Joseph Guislain, 1797-1860

Dit artikel is gekopieerd van de prachtige website van het Museum Dr. Guislain in Gent in Belgie. Het artikel is niet meer dan een beknopte beschrijving van deze toonaangevende figuur in de Belgische en waarschijnlijk ook Europese psychiatrie. Ik kan iedereen dan ook aanraden de website of het museum (virtueel of in het echt) te gaan bezoeken. Het is een schier onuitputtelijke bron van informatie over de geschiedenis van de psychiatrie, niet alleen in belgie maar voor heel europa.

Joseph Guislain (1797-1860) werd kort na zijn dood ‘de Belgische Pinel’ genoemd,  naar Philippe Pinel, de arts die in het revolutionaire Frankrijk de ‘gekken’ uit hun ketenen had bevrijd. Meer dan een kwarteeuw had Guislain op de bres gestaan om het lot van geesteszieken (‘aliénés’) te verbeteren. Hij was de stuwende kracht achter de ‘Belgische wet op de behandeling van krankzinnigen’ (1850). Bij leven kreeg hij veel erkenning maar vrij snel na zijn dood raakte hij in vergetelheid.

Verlichting

In de tweede helft van de 18de eeuw veranderde, onder invloed van de ideeën van de Verlichtingsfilosofen, de houding tegenover ‘gekken’. Verlichte geesten keerden zich tegen de mensonwaardige behandeling van geesteszieken in gevangenissen en middeleeuwse krochten – vastgeketend, verwaarloosd, uitgebuit, te kijk gezet.

Er woei een nieuwe wind door Europa, een nieuwe ideologie, een nieuwe menselijkheid. De rede zou triomferen, zelfs de ‘verduisterden van geest’ zouden weer tot rede gebracht worden. Er was hoop: een nieuwe therapie, de morele behandeling, en een nieuw instrument, het asylum of retreat. guislainIn Engeland en Frankrijk waren er al in de 17de eeuw asielen voor geestesgestoorden, uitgebaat door privé-personen die begoede patiënten opvingen. Afzondering van de buitenwereld zou heilzaam werken.

Ook van belang was wat Michel Foucault iets te simplificerend en te veralgemenend de ‘Grote Opsluiting’ heeft genoemd. De maatschappij wou zich beschermen tegen het door industrialisatie en urbanisatie toenemend aantal deviante mensen. Bedelaars, landlopers, criminelen en zieken die de de burgerlijke orde bedreigden werden opgesloten.

Het was ook de tijd van beginnende medische specialisatie. Enkele artsen maakten van de nood een deugd en legden zich toe op mentale stoornissen. Aanvankelijk kwam dat vooral neer op tot zelfcontrole stimuleren, de ontspoorde burger moreel heroriënteren. Maar al doende leerde men. In de inrichtingen bedachten de ‘médecins aliénistes’ (zoals de eerste psychiaters zichzelf noemden) gaandeweg allerhande technieken en behandelingen.

Morele behandeling

De meest vernieuwende gedachte was ongetwijfeld dat ‘zotten’ geestesziek zijn – ziek van geest, dùs te genezen. In Engeland keerden midden 18de eeuw doorgaans religieus geïnspireerde leken zich af van brutale dwangmiddelen en weinig werkzame fysieke middelen (aderlatingen, purgeer- en braakmiddelen). Ze ruilden ze in voor ‘morele’ (psychologische) middelen: de geesteszieken uit hun ziekmakende omgeving halen; opnemen in een liefst op het platteland gevestigde leefgemeenschap; hen vriendelijk en zachtaardig behandelen; hun vertrouwen winnen door direct persoonlijk contact; inwerken op hun rede en emoties.

Dit ‘moral treatment’ werd door artsen overgenomen. Philippe Pinel (1745-1826) trok de meeste aandacht. Krankzinnigheid was, stelde hij, een mentale stoornis en moest dus met mentale middelen genezen worden. Belangrijkste instrument daarbij was het asiel, met de geneesheer in de centrale rol. De arts moest dwingende autoriteit uitstralen, door zijn moreel gezag greep krijgen op de gealiëneerden, hun ziekelijke waanideeën doorbreken. Door arbeid en verstrooiing van hun dwangmatige gedachten afleiden. Niet meteen een medische behandeling, maar wel een hele vooruitgang; het begin ook van empirische observatie en rationele verklaring.

Het therapeutisch optimisme was groot, het asiel werd geïdealiseerd. Ook in de VS, waar begin 19de eeuw verscheidene landelijk gelegen asielen werden opgericht.

Vlaanderen

Bij ons werd de beweging op gang gebracht door kanunnik Petrus-Jozef Triest (1760-1836) en Joseph Guislain. Ze bevrijdden de Gentse geesteszieken uit ketenen en krochten, introduceerden de morele behandeling, ijverden voor een nieuwe wetgeving, richtten een moderne instelling op.

Begin 19de eeuw had Triest twee congregaties opgericht, de Zusters van Liefde (van Jezus en Maria) en de Broeders van Liefde. Ze zetten zich in voor de misbedeelden: wezen, armen, bejaarden, blinden, doofstommen, ongeneeslijk zieken, krankzinnigen. In 1815 namen de Broeders de zorg op zich voor de ‘gekken’ die in mensonterende omstandigheden in het Geraard de Duivelsteen zaten, een 13de eeuwse burcht. Ze zouden “verdienstige werken doen voor die ellendige en aerme en krankzinnige menschen, daer onse Eerweide Vader de selve aensag als zijn liefste vrienden” (De broeders van Liefde, 56). Maar de huisvesting bleef lamentabel en ze hadden geen middelen, konden weinig meer dan de ongelukkigen menslievend behandelen en in leven houden.

Guislain, die uit een begoede architectenfamilie kwam, koos voor de geneeskunde. Een keuze die mee bepaald werd door het bezoek dat hij als jongeman aan het Duivelsteen had gebracht. Dat had hem, schreef hij later, diep geraakt: “slecht verzorgde zieken, walgelijk, bedekt met ongedierte, opgesloten in hokken waarvan de onreinheid ieder denkbeeld te boven gaat. (…) Slecht gevoed, beroofd van alle troost, verlaten, vergeten zelfs van hun bloedverwanten en hun vrienden, sterven zij op het einde op een ellendige wijze, bij gebrek aan zorgen en bijstand”.

Guislain leefde in een woelige tijd: Franse bezetting, Nederlandse overheersing, Belgische omwenteling; de veldtocht van Napoleon tegen Rusland, de slag van Waterloo. In 1819 studeerde hij af aan de twee jaar voordien opgerichte universiteit van Gent. Zijn studie over het lot van de geesteszieken werd in 1825 bekroond. Zo leerde Triest hem kennen.  Guislains felle kritiek op de toestand in het Duivelsteen liet het Gentse bestuur niet onverschillig. Triest kreeg zijn zin, in 1828 werden de krankzinnigen overgebracht naar het voormalige Alexianenklooster dat was omgebouwd volgens de principes van Guislain (afzonderlijke afdelingen voor verschillende categorieën krankzinnigen, zaal voor medische behandeling, badtherapie…). Guislain werd aangesteld als hoofdgeneesheer. De congregatie leverde verplegers en opzichters, Guislain bracht ze de beginselen van moderne geestesziekenzorg bij.

Geleidelijk kreeg Guislain meer aanzien en gezag. Zijn in 1833 verschenen Traité sur les Phrénopathies, ou Doctrine nouvelle des malades mentales vond weerklank in het buitenland; in 1835 stelde de Gentse universiteit hem aan als hoogleraar in de fysiologie.

De hele tijd bleef hij ijveren voor de geesteszieken, onverdroten stelde hij de laksheid en onverschilligheid van de overheid aan de kaak. Gemeenten hadden geen geld voor opname en verzorging, lieten de ‘gekken’ loslopen en, als dat niet meer kon, borgen ze zo goedkoop mogelijk op. Guislain wou concentratie per provincie in nieuwe, speciaal ingerichte gebouwen, bestuurd door congregaties.

In 1841 stelde de regering een commissie aan waar Guislain deel van uit maakte. Het rapport van de commissie was vernietigend. Twee derde van instellingen was in handen van particulieren die er geld uit klopten. Bijna overal ontbrak het aan medische zorg, registers werden slecht bijgehouden, naar de gealiëneerden werd ternauwernood omgekeken. Er moest dringend gesaneerd en ‘moreel’ behandeld worden. In 1846 kwam er een wetsontwerp dat in 1850 in de reeds vermelde wet uitmondde (in Frankrijk kwam er een krankzinnigenwet in 1838, in Nederland in 1841). Het was een grote vooruitgang: geesteszieken kregen meer bescherming en rechtszekerheid; hospitalisatie en therapie werden omschreven, de taak van de geneesheer en zijn relatie tot het bestuur afgebakend, en alle instellingen kwamen onder toezicht van de regering. In 1849 breidde Guislain zijn onderwijs uit met een facultatieve cursus klinische psychiatrie. Aanschouwelijk onderricht, met levende voorbeelden, de colleges gingen door in de Gentse inrichtingen voor krankzinnigen. Deze lessen – de aanloop naar de erkenning van de pyschiatrie als onderdeel van de medische opleiding – werden in 1852 gebundeld in Leçons orales sur les phrénopathies.

Begin jaren vijftig hakte het Gentse stadsbestuur, na jarenlange discussies en grote druk van Guislain die in de gemeenteraad zetelde, de knoop door. Er kwam een modelinrichting voor mannelijke geesteszieken, gebouwd naar de geneeskundige en architecturale opvattingen van Dr. Guislain. Een “oord van morele en fysieke opvoeding” (Burggraeve, xxx) voor niet bemiddelde, Oost-Vlaamse gealiëneerden. Eind 1857 betrokken 294 zieken het nieuwe ‘Gesticht der krankzinnige Mans aan de Brugsche Poort’, in de volksmond al snel Saint-Guislain genoemd.  Het grootste deel van het 9 hectare grote terrein werd in beslag genomen door velden, tuinen en binnenkoeren. En ook de architectuur werd, zoals toen min of meer gebruikelijk, afgestemd op de behandeling. Luxe paste niet voor deze met ongeluk beladen mensen, maar elegante eenvoud die rust en sereniteit uitstraalde, aangename gevoelens opwekte. Veel zon en tuinen, comfortabele zitbanken. Overdekte promenades om ook bij slecht weer te kunnen wandelen. Alles wat aan een gevangenis kon doen denken, moest aan het oog onttrokken worden; het ijzerwerk voor de ramen werd in decoratieve motieven verwerkt. Het gesticht groeide uit tot een klein dorp met een eigen boerderij, bakkerij, wasserij, weverij, smederij, kleermakers- en schrijnwerkersatelier, fanfare en zangkoor. Orde en discipline waren van groot belang. Woelige zieken kregen drill; in uniform en met houten geweren marcheerden ze geregeld door de instelling.

Kind van zijn tijd

Aanvankelijk ging Guislain ervan uit dat krankzinnigheid een stoornis was van het verstand, de rede. Hij deed een beroep op het oordeels- en redeneervermogen van patiënten, probeerde hen met logische argumenten van hun dwalingen af te helpen. Later raakte hij ervan overtuigd dat geestesziekte een stoornis van het gemoed is, dat verstandelijke stoornissen slechts een gevolg zijn. Geen storing van de rede, maar “een kwetsuur van de gevoeligheid, een pijn van de gevoelens, een phrénalgie” of morele pijn (Leçons orales, II, 138) Guislain sloot fysieke oorzaken (ondervoeding, alcoholisme, syfilis, aandoeningen van de baarmoeder, roken, koffiedrinken…) niet uit, maar hechtte veel meer belang aan ‘morele’ oorzaken. Tegenslag, vooral financiële en familiale tegenspoed; wanhoop, droefheid, angst, spanning. Sterke prikkels veroorzaken pijn, de morele gevoeligheid (“la sensibilité morale”) geraakt overprikkeld. En door die overgevoeligheid worden stilaan alle prikkels pijnlijk ervaren. Geestesziekte is een reactie daarop.

Twee derde van de geestesstoornissen is het gevolg van een morele (psychische) oorzaak; een stelling waarvoor je “als arts moed moest hebben om ze te ontwikkelen”, merkte de met Guislain bevriende arts Burggraeve op.  Aangezien bij de meeste geestesziekten mentale pijn aan de basis ligt, moeten bij de behandeling humanitaire daden een grote rol spelen. Van groot belang zijn: een goed klimaat, orde, regelmaat, netheid en een gezonde en gevarieerde voeding. De zieken menslievend behandelen, hen altijd zachtmoedig toespreken. Verzorgers mogen geen “blikken van vraakzugt of van enige onnoodige strengheid in hunnen oogen laten doorschitteren”, nooit met hen spotten of om hun eigenaardigheden lachen. Ze moeten hen “onophoudelijk tot bezigheden aanwakkeren”, hun vertrouwen winnen om aan de arts te rapporteren. Geweld mag alleen gebruikt worden “in geval van dringende noodt en altijd zonder slagen of stooten of eenige blijken van gramschap en nog min van vrees” (Reglement).

Guislain onderscheidde morele en fysieke behandelingsmiddelen. Arbeid was het belangrijkste therapeutische middel. Verder kon de aandacht van de geestesziekte worden afgeleid door lichaamsbeweging, zoals wandelen en dansen (vooral walsen), of door geestelijke inspanning, zoals lezen, schilderen, muziek beluisteren, kaartspelen. Wat de ‘fysieke’ middelen betreft, maakte Guislain gebruik van verzachtende en verdovende middelen (opium, kamfer, muskus, digitalis, belladona) en in uitzonderlijke gevallen ook van aderlatingen, braak- en purgeermiddelen. Sommige patiënten werden met poeders en zalven bewerkt om jeuk, irratatie of ontstekingen te verwekken die hen moesten afleiden van hun obsessie. Veel mislukkingen, schrijft Guislain, “maar ook enkele mooie resultaten”.

Het belangrijkste fysieke middel was het bad. Warme en koude baden, onderdompelingsbaden, krachtige bestraling met koud water. De jonge Guislain was een groot voorstander van het surprisebad. De zieke werd een bruggetje opgestuurd met in het midden een hokje waarvan de vloer onder zijn gewicht bezweek: plons! Het therapeutische effect was “gebaseerd op de angst van nakende verstikking”. Intense gevoelens konden een versterkende werking op de geest hebben en de ‘morele’ schok kon de betovering verbreken. Sommige ‘médecins aliénistes’ vuurden onverwacht een wapen af naast het oor van de patiënt. Samen met andere confraters gebruikte de jonge Guislain ook brutale confrontaties met de werkelijkheid en listige procédés (iemand die denkt dat zijn benen van glas zijn een schop tegen de schenen verkopen; een dissectie of begrafenis ensceneren van iemand die denkt dood te zijn). Guislain sloot patiënten op in de donkere kamer, nooit meer dan drie dagen aan een stuk, maar wel soms wekenlang. De Tranquilizer van Rush, een stoel waarop de ‘patiënt’ lange tijd werd vastgebonden, sprak hem minder aan omdat de zieke wordt beroofd van iedere fysieke vrijheid en hij in Gent te veel mensen gezien heeft die blijvend met gebogen knieën liepen en altijd maar gingen zitten. Daar kan een mens zich iets bij voorstellen. Zeker tot midden jaren twintig maakte Guislain gebruik van de draaistoel. Vastgebonden patiënten werden minutenlang rondgedraaid. Volgens Guislain was dat “een van de meest efficiënte dwangmiddelen omwille van zijn onaangename effecten”. Hij liet een dertigjarige man die niet wou eten elf minuten lang rondzwieren. De man braakte overvloedig en “at van dan af met de grootste volgzaamheid” (Guislain, 1826, 15). Beetje bij beetje zag Guislain van dergelijke dwangmiddelen af.

Bij de lectuur van Guislains magnum opus, de Leçons orales sur les Phrénopathies, vallen naast zijn scherpe observatievermogen, grote analysekracht en gezond verstand ook de onwetendheid op. De aliënisten stonden voor een zware taak: orde scheppen in een bijna onoverzichtelijke chaos van symptomen. Het is een voortdurend aftasten, aarzelend gezoek naar mogelijkheden en oplossingen. Guislain had oog voor de kwalijke gevolgen van industrialisatie en urbanisatie. Maar armoe was geen directe oorzaak van de aliënatie, alleen maar een predisponerende factor. Armoe verzwakt het organisme, windt het op, deprimeert mentaal. Guislain wees de westerse beschaving met de vinger. Het aantal geesteszieken was toegenomen door excessen van plezier, geraffineerde genietingen en liederlijkheid, débauche crapuleuse. Door de grotere welvaart waren mensen delicater geworden, minder bestand tegen tegenspoed. Guislain, een vooraanstaand burger, vond ook dat het ontstaan van de notie ‘recht op arbeid’ te veel “agitatie veroorzaakt(e)”. Hij was tegen meer vrijheid en rechten voor het volk, tegen emancipatie van vrouwen en kinderen, kloeg de alomtegenwoordige geldzucht en egoïsme aan, veroordeelde ontevredenheid over de situatie waarin men geboren is. Hij zag de toekomst zwart in, verwees naar de ondergang van “Babylonië, Ninive, Carthago en Rome” (Leçons orales, II, 22).

Guislain was een sociaal bewogen, religieus geïnspireerd arts en hervormer. Zijn ideeën en behandelingsmethoden waren innoverend voor België, maar de meeste werden eerder elders bedacht en toegepast. Guislain maakte daar ook geen geheim van, in zijn geschriften en lessen verwijst hij voortdurend naar anderen, hun technieken, successen en tegenslagen.

Guislain deed voor België wat Pinel en zijn leerling en opvolger Jean-Etienne Esquirol voor Frankrijk hebben gedaan. Wat de ontwikkeling van de psychiatrie betreft was hij een overgangsfiguur, samen met anderen vormde hij de verbinding tussen de ‘morele behandeling’ en de organisch-neurologische benadering, de ‘wetenschappelijke’ psychiatrie.

Contactgegevens:

Museum Dr. Guislain
J. Guislainstraat 43
B-9000 Gent
tel: +32 9 216 35 95

Website museum Dr Guislain

You may also like...

Geef een reactie