen kennis maken, eens zien, waar hun verwanten verpleegd worden, leven, werken, zich eens met hun eigen oogen overtuigen, wat er voor hen wordt gedaan. Er bestaan over onze gestichten onder het volk vaak nog zulke verkeerde en dwaze voorstellingen; laat de menschen zelf een een kijkje nemen, waardoor zij een beter idee krijgen, wat een modern gesticht is.

Er zijn gevallen, waarin familiebezoek moet worden ontraden, zelfs geweigerd. Denken wij b.v. slechts aan patienten, die in heftig opgewonden of verwarden toestand verkeeren of die tengevolge van hun waan tegen hun bezoekers aanvallend zouden optreden en er heftig door geprikkeld zouden worden of wier huiselijke omstandigheden mede als oorzaak van hun ziekte moeten worden aangemerkt en die door het weerzien van hun familie juist in hun toestand zouden kunnen achteruitgaan. In ieder geval zal geen bezoek worden toegelaten, zonder dat de geneesheer daarover is geraadpleegd.

Het is noodzakelijk, dat bij ieder familiebezoek een zeker toezicht wordt uitgeoefend. Dit kan noodig zijn in het belang van de familieleden die b.v. door een in opwinding geraakten patiënt zouden kunnen worden lastiggevallen. Meer nog is dit toezicht noodzakelijk in het belang van de patienten zelf, want lang niet altijd zijn de bezoekende familieleden verstandige menschen.

Er zijn er, die den patient met kracht van woorden trachten te overtuigen van de verkeerdheid zijner waandenkbeelden en hem ten slotte daardoor zóó prikkelen, dat hij van het bezoek meer schade dan nut ondervindt. Er zijn er ook, die uit misplaatst medelijden den patient nu eens erg goed willen doen en hem als het ware volstoppen met allerlei snoeperij en eetwaren, zoodat hij het bezoek met een maag-darmkatarrh moet bekopen.  Weer anderen zijn er, die aan den verpleegde op zijn verzoek of misschien wel met kwade bedoelingen (familie van rechtbank patienten) geld, een mes, een schaar, touw en derg. geven.

Ten slotte zijn er ook, die van het bezoek misbruik maken door het verrichten van ongeoorloofde sof althans in de gegeven omstandigheden misplaatste sexueele handelingen. Ter voorkoming van al dergelijke verkeerde uitvloeisels van het familiebezoek dienen de verplegenden een oog in het zeil te houden en te rechter tijd de familieleden een opmerking te maken. Vinden niet-toelaatbare dingen plaats en zijn de bezoekers niet terstond bereid een gegeven verbod op te volgen, dan heeft de verplegende den plicht om hiervan de directie in kennis te stellen.
Ten slotte herhalen wij nog eens het reeds vroeger gezegde omtrent het geven van inlichtingen over den toestand, den aard der ziekte en de voorspelling van het ziekteverloop aan de familieleden, die er den verplegenden om vragen. Voor al dergelijke inlichtingen verwijze men hen naar den geneesheer.

Ook al weet men toevallig op de gestelde vragen te antwoorden, toch ga men er liever niet op in. Natuurlijk is er volstrekt niets tegen om bereidwillig verschillende vragen der familieleden over de patienten te beantwoorden; zoodra men echter op het terrein van den geneesheer komt, laat men het inlichten aan hem over.

 

Voorbeeld 2: Timmer, leerboek voor verpleegkundigen, 1947
Hoofdstuk 6, Het beroep van verpleegkundige en de daaraan verbonden eisch op het gebied van vaardigheid en ethiek.

Paragraaf 12, Algemeene maatregelen.

Het familiebezoek vereist eveneens van het personeel een grote mate van inzicht. Niet alle familiebezoeken zijn, alleen op grond van het feit, dat zijn niet tot de patiënten behoren, als tactvolle personen te beschouwen, die volkomen bekend zijn met alles wat bij een tactvolle omgang met geesteszieken vereist is.

Aangezien echter het gesticht of de kliniek voor de patiënten is, en het nuttig is, dat de patiënten geregeld bezoek ontvangen en het bovendien voor het gesticht van belang is, dat het publiek weet dat de gestichten geen oorden van verschrikking zijn, moeten wij steeds de bezoekers als graag geziene gasten beschouwen. Toch kan het wel eens voorkomen, dat de familieleden meer moeilijkheden voor het personeel opleveren, dan de patiënt, dien zij komen bezoeken.
Evenzeer als aangaande uw gedrag ten opzichte van patiënten geen vaste regels zijn te geven, zo is het eveneens onmogelijk, om een vaste gedragslijn tegenover ontactvolle bezoekers mede te delen. In vele gevallen zien zij, dat het gedrag van de patiënten tegenover hun bezoekers anders, dan tegenover het personeel. Sommige zwijgzame patiënten worden mededeelzaam en toeschietelijk, andere weer worden tengevolge van het bezoek boos en opgewonden, eisen hun ontslag. In het laatste geval is het te overwegen of het bezoek maar niet liever voor een bepaalde tijd verboden moet worden.

Zeer onaangenaam voor het personeel is het, wanneer psychopaten allerlei verzonnen klachten over slechte behandeling opdissen. In dergelijke gevallen mag men nimmer zijn kalmte verliezen, ook wanneer dokter of hoofdverpleegster een onderzoek gaan instellen naar de gegrondheid dezer beschuldigingen. Een rustig gedrag werkt ontwapenend op een groep onbeschaafde schreeuwers en van de rechtvaardig onderzoek heeft niemand iets te duchten, die niets heeft misdaan.
Het zal vaak voorkomen, dat bezoekers u inlichtingen over patiënten vragen. Voor zover het er om gaat, vragen te beantwoorden betreffende het gedrag der patiënten is er geen bezwaar tegen, dat de gevraagde inlichtingen door u verschaft worden; wanneer het echter vragen betreft aangaande de aard en het beloop van de ziekte, is het uw taak de bezoekers naar den dokter te verwijzen.

 

You may also like...

Geef een reactie