Geschiedenis van de Rehabilitatie

Rehabilitatie, een beknopte geschiedenis.

De eerste tekenen van een rehabilitatie gerichte aanpak zien we al rond 1800. De franse psychiater Pinel introduceert werk als behandeling voor “krankzinnigen”.

Zijn uitgangspunten waren:

– Discipline en moraal moeten gehandhaafd blijven (structuur) – De herstelmogelijkheden zijn het beste wanneer mensen terug keren naar vroegere interesses en werk ( revalidatie / rehabilitatie)

In Engeland introduceert Samuel Tuke werk als therapie, de z.g. Moral Treatment. Hij legt de nadruk op menselijke benadering. Rond 1924 voert de Duitse psychiater Simon actieve therapie in. Hierbij staat het activeren van het gezonde deel van de persoonlijkheid centraal.

Het was de Nederlandse arts Querido die al voor de tweede wereldoorlog de kiem legde voor een sociale psychiatrie met sterke rehabilitatietrekken. Hij richtte in de dertiger jaren in Amsterdam het eerste ambulante team op. Later kwam hier de sociaal-psychiatrische dienst, de voorloper van het RIAGG, uit voort. Zo’n 70 jaar na de eerste initiatieven van Querido zien we een revival van zijn mobiele teams en het in ere herstellen van de sociaal-psychiatrische thuiszorg.

Wereldwijd kan het ontstaan van de rehabilitatie zoals wij die kennen gesitueerd worden in en vlak na de tweede wereldoorlog. In zowel Amerika als Engeland verschoof toen de aandacht van het puur medisch-curatieve naar pogingen om iets te doen aan (al dan niet blijvende) beperkingen In het kielzog van somatische revalidatie kwam er ook aandacht voor psychische revalidatie en de rehabilitatie van personen met lichamelijke en/of psychische problemen in het arbeidsproces.

Deze ontwikkeling werd veroorzaakt door een tweetal factoren. Allereerst was er grote behoefte aan arbeidskracht in de oorlog. Met veel jonge mannen aan het front en een grote oorlogsindustrie was iedere hand hard nodig. Ook kinderen en gehandicapten konden zich nuttig maken, mits er aangepast werk gecreëerd werd. In de tweede plaats kwam er aandacht voor soldaten die in de oorlog lichamelijke of psychische beschadigingen opliepen. De maatschappij voelde zich ook moreel verschuldigd deze mannen in staat te stellen een zo gewoon mogelijk leven te leiden. Indien nodig werd er aangepast werk gevonden.

Zo vond een overgang plaats van het medische handelen naar het sociaal-maatschappelijke handelen. Nadat men medisch gezien uitbehandeld was, volgde revalidatie en dan arbeidsrehabilitatie. Het gaf een grote impuls aan het ontstaan van beschutte industriële werkplaatsen in de ziekenhuizen. Daarnaast werd er meer aandacht geschonken aan verbetering van het therapeutisch milieu. In deze periode werd door Maxwell Jones het concept van de therapeutische gemeenschap ontwikkeld.

Hoewel zijn ideeën in eerste instantie bedoeld waren voor het afdelingsmilieu binnen het ziekenhuis, betrok hij deze ook op de mogelijkheden om te reïntegreren in de maatschappij. De echte stap naar herintegratie werd voor mensen met de ernstiger beperkingen echter niet gezet. Deze kwam pas op gang onder invloed van de-institutionaliserings beweging in de jaren zeventig.

Hoewel het proces om de inrichtingen te ontvolken vooral een economisch motief had, werd zij mede gelegitimeerd door ideologische kritiek. De beweging van de antipsychiatrie (o.a. Laing) en de democratische psychiatrie (o.a. Basaglia) droegen er toe bij dat ziekenhuizen verkleind dan wel gesloten werden. De leidende gedachte was dat niet de (chronische) aandoening als zodanig bestond, doch dat de subcultuur van de inrichting de aandoening in stand hield (hospitalisatie?)

Deze opvatting leidde er toe dat er vaak te weinig alternatieve voorzieningen getroffen werden. Al spoedig bleek dat een grote groep thans ex-patiënten geheten mensen in de kou kwam te staan. Zij bleek niet in staat zich zelfstandig te redden. Het werd duidelijk dat het zogenaamde hospitalisatiesyndroom in veel gevallen additioneel was geweest aan basale stoornissen en beperkingen, die onafhankelijk van de invloed van de omgeving voort bleven bestaan. Deze ontdekking gaf belangrijke impulsen voor het ontstaan van de rehabilitatiebeweging in de tachtiger jaren.

In eerste instantie was de rehabilitatiebeweging gericht op het ontwikkelen van alternatieve zorgarrangementen, veelal als vervanging/aanvulling voor beperkingen en handicaps. Deze stroming werd met name aangestuurd vanuit de “community psychiatrie” (Bennet) en vanuit sociaal-wetenschappelijke praktijken (o.a. Caplan)

Bennet, de man van de milieugerichte benadering ontmoette onder andere Querido en Schroder van der kolk en bezocht enkele voor die tijd kleinschalige voorzieningen.

De aandacht die Querido besteedde aan sociaal-economische en maatschappelijke problemen zoals werkeloosheid, huurschuld en huisuitzettingen maken ook tegenwoordig weer deel uit van het sociaal-psychiatrische domein.

Bennet zag wel wat in deze aanpak keerde terug naar Engeland met het idee ook daar dit soort voorzieningen op te richten. Deze Engelsman wordt daarmee gezien als de grondlegger van de rehabilitatiebeweging in Europa.

Hij werkte in de oorlog op een marineschip en ging zich na de tweede wereldoorlog specialiseren in de psychiatrie. Hij ontmoette Maxwell Jones die pleitte voor therapeutische gemeenschappen in plaats van het in stand houden van asielen. Eigenlijk stond Jones de rehabilitatiegedachte voor, zij het van een heel andere soort.

Door persoonlijke omstandigheden kwam Bennet te werken in een verblijfspaviljoen waar hij zijn ideeën over rehabilitatie kwijt kon. In het begin stuitte hij op veel weerstand omdat men vond dat je deze (chronische) groep mensen met rust moest laten. Later kreeg hij in een kliniek in een volksbuurt van Londen te maken met een groep mensen die steeds maar weer terugviel. Op basis van die problemen moest hij zijn visie op de rehabilitatie steeds blijven ontwikkelen. Hij werd daarbij geholpen door onder andere sociologen die hem hielpen sociologische aspecten te implementeren. Ook werkte hij samen met mensen uit de verenigde staten, in het bijzonder Boston. In de verenigde staten zelf heeft het begrip rehabilitatie vooral inhoud gekregen door de gevolgen van de tweede wereldoorlog. Dr. M. Farkas van de universiteit van Boston, belangrijke vertegenwoordiger van de ontwikkelingsgerichte aanpak verteld daar het volgende over:

Na deze oorlog werd een rehabilitatiewet aangenomen die regelde dat in elke Amerikaanse staat een rehabilitatiebureau gevestigd werd met als taak de vele lichamelijk gehandicapte oorlogsveteranen aan een baan te helpen. Het beroep van de medewerkers van deze bureaus werd zeer gewaardeerd en had een hoge status. Het ging immers om mensen die hun land gediend hadden, te helpen bij het vinden van werk. En werk behoort tot de fundamentele ethiek in de Amerikaanse samenleving.

Meestal waren de medewerkers gepensioneerde zaken- en ambachtslieden die wisten wat er zoal bij een baan kwam kijken en die emoties herkenden omdat ze die zelf ook opgelopen hadden in de eerste wereldoorlog. Psychische problemen werden afgedaan met een schouderklopje, een enkele keer werd een beroep gedaan op een consulterend psycholoog of psychiater.

In 1954 deed een commissie onderzoek naar het functioneren van de enorm grote psychiatrische staatsziekenhuizen. Rond deze periode werden de eerste stappen gezet in de richting van deinstutionalisatie mede door nieuwe medicamenteuze mogelijkheden. In 1963 werd een wet aangenomen die de echte deinstitutionalisatie inluidde en die ook regelde dat er psychiatrische voorzieningen gerealiseerd werden.

Druppelsgewijs kwamen mensen uit de psychiatrische ziekenhuizen binnen bij de staatsbureaus voor rehabilitatie die nooit eerder psychiatrische patiënten gezien hadden. Het duurde tot 1973 dat de bureaus officieel belast werden met de zorg voor mensen met beperkingen ten gevolge van een ernstige psychiatrische ziekte. Vanaf die tijd ontstond er een stroomversnelling waarbij je je moet realiseren dat tussen 1972 en 1982 56% van het aantal plaatsen in de psychiatrische ziekenhuizen afgebouwd zijn.

Ook de hoogleraar Prof. Dr. Robert P. Liberman, een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de probleemgerichte aanpak, mag niet ontbreken in dit stukje over rehabilitatie geschiedenis.

Toen hij midden jaren zestig studeerde aan de Harvard Medical School was psychoanalyse de gebruikelijke behandelingswijze voor mensen met schizofrenie.

Liberman behandelde schizofrene patiënten met psychodynamische technieken en het effect was nihil. Er werd hem gezegd dat hij meer succes zou hebben met de minder zware poliklinische patiënten omdat die meer inzicht zouden hebben in hun eigen ziektebeeld. Hij moest de groep zware patiënten maar links laten liggen, wat hij gelukkig niet deed. Toen hij een jonge patiënt tegenkwam op wie de psychoanalytische aanpak geen effect had, maakte hij afspraken met hem die erop neerkwamen dat hij alleen zou luisteren als de jongeman verstaanbaar praatte. Na een half jaar kon de jongen het ziekenhuis verlaten en werd hij geholpen met het vinden van werk, een woning en het contact met zijn familie werd hersteld. Op basis van die resultaten zou hij later een trainingsmethode ontwikkelen die er op gericht is mensen vaardigheden aan te leren die ze nodig hebben om beter in de maatschappij te kunnen functioneren en minder kwetsbaar te zijn.

De zestiger en zeventiger jaren zijn ook een periode in de geschiedenis waarin maatschappelijke ontwikkelingen invloed op de psychiatrische zorg uitoefenen. Het is een periode waarin emancipatie, vrijheid en individuele ontwikkeling centraal staan. Je kunt dan denken aan vrouwenemancipatie, burgerrechten en de positie en rechten van de zwarte bevolkingsgroepen.

Een logische ontwikkeling binnen de psychiatrie was de emancipatie van de psychiatrische patiënt. Belangrijk daarbij is een ontwikkeling die de anti-psychiatrie is gaan heten. De kern van die ontwikkeling was verzet tegen de onmondigheid van de patiënt en de grote instituten waar je nauwelijks meer uitkwam. Van uit die optiek is het Amsterdams model ontwikkeld. Dit model stelt de patiënt en zijn wensen en mogelijkheden centraal. Belangrijk uitgangspunt is dat patiënten niet meer in de grote instituten in bossen en de duinen verblijven maar in hun oude omgeving kunnen wonen of behandeld worden.

Rond 1980 komt de ontwikkeling in Nederland pas echt goed op gang. Er is aandacht voor zorg voor mensen met langdurige psychiatrische problematiek.

– De RIAGG’s ontstaan
– Er komen beschermende woonvormen
– De eerste DAC’s en arbeids-rehabilitatie-projecten ontstaan door gebrek aan werk en dagbestedingsmogelijkheden.
– De ontoegankelijkheid van de sociale werkvoorzieningen.

In 1990 wordt een begin gemaakt met het deconcentreren van psychiatrische ziekenhuizen naar kleinschalige woonvormen in stad of dorp.

– Deeltijdbehandeling, ambulante begeleiding en psychiatrische thuiszorg.
– Groei van beschermd en begeleid wonen.
– Toename arbeidsrehabilitatie en dagbestedingprojecten als brugfunctie tussen zorg en samenleving.

Rond 2000 gaan de ontwikkelingen door met het persoongebonden budget, verdere vermaatschappeling en integratie van verschillende stromingen en benaderingen.

You may also like...

Geef een reactie