Hen Rumke, 1893-1967

Psychiater (Leiden 16-1-1893 – Zürich 22-5-1967). Zoon van Christian Ludwig Rümke, huisarts, en Cornelia Gerardina Kips. Gehuwd op 24-2-1921 met Nelly Catharina Bakker (1889-1976), zenuwarts. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

RümkeHCHen Rümke kwam uit een typische doktersfamilie. Een studie geneeskunde lag daarom voor de hand. Na in Leiden en Den Haag – de stad waarheen het ouderlijk gezin in 1905 was verhuisd – het gymnasium te hebben doorlopen ging hij in 1911 medicijnen studeren aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Zeven jaar later legde hij daar zijn semi-artsexamen af. Zijn eigenlijke opleiding tot zenuwarts ontving Rümke in de Amsterdamse Valeriuskliniek, bij L. Bouman, hoogleraar theoretische biologie, psychiatrie en neurologie aan de Vrije Universiteit. Hij ontmoette er zijn latere echtgenote, die hier eveneens arts-assistent was.

Waarom de uit een volstrekt buitenkerkelijk gezin stammende Rümke assistent werd in deze toentertijd streng gereformeerde psychiatrische inrichting, is niet duidelijk. Mogelijk voelde Rümke zich bij deze keuze aangesproken door Boumans opvatting dat het voor de psychiatrie van belang was zich te oriënteren op de psychologie en daarbij – zij het met reserves – ‘ook de beschrijvingen van dichters en kunstenaars te gebruiken die ook voor den wetenschappelijken psycholoog belangrijke bijdragen geleverd hebben’.

Hoe het ook zij, Rümke nam zich deze aansporing ter harte en heeft zijn psychiatrische beschouwingen steeds gelardeerd met verwijzingen naar de schone letteren. Daarnaast heeft hij in deze jaren ook zelf geprobeerd als dichter voet aan de grond te krijgen. Reeds tijdens zijn studiejaren deed hij poëtische pogingen. Hij zocht contact met Albert Verwey, door wie hij graag begeleid wenste te worden. Aanvankelijk hield deze dichter de zaak wat af, maar Rümke hield vol, en in 1917 publiceerde Verwey enkele verzen van hem in het tijdschrift De Beweging .

Waarschijnlijk door Bouman op dit spoor gezet, schreef Rümke het proefschrift Phaenomenologische en klinisch-psychiatrische studie over geluksgevoel . Aangezien Bouman aan de Vrije Universiteit niet het ius promovendi bezat, promoveerde Rümke hierop bij C. Winkler, hoogleraar in de neurologie en psychiatrie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, op 5 juni 1923. Deze dissertatie was de eerste omvangrijke Nederlandse publicatie over het gebruik van de fenomenologische methode in de psychiatrie en als zodanig een mijlpaal. Rümke verwierf op deze wijze een reputatie als fenomenologisch psychiater, terwijl de opname van zijn proefschrift in vertaling in de prestigieuze serie Monographien aus dem Gesamtgebiete der Neurologie und Psychiatrie internationale aandacht op hem vestigde.

Gedurende zijn jaren in de Valeriuskliniek legde Rümke tevens zijn eerste buitenlandse contacten: tussen 1920 en 1922 verbleef hij steeds gedurende enige weken in Zwitserland. In 1927 maakte hij, om zich nader te verdiepen in de psychotherapie, een maand durende ‘leeranalyse’ door bij de psychiater Alphonse Maeder in Zürich.

Toen zijn mentor L. Bouman in 1925 naar Utrecht vertrok om daar hoogleraar te worden, werd Rümkes positie aan de Valeriuskliniek spoedig marginaal. Eind 1927 vroeg K.H. Bouman, de hoogleraar psychiatrie en neurologie aan de Universiteit van Amsterdam, hem in zijn polikliniek te komen werken. Rümke accepteerde het aanbod en werd in 1928 eerst assistent, later chef de clinique in het Amsterdamse Wilhelmina-Gasthuis (‘Paviljoen Drie’).

Naast het werk in de kliniek publiceerde Rümke verscheidene artikelen in Nederlandse en Duitse vaktijdschriften. Belangrijk voor zijn reputatie als psycholoog was zijn boek Inleiding in de karakterkunde uit 1929, een eerste Nederlandstalig overzicht van wat later persoonlijkheidsleer zou worden genoemd. Bij Rümke omvatte het echter meer, omdat hij bijvoorbeeld ook veel aandacht schonk aan de biologisch gegeven constitutie. Reeds in deze tijd vindt men bij Rümke – en dat zal karakteristiek voor hem blijven – een brede oriëntering binnen de psychiatrie en een weigering zich vast te leggen op één bepaalde richting.

Hij wilde niet slechts een traditionele – somatisch georiënteerde – psychiater zijn, maar evenzeer een psycholoog. Terwijl de psychologisch geïnteresseerde psychiaters zich doorgaans uitspraken voor de psychoanalyse dan wel de fenomenologische richting, wenste Rümke beide benaderingen toe te passen. Deze werkwijze moge erudiet en lofwaardig zijn, ze moet hem in die jaren toch parten hebben gespeeld. Tot driemaal toe liep hij, mede door zijn niet ondubbelzinnige profiel, een hoogleraarspost mis: in 1929 in Groningen, in 1931 in Leiden en in 1932 aan de Universiteit van Amsterdam.

In 1933 werd Rümke op voordracht van L. Bouman benoemd tot conservator van de Utrechtse psychiatrische en neurologische kliniek en tot bijzonder hoogleraar in de ontwikkelingspsychologie. Na Boumans overlijden in 1936 besloot de faculteit, in navolging van hetgeen elders reeds was geschied, diens leerstoel te splitsen. W.G. Sillevis Smitt werd benoemd als ordinarius voor de neurologie, terwijl aan Rümke de psychiatrie werd toevertrouwd. Voor Rümke moet dit een ideale situatie geweest zijn.

Hij kon zich nu verder als hoogleraar bezighouden met psychiatrie op een vooral psychologisch georiënteerde wijze, met klinische behandeling en psychotherapie van patiënten en hoefde zich niet meer te bekommeren om formele verplichtingen ten aanzien van de neurologie.
Het college ontwikkelingspsychologie dat Rümke voorheen gaf, behoorde nu niet langer tot zijn onderwijsverplichtingen, maar hij behield het toch. Het werd het college medische psychologie, in de jaren van de Duitse bezetting één van de bekendste en meest bezochte colleges, ofschoon het voor niemand verplicht was.
Het werd gegeven op een tijdstip dat er nauwelijks andere colleges waren – woensdag van 17.15 tot 18.00 uur – en kon door studenten van allerlei faculteiten worden bezocht. Rümke behandelde er in hoofdzaak de stof uit zijn twee psychologische werken, namelijk het eerdergenoemde Inleiding in de karakterkunde en Levenstijdperken van den man uit 1938. Daarbij besteedde hij veel aandacht aan Klages en aan de ontwikkelingspsychologie. Afwisselend werden door hem ook steeds gedurende een jaar de theorieën van S. Freud, C.G. Jung en A. Adler behandeld. Vooral wanneer hij – zo ongeveer als enige in die tijd – sprak over seksuologische onderwerpen, hingen vele honderden studenten aan zijn lippen.

Voor de psychologie in Utrecht is Rümke ook anderszins belangrijk gebleven: hij was jarenlang verantwoordelijk voor de inleiding in de psychopathologie. Van ongeveer 1950 tot 1958 is hij bovendien lid geweest van de examencommissie psychologie.

Met zijn benoeming tot hoogleraar in de psychiatrie had Rümke een top bereikt in zijn carrière en wetenschappelijke ontwikkeling. De onderwerpen waarvoor hij zich binnen zijn vakgebied interesseerde, lagen vast, hij had een omvangrijke kennis van de literatuur en veel praktische ervaring opgedaan. In de volgende jaren werden deze inzichten en ervaringen toegepast en uitgewerkt. Naast een groot aantal gelegenheidsbijdragen en enige inhoudelijk-psychiatrische artikelen schreef Rümke vooral na 1945 vele beschouwingen waarin hij de plaats probeerde te bepalen van zijn vakgebied in de zich snel moderniserende wereld.

Tal van nieuwe ontwikkelingen deden zich voor: de geestelijke gezondheidszorg breidde zich uit, en de wereld werd door toenemende mobiliteit, groeiende informatievoorziening en technische innovaties steeds kleiner. Rümke beperkte zich niet louter tot het uitoefenen van zijn vak. Met een zekere nieuwsgierigheid bemoeide hij zich met de gevolgen van maatschappelijke ontwikkelingen voor de geestelijke gezondheid en de geestelijke gezondheidszorg, en hij zocht daarbij voor zichzelf – als lid van tal van commissies en besturen – een leidende rol. Een aantal van zijn artikelen voegde Rümke telkens samen tot zijn veelgelezen ‘bundels over psychiatrie’. Tussen 1954 en 1967 verscheen zijn driedelig handboek Psychiatrie , dat echter veel minder invloed heeft uitgeoefend.

Intussen was Rümke ook als dichter actief gebleven. In 1934 was onder het pseudoniem H. Cornelius zijn bundel De afgelegde weg verschenen. Aan het einde van zijn carrière schreef hij in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen een uitgebreid essay Over Frederik van Eeden’s Van de koele meren des doods , waarvoor hij in 1964 de Henriëtte Roland Holst-prijs ontving.

Op het eerste wereldcongres over geestelijke gezondheid te Londen in 1948 werd Rümke door de Angelsaksische psychiatrie ‘ontdekt’. Sindsdien bezette hij verschillende leidinggevende posten binnen de World Federation for Mental Health (WFMH), waardoor hij ook in het buitenland aanzien verwierf. Deze internationale erkenning heeft hem en de Nederlandse psychiatrie goed gedaan. Allerlei vooraanstaande personen uit de WFMH bezochten hem privé te Utrecht, en in Rümkes kliniek zaten buitenlanders soms in de rij te wachten om door hem ontvangen te worden.

Ook zelf trok hij erop uit en vertegenwoordigde zo de Nederlandse psychiatrie in het buitenland. Na zijn emeritaat in 1963 werd Rümke uitgenodigd een jaar gasthoogleraar te zijn aan de universiteit van Ann Arbor in de Verenigde Staten. Het is in dit verband typerend dat hij in 1967 stierf te Zürich: in het buitenland, ten gevolge van een hartaanval tijdens een lezingentour door Duitsland en Zwitserland

 

You may also like...

Geef een reactie