Homosexualiteit en geloof, 1952

1952 Homoseksualiteit en zielszorg (het geloof)

Met zielzorgers word bedoeld pastoors, dominees, predikanten en andere kerkelijke functionarissen. Dit boek is bedoeld als informatiebron voor zielszorgers die met psychiatrische patiënten in aanraking komen.

Hoofdstuk 11, De Homosexuele mens.

Iedere zielszorger zal homosexuele mensen op zijn weg ontmoeten. Naar schatting komt homosexualiteit bij ongeveer 3% der bevolking voor. Zuiver is dit getal nooit te geven, daar er toch mensen met homosexuele neigingen zijn, die deze gevoelens uit schaamte niet naar buiten openbaren. Zij komen voor onder alle rangen en standen. Wel geven zij aan bepaalde beroepen een voorkeur. We vinden hen nogal eens onder kappers, onderwijzers, leiders van jeugdkampen en verplegers (!)

Het is niet waar dat homosexuelen vooral onder mannen gevonden worden. Wel valt het onder mannen meer op. Vrouwen toch gaan vrijer en intiemer als vriendinnen met elkaar om, zonder dat dit opvallens is.

Meisjes, die bij elkaar logeren, samen slapen, elkaar kussen en omarmen, tegen elkaar aangedrukt gearmd lopen, worden niet direct als homosexuelen aangemerkt, hoewel in deze verhoudingen meer homosexuele neigingen tot uiting komen dan men over het algemeen wel denkt.

Ook wordt homosexualiteit door omstandigheden, waarin voor heterosexuele verhoudingen geen gelegenheid is, in de hand gewerkt. We denken aan homosexuele verhoudingen in kostscholen en kampen en ook wel onder militairen in oorlogstijd, als het contact met het volle leven niet mogelijk is. In die gevallen wordt wel gesproken van pseudo- of noodhomosexualiteit. Deze groep plaatst men dan tegenover die andere, waarbij, ook als homosexualiteit meer inhaerent is aan de persoonlijkheid, waarbij, ook als de gelegenheid tot heterosexuele contacten aanwezig is, toch het homosexuele contact word verkozen.

Die tweede groep word dan getypeerd als die van de echte homosexualiteit, die zich kenmerkt door een van de jeugd af aanwezige onnatuurlijke driftrichting. Zij, die tot deze groep behoren, zouden dan ter wereld komen met een in hun lichamelijke structuur aanwezige afwijking, waardoor zij beslist zullen uitgroeien tot homosexuelen.

Voor het voorkomen van een aangeboren homosexualiteit pleit het meest het feit, dat bij eeneiige tweelingen homosexualiteit op gelijkvormige wijze kan verlopen. We moeten echter vaststellen, dat er nog weinig positieve gegevens zijn die het voorkomen van een aangeboren homosexualiteit wettigen.

Vaststaande anatomische afwijkingen en geslachtsklieren, hersenen en tussenhersenen zijn in dit verband nog niet gevonden. Werd, wat de tussenhersenen betreft, door sommigen op de mogelijkheid van afwijkingen van vorm en functie gewezen, dan waren het dezelfde veranderingen die ook bij sommige psychopathieën werden gevonden. Ze bleken dus niet specifiek voor homosexualiteit te zijn. Wel zou hierin een heenwijzing gevonden kunnen worden naar een verband tussen psychopathie en homosexualiteit. Ook konden in de hormonenproductie, noch van de geslachtsklieren noch van andere klieren met inwendige afscheiding, duidelijke veranderingen worden vastgesteld.

Dat neemt niet weg dat we, onafhankelijk van de ontstaanswijze, toch wel degelijk in hun openbaringswijze twee typen van homosexuelen willen onderscheiden, nl hen, die ook terwijl zij de mogelijkheid hebben heterosexuele contacten te leggen, toch altijd op homosexuele contacten uit zijn en hen, die alleen tot homosexuele verhoudingen komen indien er voor de heterosexuele geen kans bestaat.

Is een onderscheiding in aangeboren en verworven homosexualiteit niet op voldoende gronden te maken, een verschil tussen echte en pseudo- of noodhomosexualiteit is zeker verantwoord.

Het doet in onze verhouding tot de homosexuele mens echter weinig toe.

Tolsma geeft in dezen als zijn ervaring weer, dat juist die gevallen, waar aan een z.g. aangeboren factor zou kunnen worden gedacht, dus waar we werkelijk afwijkingen vinden, voor een psycho-therapeutische beïnvloeding zeer toegankelijk zijn. Daarentegen zegt hij, zijn homosexuelen, die een typische ontwikkelingsknik in de prae-puberale of puberale vertonen en daarbij een sterke fanatieke gezindheid hebben, pas na een lange voorbereiding tot een veranderd inzicht te brengen. Juist deze patiënten hebben dikwijls geen enkele lichamelijke afwijking, maar demonstreren een starheid en fanatisme, welke aan de psychiater-therapeut hoge eisen stellen.

Er is echter nog een indeling die kan worden gemaakt die in een ander vlak ligt, n.l. in het ethische. Er zijn homosexuelen, die hun-anders-gericht-zijn als vanzelfsprekend aanvaarden, die geen strijd kennen en ook niet willen gecorrigeerd zijn. Er zijn ook anderen, die hun hele leven lang gebukt gaan onder hun afwijking, die er al maar door tegen strijden. Hun ethisch en religieus besef komt in botsing met hun afwijkende neigingen.

De groepering in deze twee typen is van meer waarde voor de zielszorg. Allereerst al zal de confrontatie met deze tweede groep, de zielszorger en ieder mens tot de overtuiging brengen dat een houding van afkeer en minachting tegenover de homosexuele mens in zijn geheel onjuist, ongevoelig en onchristelijk is.

De homosexuele mens met zijn afwijkende sexuele drang, die uit ethische en religieuze motieven tegenover het voldoen van deze drift altijd weer neen moet zeggen, is een mens, die gedurig moet strijden, voor wie de zielszorger diep respect dient te hebben. Ook als hij in die strijd een zou onderliggen. Voor hem toch zijn de gevolgen dan direct zo zwaar. De kans dat hij met de strafrechter in aanraking komt is groot. De gevangenisstraf dreigt.

Zelfverwijten, dat hij, indien zijn homosexuele daden hebben plaats gevonden met een minderjarige, deze jeugdige mens voor zijn leven in een verkeerde richting kan hebben geleid, bestormen hem.

Als de heterosexuele mens in sexuele zonden valt, zijn doorgaans de gevolgen niet zo zwaar, soms in ’t geheel niet merkbaar. Voor dit type homosexuele mens krijgt het Paulinische woord van de doorn in ’t vlees, “een engel des satans, die hem met de vuisten slaat” eerst recht betekenis. Doch ook het “Mijn genade is u genoeg”. In deze geest zal de zielszorger tegenover deze homosexuele mens staan, gedreven door grote liefde en hartelijk medevoelen.

Het is goed dat de zielszorger bij het bieden van steun aan deze mensen, altijd de mogelijkheid van het aangeboren-zijn van de afwijking afwijst. De homosexuele mens mag niet, zelfs niet, als het bestaan van een aangeboren homosexualiteit vastere vormen aannemen zou, gebukt gaan onder de enorme druk van het onafwendbare van een aangeboren afwijking, waaraan nooit iets te veranderen zou zijn. Hem moet autoritair worden verzekerd dat de gedachte van ’t aangeboren zijn van zijn homosexualiteit neiging ongegrond is, dat hij zichzelf suggereert, dat het nog zelfs nooit wetenschappelijk is vastgesteld of er wel aangeboren homosexualiteit voorkomt. Hem moet niet op zijn aanleg, waarvan het bestaan dubieus is, worden gewezen, maar op zijn houding.

Het is n.l. van het grootste belang hoe deze mens zelf tegenover zijn homosexuele neiging komt te staan. Hij moet allereerst gewezen worden op het feit, dat als ’t er op aankomt, hij toch niet zo geisoleerd in het leven staat als hij wel denkt. Dat hij wel altijd weer zijn sexuele driften moet beheersen en hieraan geen voldoening kan schenken, maar dat er onder homosexuelen toch ook velen zijn, die in een gelijke postitie verkeren, ja, zelfs in omstandigheden die nog moeilijker te verwerken zijn. Vooral de manlijke homosexueel is dit vaak een argument dat indruk maakt. Laat de zielszorger hem dan wijzen op de jonge vrouw met sterke sexuele drift, wier uitleving, indien zij geordende kansen kreeg, niet alleen volkomen aanvaardbaar werd geacht, maar ook inderdaad zou zijn, en die kansen niet krijgt. Heeft zij minder strijd in haar leven te voeren? En hoevelen zijn er, die zo strijden moeten? Kunnen zij dit wel? En zou hij dit niet kunnen?

Voorts moet de homosexueel erbij bepaald worden dat hij aan zijn neiging, omdat zij niet aanvaardbaar is, daar ze tegennatuurlijk is, dan toch zeker geroepen is de strijd aan te binden. Zijn neigingen toch zijn in strijd met de aanleg en bestemming van zijn op geslachtleven betrekking hebbende organen. Zijn geslachtsapparaat wordt op tegennatuurlijke wijze gebruikt.

Zijn geslachtsleven wordt verlaagd tot op zichzelf staande sexuele bevrediging zonder wezenlijke liefde. Bij zijn homosexuele handeling maakt hij gebruik van een ander mens, ook in strijd met diens geslachtelijke bestemming en diens dikwijls zelfs natuurlijke neiging. Zelfs kan een ander door zijn daad voor zijn leven van de natuurlijke sexuele weg worden afgeleid en ook ongelukkig gemaakt. Het toegeven aan deze tegennatuurlijke neiging zal een voortgaande verzwakking van zijn ethische gevoelens bewerkstelligen en de ontaarding vergroten.

In de zielszorg van de homosexuele mens zal en mag zeker niet verwaarloosd worden zijn verhouding tegenover God, die hem naar lichaamsbouw schiep als man of vrouw en hem als zodanig verantwoordelijk stelde.

Natuurlijk zal men de zielszorger dan tegenwerpen: “maar God schiep mij ook in mijn afwijkende aanleg”. Hiertegen kunt ge al sterk staan door te weten dat er van deze bepaalde aangeboren aanleg nog geen enkele zekerheid bestaat. Doch ook, al zou eens vast komen te staan dat er in aanleg bij die bepaalde mens een afwijking van het normale aanwezig is, dan nog kan altijd gewezen worden op het feit dat hij hem of haar de bouw in zijn totaliteit, naar de door God geschapen vorm der geslachtsorganen, toch de bedoeling heeft dat die bepaalde mens een man of vrouw is.

Voorts zal de zielszorger de homosexuele mens er op wijzen, dat God hem ook verantwoordelijk zal stellen voor zijn gedragingen tegenover andere mensen, voor zijn misbruik van anderen, voor zijn verleiden van anderen en het door zijn toedoen verongelukken van anderen.

Er is echter nog een andere kant, dat ieder lijden in zich draagt. Het lijkt goedkoop om hiermee aan te komen dragen. Toch blijft er die gouden omlijsting van alle lijden.

Er is niets in het mensenleven dat de mens meer vormt als lijden en strijd. Ook in zijn verhouding tegenover God. Het leert verlangend uitzien naar verlossing en genade. Het leert ook het genadewoord van Christus voor eigen hart aanvaarden: “Mijn genade is u genoeg”. In Christelijke liefde gebracht is dit voor de homosexuele mens niet alleen een troostwoord, maar ook het krachtwoord.

Er zijn echter ook homosexuelen die hun anders-zijn als vanzelfsprekend aanvaarden, die voor correctie en psychotherapie niet vatbaar zijn, op wie ook de zielszorger in zijn gesprek geen greep zal krijgen, die steeds weer met de strafrechter in aanraking komen, omdat zij minderjarigen in hun homosexuele handelingen betrekken. Deze, ethisch afgestompte figuren vertonen doorgaans nog andere degeneratieve kenmerken. Ook tot andere perverse handelingen zijn ze in staat, terwijl intellectstoornissen niet zelden aanwezig zijn.

In deze gevallen wordt wel tot operatieve behandeling van de geslachtsklieren, de castratie, overgegaan. Soms is een gunstig gevolg hiervan te constateren, de sexuele drang verstilt, de ontremming neemt af. Recidieven, waarbij mensen weer terugvallen in hun oude neigingen, komen echter ook voor.

Uiteindelijk, om met oude woorden te spreken, zit de bevrijding in de overwinning van de geest over het vlees. Uit de door gegeven gedragslijn van de zielszorger tegenover de homosexuele mens, kan niet worden geconcludeerd, dat de zielszorger tegenover die mens een niet-veroordelende houding moet aannemen. Hij zal tegenover iedere homosexuele daad en neiging veroordelend moeten staan, doch veroordelend in liefde. Deze houding mag de homosexueel echter nooit in het isolement drijven. Hij staat reeds genoeg geisoleerd, eenzaam te midden van de anderen, die anders voelen dan hij, hem niet begrijpen kunnen en willen, hem afstoten. Door hem af te stoten wordt deze mens nog meer in zijn eigen homosexuele gevoelsleven opgesloten.

Daarom zal de zielszorger met de vereenzaamden een gedurig contact moeten onderhouden, hen niet alleen aan de weg laten staan, maar hen opnemen in gemeenschapsverband met anderen. Voor één ding zal hij zich echter hoeden: deze mensen een plaatst te geven in verenigingsverband met jongeren. Dat willen zij wel graag. Ze zullen er wellicht om vragen, of er voor hen geen plaats is in een tak van arbeid onder de jeugd. Ze vragen dit misschien met de beste bedoelingen, mogelijk om als Christen onder de jeugd het evangelie te mogen uitdragen. Op de bodem van deze wens ligt echter de homosexuele drang.

Laat de zielszorger hiervoor steeds een open oog blijven houden en hierin afwijzend blijven staan. De homosexuele mens moet niet alleen blijven staan. Onder jeugdigen moet hij echter niet arbeiden of ontspanning zoeken.

Zielszorgers verkeren veel onder jonge mensen. Ik denk aan catechisatie en jeugdwerk. Laten zij deze jonge mensen ook in hun gedragingen tegenover elkaar gadeslaan. Ouder zien vaak de tekortkomingen of verkeerde houdingen van hun kinderen niet. Ze willen ze vaak niet zien.

De zielszorger doet voor de toekomst van de jongen of het meisje een prachtig werk, als hij diligent is, wanneer kinderen van hetzelfde geslacht een te sterke binding aan de dag leggen, wanneer twee zich bij herhaling afzonderen, te veel belangstelling voor elkaar krijgen. Voor hen onmerkbaar, op tactvolle wijze, moet hij die twee dan uit elkaar halen. Dit geldt met name voor de jongens, doch ook wel voor de meisjes. Praeventie is met ’t oog op de verdere ontwikkeling en ook wel met betrekking tot het wakker worden van homosexuele neigingen van ’t grootste belang.

 

(1952) De homosexuele mens

Bron: Zielszorg en Psychiatrie
Door Dr. B.Chr. Hamer, Psychiater,
Uitgeverij J.H. Kok, Kampen, 1952

 

You may also like...

Geef een reactie