1940 – 1950 Insuline shocktherapie

De insulineshocktherapie of insulinekuur was één van de shocktherpieën die werd toegepast in de jaren rond de oorlog naast de electroshock en de cardiozolshocktherapie. In dit artikel zijn uit 4 boeken de beschrijvingen van deze therapie verzameld.

Schermers leerboek 1950

Zoals we reeds geruime tijd bij dementia paralytica (schizofrenie) de malariatherapie toepassen, zo wordt sedert enige jaren bij beginnende schizofrenie de shocktherapie aangewend. Wanneer de patiënt hoogstens een half jaar ziek is kan men in vele gevallen goede resultaten bereiken. Ook bij patiënten die reeds langer ziek zijn ziet men soms succes.
helaas blijft het gevaar voor recidief na alle geslaagde behandelingen bestaan: en niet alleen bij schizophrenie, ook bij andere psychosen wordt deze behandeling met succes toegepast. (schermer’s, 1950)

Barnhoorn 1937

‘Voor den psychiater die hunkert naar verrijking van zijn therapeutisch kunnen, is de verschijning van Sakel’s publicaties in 1934/1935 over een ‘‘Neue Behandlungsmethode der Schizofrenie’’ geweest als een nieuwe komeet aan den sterrenhemel’, schrijven Barnhoorn e.a. in 1937.

Alhoewel het begin van ICT steeds direct geassocieerd wordt met de naam van de Weense dr. Sakel, is hij niet de eerste geweest die onderzoek deed naar de therapeutische mogelijkheden van insuline (Barnhoorn e.a. 1937; Müller 1952).
Vrijwel direct na de ontdekking van insuline in 1922 werden verschillende experimenten opgezet. Zo werd insuline onderzocht bij cervicale laesies, decompensatio cordis, tuberculose en tyfus. In de psychiatrie werd insuline het eerst gebruikt bij wat toen melancholische depressie genoemd werd (Cowie e.a. 1923). Insuline wekte de eetlust op en verminderde de voedselweigering. Vele auteurs na Cowie meldden toepassing van insuline bij voedselweigering, onafhankelijk van de diagnose. De dosering lag laag: tussen de 2 en 10 Eenheden.

Als bij toeval werd de invloed van insuline op (andere) psychotische symptomen ontdekt. Zo meldde Targowla (1927) het verdwijnen van een catatone toestand en Appel (1929) een snelle remissie van de psychotische episode bij schizofrenie. Onbedoelde hypoglycaemische coma’s leidden soms tot een verbazingwekkende verbetering. Schmidt (1931) ging insuline toepassen bij psychosen en verhoogde de doseringen tot 60 à 80 Eenheden, met goede resultaten (Luchtigfeld 1988). Schmidt en zijn vele navolgers vermeden angstvallig een klinische hypoglycaemie en gaven daarom bij elke insulinetoediening ook glucose.

Kemperer (1932) gebruikte insuline met succes bij delirium tremens. Als directe voorloper van Sakel kan Steck beschouwd worden. Door systematisch onderzoek (1929) van glucosespiegels tijdens de insulinekuren ontdekte hij een verband tussen de demping van manie en de mate van hypoglycaemie. Waarschuwde Steck nog voor het optreden van een coma, Sakel maakte dit tot de kern van zijn therapie bij morfine- onttrekkingsverschijnselen. Dit werd ook door anderen gedaan (Anton en Jacobi 1930). De effecten op psychotische symptomen en onrust waren zodanig gunstig dat Sakel besloot tot meer systematisch onderzoek.
Onder de destijds bekende dr. Pötzl heeft Sakel vijf jaar in een Weense kliniek zijn methode kunnen onderzoeken. Alhoewel zijn eerder genoemde boek (1935) behoorlijk bekritiseerd werd (ontbreken theoretische verklaring, twijfel over de wel zeer gunstige resultaten), duurde het niet lang voordat de therapie ruim toegepast werd in Europa, de VS en Japan (Cramond 1987).

Vele congressen werden er rond ICT georganiseerd (1937 Münsingen en München, 1938 Amsterdam en Chicago, 1948 Marberg, 1950 Parijs). Ook in Nederland is de methode, ondanks kritiek (Hutten 1936), op ruime schaal toegepast, voornamelijk bij schizofrenie (Vaessen 1957)


Beschrijving insulinekuur in Havermans, 1940

De insuline in ons lichaam heeft als taak: het op peil houden van het suikergehalte van ons bloed. Schiet de insuline in haar taak tekort, dan stijgt dit suikergehalte en de suiker word zelfs door de nieren uitgescheiden (suikerziekte). Spuit men zoo’n zieke insuline in dan daalt het suikergehalte weer.
Nu was opgevallen, dat suikerzieke geesteszieken, die met insuline werden ingespoten, zoo rustig werden na een injectie. Daarop heeft Dr. Sakel uit Weenen bij schizophrenen zeer groote hoeveelheden insuline ingespoten. Hierdoor daalt het suikergehalte van het bloed sterk; tengevolge daarvan ontstaan opwindingstoestanden, hongergevoelens, bevingen en tenslotte verliest de zieke het bewustzijn. Hij zweet veel en soms ontstaan krampen. Nadat deze toestand één uur heeft geduurd, dient men suiker in overmaat toe, waarop de zieke prompt tot het bewustzijn terugkeert. Het suikergehalte in het bloed word weer normaal.
De kuur word dagelijks toegepast, met één rustdag per week. Noch bij de insulinekuur mag, net als bij de cardiazolkuur, de psychische behandeling achterwege gelaten worden.

de insulinekuur heeft de beste resultaten bij de lijders aan dementia paranoides. Overigens verschillen ook deze resultaten weinig van die der cardiazolkuur. Ook hier geld de regel: hoe eerder behandeld, zooveel beter resultaat. De het invoeren van deze nieuwe geneesmethoden is er dan ook een zeer speciaal motief ontstaan voor de vroegtijdige opname van schizophrenen in de verpleeginrichtingen.

De insulinetherapie in Schermer’s leerboek, 1950

Insuline-shock-therapie werd voor ’t eerst toegepast door Dr. Sakel in Wenen. Deze wijze van behandeling eist veel zorg en oplettendheid van de zijde van de geneesheer en het verplegend personeel, en is te vergelijken met een ernstige operatie. Daarom wordt deze therapie liefst toegepast onder toezicht van hierin ervaren en geschoold personeel. We vermelden hieronder alleen de hoofdzaken.
Insuline is het bekende medicament (product van de interne secretie der alvleesklier) dat ingespoten word bij lijders aan diabetes en de hoeveelheid suiker in het bloed (bij diabetes verhoogd) doet dalen.
Spuit men dit insuline in bij iemand die niet te veel suiker in het bloed heeft, en verhindert men hem tegelijkertijd om koolhydraten te nemen, dan ontstaat een toestand van een te gering suikergehalte in het bloed, de z.g. hypoglycaemie.
Daalt dit suikergehalte belangrijk, dan ontstaat er een shocktoestand, gepaard gaande met bewusteloosheid; een toestand, die met levensgevaar gepaard gaat, maar die door toediening van druivensuiker gemakkelijk en snel kan onderbroken worden.



De kuur bestaat nu hierin, dat men de patiënt enige weken elke dag (behalve zondag) 1 a anderhalf uur brengt in een toestand van coma.

Dit doet men alzo:’s morgens om 6 uur b.v. spuit men hem insuline in en wel in stijgende hoeveelheid, dus als de patiënt nog nuchter is. Men bereikt dan na enige dagen de hoeveelheid, die nodig is en de insuline-shock treed op. Eerst ontstaat meestal een stadium van geweldig zweten met grote onrust en bewustzijnsstoornis; dit gaat daarna over in een diepe slaap of in bewusteloosheid. Tevens zien we dikwijls tonische en klonische krampen en soms een echt epileptisch toeval.

Na een uur of anderhalf laat men de patiënt weer ontwaken door toediening van suiker met de maagsonde of door een steriele druivensuikeroplossing in een ader te spuiten.
Tijdens dit coma moet streng gecontroleerd worden de pols en de ademhaling, om direct te kunnen ingrijpen als er ernstig levensgevaar dreigt, hetzij door het inspuiten van een prikkelend middel voor hart en ademhaling, hetzij door het afbreken van het coma met suikertoediening. Als de patiënt weer tot bewustzijn is gekomen, mag hij flink eten, en kan dan meestal aan het middagmaal weer deelnemen.

Hoe lang men de kuur voortzet, hangt af van het volgende; of er verbetering komt in de psychische toestand, en, of de patiënt er tegen kan.
Bronnen:
Beknopte psychiatrie voor sociaal werkenden, Dr. F.M. Havermans, Romen & Zonen, Roermond, 1940
Schermer’s leerboek bij het verplegen van Krankzinnigen en zenuwzieken Dr. B.Chr. Hamer en J.H. Haverkate Stichting Veldwijk, Ermelo, 1950

You may also like...

Geef een reactie