Krankzinnigenwet, 1884, gehele tekst

1884 De krankzinnigenwet, gehele tekst

Krankzinnigenwet Uitgegeven 30 april 1884

Wij Willem drie, bij de gratie Gods, koning der Nederlanden, prins van Oranje Nassau, groothertog van Luxemburg, enzovoort enzovoort enzovoort.

Allen, die deze zullen dien of horen, lezen, saluut! Doen te weten:

Alzoo wij in overweging genomen hebben dat het noodzakelijk is, met intrekking van de wet van 29 mei 1841 bepalingen vast te stellen betreffende het Staatstoezicht op krankzinnigen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goed gevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

  • 1. Staatstoezicht op krankzinnigen en krankzinnigengestichten

Artikel 1. Het Staatstoezicht op Krankzinnigen en krankzinnigengestichten wordt, volgens de bepalingen dezer wet en krachtens haar door Ons en van Onzentwegen te geven voorschriften, uitgeoefend door ten minste twee door Ons te benoemen inspecteurs, onverminderd hetgeen bij deze wet en andere wettelijke bepalingen aan de rechterlijke en geneeskundige ambtenaren en burgemeesters is opgedragen.

Dezen inspecteurs oefenen gene geneeskundige praktijk uit en bekleeden zonder Onze toestemming geene andere bediening.

Artikel 2. Het Staatstoezicht strekt zich uit over alle krankzinnigen, met uitzondering van hen die, zonder van hun vrijheid te zijn beroofd, in hun eigen woning of in die hunner ouders of echtgenooten worden verpleegd.

Onverminderd het toezicht dat op krankzinnigengestichten in verband met hunnen oorsprong volgens de bestaande voorschriften wordt uitgeoefend door provinciale en plaatselijke besturen, zijn alle krankzinnigengestichten aan het Staatstoezicht onderworpen.

Artikel 3. Hij die een krankzinnige verpleegt over wien het Staatstoezicht zich uitstrekt, is gehouden hiervan aangifte te doen aan den burgemeester der gemeente van zijn werkelijk verblijf binnen tweemaal 24 uren na den aanvang dier verpleging.

Binnen gelijk tijdsverloop geeft de burgemeester van deze aangifte kennis aan den Officier van Justitie en aan een dier inspecteurs.

Artikel 4. Zij aan wie het Staatstoezicht is opgedragen, zijn bevoegd de woningen binnen te treden waar krankzinnigen verpleegd worden, omtrent wie de in artikel 3 vermelde aangiften is gedaan of wier verplegers wegens gemis van aangifte krachtens artikel 38 No. 1. zijn veroordeeld.

Zij treden de woning eens ingezetene tegen den wil des bewoners niet binnen dan voorzien van een schriftenlijken last van den burgemeester of van den kantonrechter, hetzij van het hoofd of een der leden van het gemeentebestuur, hetzij van een commissaris der politie.

Van dit binnentreden en van de redenen, die daartoe geleid hebben, wordt door hem, die daarbij krachtens de bepaling van het voorgaande lid tegenwoordig was binnen tweemaal 24uur een procesverbaal opgemaakt, het welk melding maakt van den schriftelijken last des burgemeesters of des kantonrechters en aan de ingezetene wiens woning is binnen getreden een afschrift wordt medegedeeld.

In de Krankzinnigenwet wordt te allen tijden vrije toegang verleend aan de inspecteurs en aan de Officier van Justitie.

Zij, die een krankzinnige verplegen over wien het Staatstoezicht zich uitstrekt of die een krankzinnigengesticht besturen, alsmede de daaraan verbonden geneeskundigen geven aan de genoemde ambtenaren de door hen verlangde inlichtingen

Van elke toepassing van een dwangmiddel van een verpleegde in een krankzinnigengestichten wordt dagelijks aantekening gehouden in een register naar een door ons vast te stellen model. Dit register wordt dan aan elken inspecteur die daarom verlangt voorgelegd.

Artikel 5. De inspecteur, bevindende dat een krankzinnige buiten een krankzinnigengestichten verwaarloosd wordt, geeft daarvan onverwijld kennis aan den Officier van Justitie naar eene vergeefsche poging om verbetering in de behandeling van den krankzinnige te verkrijgen.

Artikel 6. Onverminderd den hun ingevolge artikel 4, zoo dikwijls dit noodig is, te verleenen toegang, bezoeken de officieren van justitie onbepaalde tijden, ten minste eenmaal in de drie maanden, de gestichtenn in hun arrondissement, om zich te verzekeren dat niemand wederrechtelijk daarin geplaatst of teruggehouden wordt en dat de verpleegden behoorlijk worden behandeld.

De besturen der gestichten zenden aan de officieren van justitie in het arrondissement, waarin het gesticht gelegen is, en in dat, waarin de machtiging tot verpleging is gegeven, binnen 24 uren eene schriftelijke kennisgeving van elke opneming, verplaatsing, verlof van langeren duur dan vier weken, ontslag en overlijden van een verpleegde, met vermelding van de redenen van de verplaatsing, het verlof of het ontslag en met opgave van den persoon die de aanvraag daartoe mocht hebben gedaan.

Artikel 7. tot oprichting van 2 ° gesticht voor krankzinnigen wordt Onze vergunning vereischt.

Met uitzondering:

1 °. Van woningen kwamen waarin drie krankzinnigen worden verpleegd overeenkomstig artikel 35 a dezer wet, en

2 °. Van door Ons aan te wijzen inrichtingen en woningen of gedeelten van inrichtingen en woningen, staande onder openbaar bestuur dan wel onder bestuur van ene instelling van weldadigheid in den zin der Rompwet Instellingen van weldadigheid, vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of stichting,

worden als gestichten beschouwd alle woningen, waarin iemand meer dan twee krankzinnigen, die niet tot zijn gezin behoren, verpleegt.

Bij de aanwijzing, bedoeld bedoeld onder 2 °. van het vorige lid, worden de voorwaarden gesteld, waaraan moet worden voldaan.

De aanwijzing wordt door Ons ingetrokken, wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd.

De gestichten zijn uitsluitend tot verpleging van krankzinnigen bestemd.

Artikel 8. Geene vergunning oprichting van een krankzinnigengestichten wordt verleend tenzij behoorlijk voldaan is aan de volgende vereischten:

1 °. eene ruime, gezonde gelegen woning, met voldoende gelegenheid tot beweging in de openlucht;

2 °. afscheiding der seksen, behalve bij kinderen beneden de tien jaren een,

3 °. voldoende gelegenheid tot afzondering naar den aard en het getal der krankzinnigen;

4 °. voldoende voorzieningen in den geneeskundigen dienst en in den huisdienst naar den aard en het getal der krankzinnigen, met dien verstande dat door Ons voor elk gesticht na verhoor van het bestuur en na ingewonnen advies van Gedeputeerde Staten, het maximum waar haalt wordt van het getal verpleegden en het minimum van het aantal geneeskundigen.

Elke weigering van vergunning is met redenen omkleed.

Artikel 9. indien een gesticht voor krankzinnigen niet meer aan de vereischten bij deze wet of bij de krachtens haar uitgevaardigde besluiten gesteld voldoet, en indien na een door Onzen Minister van Sociale Zaken en volksgezondheid gestelden termijn de onvoldoende toestand voortduurt, kan de vergunning door Ons ingetrokken en het gesticht, het bestuur en Gedeputeerde Staten gehoord, op Onzen last opgesloten worden.

Ons besluit tot sluiting van een gesticht wordt met redenen omkleed en in een Staatscourant geplaatst. Van dat besluit wordt kennis gegeven aan hen , voor wier rekening of te wier verzoeke de krankzinnigen in het gesticht geplaatst zijn.

Bij sluiting van een gesticht worden de daarin verpleegdn krankzinnigen door hen, voor wier rekening zijn verpleegd worden, binnen een door Ons te stellen termijn naar andere gestichten overgebracht.

Wordt de lijder voor eigen rekening verpleegd, dan geschiedt die overbrenging door hem die de aanvraag tot opneming heeft gedaan, of, is er machtiging tot verlenging van het verblijf, door hem op wiens verzoek de laatste verlenging is toegestaan.

Bij gebreke van overbrenging door de zorg van belanghebbenden binnen den gestelden termijn worden de krankzinnigen op Onzen last naar andere gestichten overgebracht door de zorg van ambtenaren met het Staatstoezicht belast en ten koste van wien het aangaat.

Artikel 10. In de verpleging zoowel van de krankzinnigen, wier onderhoud komt ten laste van het rijk, als van hen, wier plaatsing in een krankzinnigengestichten door den daartoe bevoegden rechter in strafzaken, overeenkomstig artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, worden gelast, wordt voorzien hetzij door inrichting van één of meer Rijksgestichten hetzij toe overeenkomsten met besturen van andere gestichten. Bovendien kan in de verpleging van eerstbedoelde krankzinnigen voorzien door overeenkomsten met particulieren.

Voor zoover in het Rijksgesticht of de Rijksgestichten de plaatsruimte dit toelaat, kunnen aldaar ook behoeftige krankzinnigen voor rekening van gemeentebesturen worden opgenomen.

De voorwaarden der opnemen en verpleging worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur.

Artikel 11. voor zoover niet op andere wijze in de behoefte aan gestichten tot opneming van de in eenige provincie wonende of verblijvende krankzinnigen wordt voorzien, zorgt het bestuur der provincie, hetzij afzonderlijk hetzij in vereeniging met de besturen van andere provinciën, voor de oprichting en instandhouding van gestichten voldoende aan de door deze wet gestelde eischen.

Artikel 12. Ieder meerderjarig bloedverwant of aangehuwde, in de rechte linie onbepaald, in de zijlinie tot den derde graad ingesloten, alsmede de echtgenoot, voogd of curator van een krankzinnige zijn bevoegd om schriftelijk aan den kantonrechter van de woon -of verblijfplaats des krankzinnigen, machtiginging te verzoeken, hem voorloopig in een gesticht te doen plaatsen, hetzij dit in het belang der openbare orde of in dat van den lijder zelven wordt vereisch N document.

Artikel 13. de Officier van Justitie bij de arrondissementsrechtbank van de woon- of verblijfplaats des krankzinnigen kan bij onstentenis van de in artikel 12 vermelde personen, is schriftelijk requisitoir machtiging tot plaatsing in een gesticht verzoeken aan den president der rechtbank. De officier een is tot gelijk requisitoir bevoegd, wanneer hij eene der kennisgevingen ontvangt Bij artikel 5 en artikel 35 e eerste lid, vermeld.

Hij is daartoe verplicht, wanneer hij de plaatsing van den krankzinnige onder verzekerd toezicht in het belang der openbare orde of ter voorkoming van ongelukken noodzakelijk acht of wanneer het hem gebleken is, dat een krankzinnige verwaarloosd wordt.

Artikel 14. Vervallen

Artikel 15. ieder meerderjarige die gevoelt dat zijn toestand verpleging in een krankzinnigengesticht wenselijk maakt, kan zijne plaatsing overeenkomstig artikel 12 verzoeken.

Artikel 16. Bij de verzoeken en requisitoiren, bedoeld in de artikelen 12, 13 en 15, moet worden overlegd in ten hoogste zeven dagen vóór het verzoek of requisitoir opgemaakte, ondertekende en met reden omkleden verklaring van een zenuwarts, hier te lande bevoegd om de geneeskunst uit te oefenen, die de patiënt niet onder behandeling heeft. In bijzondere omstandigheden kan, onder goedkeuring van de inspecteur in wiens ressort de patient zich bevindt, een andere arts, hier te lande bevoegd om de geneeskunst uit te oefenen, die de patiënt niet onder behandeling heeft, de in de vorige zin bedoelde verklaring afgeven. Uit de verklaring moet blijken, dat de persoon wiens plaatsing wordt verzocht of gevorderd, in een toestand van krankzinnigheid verkeerd en dat zijn verpleging in een krankzinnigengestichten noodzakelijk of wenselijk is; zo mogelijk moet daarbij tevens met redenen omkleed worden aangegeven of de toestand van de patiënt het zinloos of uit medische overwegingen onverantwoord doet zijn, dat deze wordt gehoord door de rechter, die het verzoek of requisitoir behandelt. Alvorens de verklaringen af te geven pleegt de zenuwarts zo mogelijk overleg met de huisarts van de patient. Indien de betrokkene minderjarig is, moet tevens worden overlegd een uittreksel uit het een artikel 244 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register of een verklaring van de griffier dat ten aanzien van de minderjarige het register geen gegevens bevat.

Bij de verzoeken kunnen bovendien omstandigheden vermeld en bescheiden overlegd worden buiten staat van krankzinnigheid nader blijkt.

Bij algemeenen maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven ten aanzien van de verzoek schriften, bedoeld in het eerste lid en in de artikel 22 en 24, en ten aanzien van de geneeskundige verklaringen, bedoeld in het eerste lid N in de artikel 21, 22 en 24.

Artikel 17. Wanneer de verklaring van den geneeskundige, hetzij alleen, hetzij in verband met de vermelde omstandigheden en overlegde bescheiden, het bestaan van krankzinnigheid en de noodzakelijkheid of wenschelijkheid van de verpleging in een krankzinnigengesticht aanvankelijk genoegzaam aantoont, of wanneer in het geval bij artikel 15 vermeld de staat van krankzinnigheid voldoende blijkt, zoo verleent de kantonrechter, of in het geval bedoeld bij artikel 13 de president van de arrondissementsrechtbank de verzochte machtiging. De beschikking waarbij de machtiging wordt verleend, is niet onderworpen maken toezicht een hoger beroep.

Zij kan op het verzoekschrift of requisitoir gesteld worden en is bij voorraad uitvoerbaar op de minuut en vóór de registratie.

Alvorens op het verzoek of de vordering te beschikken hoort de rechter de persoon wiens plaatsing is verzocht of gevorderd ,tenzij naar zijn oordeel uit de bij het verzoek of requisitoir overlegde verklaring van een zenuwarts of uit een op zijn verzoek door de inspecteur opgemaakte verklaring blijkt, dat de toestand van de patiënt dit zinloos over medische overwegingen onverantwoord doet zijn. Hij kan om de patiënt op diens verzoek hetzij ambtshalve een advocaat of procureur toevoegen. De artikelen 48 en 49 wetboek van Straf vordering zijn van overeenkomstige toepassing.

De rechter doet zich, voor zoveel mogelijk, voorlichten door:

  1. degene, die in gevolge de artikelen 12 en 13 de machtiging heeft gevraagd of gevorderd;
  2. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot;
  3. de ouders, indien het in minderjarigen betreft een,
  4. een derde in artikel 12 bedoelde personen die niet de machtiging heeft verzocht maar die naar het oordeel van de rechter het meest in aanmerking komt om te worden gehoord, indien het een ongehuwde of van tafel en bed gescheiden meerderjarige betreft een,

En bovendien

  1. de curator, de voogd en de gezinsvoogd.

De rechter is bevoegd getuigen en deskundigen op te roepen om te worden gehoord.

Indien de rechter dit gewenst oordeelt kan hij degene, die ingevolge, artikel 12 de machtiging heeft gevraagd, verplichten te verschijnen. Artikel 445 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Vindt de kantonrechter of de president geene voldoende redenen om machtiging tot plaatsing te verlenen, zoo verklaart hij dit op het verzoekschrift of requisitoir. De president brengt dit stuk onverwijld ter kennis van de arrondissementsrechtbank. De kantonrechter zendt het ten spoedigste onder aangeteekenden omslag aan de rechtbank waaronder zijn rechtsgebied ressorteert of laat het aldaar tegenbewijs van ontvangst ter griffie afgeven.

De rechtbank beslist in het hoogste ressort volgens de voorschriften van dit artikel.

De machtiging van den kantonrechter, van den president of van de rechtbank wordt, evenals verdere beschikkingen der rechtbank krachtens deze wet niet beteekend aan den persoon wiens plaatsing is verzocht. Zij kan na veertien dagen sedert hare dagtekening niet meer ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 18. Op neming van een krankzinnige in een gesticht geschiedt tegen overlegging van eene expeditie der machtiging tot plaatsing of, indien de uitvoering gelast is op de minuut, op vertoon van die minuut, waarvan dan in afwachting van de expeditie, ten spoedigste te door den griffier op te zenden, onmiddellijk in het gesticht een afschrift of uittreksel worden genomen een

Een afschrift van de geneeskundige verklaring, bedoeld bij het eerste lid van artikel 16, wordt door den griffier onverwijld na het verleenen der machtiging toegezonden aan den geneeskundige van het gesticht. Aan dezen, alsmede aan den geneeskundige verbonden aan het gesticht en met de behandeling van den opgenomene belast, wordt op verzoek gelegenheid gegeven kennis te nemen ook van de verdere bescheiden, welke den rechter tot voorlichting hebben gediend.

Opneming mag niet plaatshebben in een gesticht waaraan degenen die de een artikel 16, eerste lid, bedoelde verklaring heeft gegeven, verbonden is.

Ingeval de rechter oordelende in strafzaken, met toepassing van het tweede lid van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, heeft bevolen, dat iemand in een krankzinnigengestichten zal worden geplaatst, geschiedt de opneming van zoodanigen persoon tegen overlegging van een uittreksel uit de onherroepelijk geworden uitspraak, die de plaatsing beveelt.

Dit uittreksel en de expeditie van de in het eerste lid en in de artikel 23, 24, 29, 30, 31 en 31a bedoelde rechterlijke beschikkingen, moeten aan het bestuur van het gesticht worden overlegd; zij worden vermeld in enbewaard bij een register, ingericht naar een daarvan door ons Vast te stellen model tent

Dit register wordt aan de inspecteurs en aan den Officier van Justitie voorgelegd, zo dikwijls zij dit verlangen.

Artikel 19.

Bij elke plaatsing van een krankzinnige in een gesticht T.G.V. eene machtiging van den kantonrechter of of door het Openbaar Ministerie genomen requisitoir geeft in het eerste geval de kantonrechter, in het tweede geval de Officier van Justitie daarvan onverwijld kennis aan den burgemeester der laatste woon of verblijfplaats des krankzinnigen.

De burgemeester deelt die kennisgeving onverwijld mede aan de naaste bloedverwanten of aangehuwden, of aan den echtgenoot, voogd of curator van den krankzinnige.

Artikel 20. Gedurende de eerste veertien dagen na iemands opneming houdt de geneeskundige van het gesticht of, wanneer meer geneeskundige daarin werkzaam zijn, die der afdeling waarin de opgenomene geplaatst is, dagelijks in een daartoe bestemd register, aanteekening van zijne bevinding.

Van deze aanteeeningen wordt aan de inspecteurs op hun verlangen inzage gegeven.

Na den afloop der eerste veertien dagen geschiedt gelijke aanteekening gedurende een half jaar, minstens wekelijks, en daarna minstens maandelijks.

Artikel 21. Binnen twee weken na den dag der opneming wordt aan den Officier van Justitie bij de rechtbank van het arrondissement, waarin het gesticht gelegen is, en aan den door onze minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid aangewezen inspecteur gezonden ene met redenen omkleede verklaring van den geneeskundige, verbonden aan het gesticht en met de behandeling van den opgenomene belast, omtrent diens geestestoestand en de noodzakelijkheid of wenselijkheid van zijne verdere verpleging in een k.rankzinnigengesticht.

Artikel 22. Binnen zes maanden na de ingevolge artikel 17 verleende machtiging wordt een afschrift van de in artikel twee naam bedoelde aanteekeningen met een nader verzoekschrift of requisitoir om den opgenomene gedurende een bepaalden tijd, die van een jaar niet te boven gaande, in een krankzinnigengesticht te doen verblijven, overgelegd aan de rechtbank van het arrondissement waarin het gesticht gelegen is.

Bij het verzoekschrift over requisitoir wordt overgelegd eene met redenen omkleede verklaring van den geneeskundige, verbonden aan het gesticht en met de behandeling van den opgenomene belast, omtrent de noodzakelijkheid of wenscheli van eene verdere verpleging in een krankzinnigengesticht. Voor de indiening van het verzoekschrift is de tusschenkomst van een procureur niet vereischt.

Artikel 23. over het verzoek of requisitoir kan, na verhoor van het Openbaar Ministerie, door de rechtbank worden beschikt op de een artikel 22 vermelden stukken

De rechtbank kan echter nader bewijs door getuigen of andere middelen gelasten en zelfs het verhoor van den verpleegde bevelen.

Wordt het verhoor van den verpleegde bevolen, dan geschiedt dit in het gesticht, al of niet in tegenwoordigheid van een der daaraan verbonden geneeskundigen.

Hangende het onderzoek der rechtbank, blijft de verpleegde in het gesticht.

De rechtbank kan het verhoor opdragen aan een daartoe door haar te benoemen rechter – commissaris of aan den kantonrechter in wiens ressort het gesticht gelegen is.

Bij gelegenheid van het verhoor den verpleegde kunnen tevens de geneeskundige en andere personen, die zich in het gesticht de vinden, als getuigen worden gehoord zonder voorafgaande oproepening of schadeloosstelling. De rechtbank kan zich door een of meer deskundigen doen voorlichten. Dezen deskundigen wordt gelegenheid tot observatie verleend.

De beschikking der rechtbank wordt gesteld op het verzoekschrift of requisitoir. Zij is van geen hoger beroep onderworpen en uitvoerbaar bij voorraad.

Zijn wordt niet uitgesproken, noch aan den verpleegde beteekend.

Artikel 24. Ten hoogste veertien en ten minste acht dagen vóór het verstrijken van den tijd waarvoor de rechtbank iemands verblijf in een krankzinnigengesticht heeft vergund. Kan aan haar een nader verzoekschrift of requisitoir worden ingediend tot verlenging van die tijd met ten hoogste één jaar.

De Officier van Justitie neemt, zoo daartoe termen zijn, eentje lijk requisitoir bij de rechtbank binnen wier ressort iemand zich krachtens artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht in een krankzinnigen gesticht bevindt, veertien dagen vóór het verstrijken van een jaar, nadat die persoon aldaar ter uitvoering van een bevel van den strafrechter is opgenomen.

Bij het verzoekschrift of requisitoir worden overlegd de aanteekeningen van den geneeskundige bij artikel 20 bedoeld, sedert de vorige machtiging, alsmede eene geneeskundige verklaring als bedoeld bij artikel 22, alinea 2, en daarop wordt beschikt met inachtneming van de in artikel 23 gegeven voorschriften. Voor de indiening van het verzoekschrift is tussenkomst van een procureur niet vereischt.

Telkens bij het verstrekken van den termijn der laatste verleende machtiging kan op gelijke wijze eene nieuwe machtiging worden verleend voor ten hoogste één jaar.

De verpleegde ten wiens aanzien machtiging tot verlengd verblijf in een gesticht is verzocht, blijft daarin, hangende het onderzoek der rechtbank.

De beschikkingen uit kracht van dit artikel gegeven zijn niet onderworpen aan hoger beroep en is uitvoerbaar bij voorraad.

Artikel 25. De krankzinnige die krachtens machtiging van den kantonrechter, van den president, van den strafrechter of van de arrondissementsrechtbank in een gesticht is opgenomen, kan zonder nadere machtiging naar een ander gesticht worden overgebracht binnen den termijn bij de laatste verleende machtiging gesteld.

In dat geval worden de hem betreffende stukken bij zijne overbrenging door het bestuur van het eene gesticht aan dat van het andere toegezonden.

Artikel 26. Wie iemand die hier te lande woon-of verblijfplaats heeft op binnen de laatste zes maanden gehad heeft, in ene buitenlandse inrichting voor krankzinnigen doet opnemen, is verplicht binnen acht dagen daarvan bericht te zenden aan den Officier van Justitie bij de rechtbank van het arrondissement waarin de laatste woon-of verblijfplaats hier te lande van den in de inrichting opgenomen persoon gelegen is.

Bij het bericht is gevolgd eene uiterlijk drie weken vóór de opneming afgegeven, onderteekenden en met redenen omkleede verklaring van een ter plaatse bevoegd geneeskundige, waaruit blijkt dat de opneming wenschelijk was.

Artikel 27. Aan ieder, die in een gesticht is opgenomen, verlof om het voor een bepaalden tijd te verlaten verleend worden door den geneeskundige of, zoo er meer zijn, voor den eersten geneeskundige van het gesticht, naar overleg met dengeen op wiens verzoek de opneming geschiedt of het verblijf in het gesticht het laatst verlengd is, dan wel, indien de verpleging geschiedt krachtens artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, met toestemming van den Officier van Justitie. Ingeval de verpleegde onder ouderlijke macht, voogdij, of curatele staat, is bovendien de toestemming van den ouder, die deze macht uitoefent, van den voogd of van den curator noodig.

Het ingaan van het verlof en de terugkeer in het gesticht worden op het een artikel 18 vermelde register aangeteekend.

Artikel 28. Op schriftelijke verklaring van den geneeskundige of, zoo er meer zijn, van den eersten geneeskundige van het gesticht, dat de verpleegde geene blijken van krankzinnigheid heeft gegeven, of dat zijne verpleging in een gesticht niet langer noodzakelijk of wenschelijk is, wordt door het bestuur van het gesticht ontslag verleend.

Elk ontslag, ingevolge dit of een derde volgende artikelen, wordt op het een artikel 18 vermelde register aangetekend. De terugkeer in de maatschappij wordt, voor zooveel nodig, door het bestuur geregeld in overleg met hem op wiens aanvraag de opneming geschied of het verblijf in het gesticht het laatst verlengd is, of, bij onstentenis van dezen, met iemand dergenen die bevoegd waren de opneming te vragen; Bij gebreke hunner medewerking geschiedt het overleg met eene vereeniging, welke zich met de nazorg belast, dan wel met den burgemeester van de laatste woon-of verblijfplaats des verpleegden, en zoo die woon-of verblijfplaats niet bekend is, met den burgemeester der gemeente waar het gesticht gelegen is. Bij het ontslag van hen, die op eigen verzoek in het gesticht zijn opgenomen, wordt het in den vorigen zin vermeld overleg niet vereischt.

Artikel 29. Zowel ieder keer ingevolge artikel 12 tot het verzoeken van machtiging bevoegde personen als de verpleegde zelf kan schriftelijk aan het bestuur het ontslag verzoeken.

Het bestuur vraagt onmiddellijk advies van den geneeskundige of, zoo er meer zijn, van de eersten geneeskundige van het gesticht. Het advies, ten spoedigste uit te brengen, is schriftelijk en met redenen omkleed. Luidt het toewijzend, dan wordt het ontslag verleend. Luidt het niet toewijzend, dan zendt het bestuur het verzoek met het advies onmiddellijk aan de Officier van Justitie Bij de rechtbank in wier ressort het gesticht gelegen is. De officier vraagt de beslissing der rechtbank.

De officier behoeft de beslissing der rechtbank niet te vragen, indien het verzoek klaarblijkelijk niet voor inwilliging vatbaar is, een vroeger verzoek nog in behandeling is, dan wel de rechtbank binnen de termijn der laatsten machtiging een verzoek reeds heeft afgewezen en sedert die afwijzing de omstandigheden zich niet hebben gewijzigd. Met goedvinden van den officier kan, in gevallen als hier bedoeld, ook het bestuur van het gesticht een verzoek om ontslag buiten behandeling laten.

De rechtbank, den Officier van Justitie een woord, in het hoogste de soort rechtdoende, beveelt het ontslag of verwijst het verzoek af.

Bij de regeling van den terugkeer in de maatschappij verleent de Officier van Justitie voor zoveel noodig zijne medewerking.

De rechtbank kan, alvorens te beslissen, een nader onderzoek de vele. Het tweede, derde, vijfde en zesde lid van artikel 23 zijn daarbij van toepassing. De rechtbank kan zich door een of meer deskundigen doen voorlichter. Zoolang de rechtbank beraadslaagt, wordt het ontslag niet verleend.

Den benoemden deskundigen Word gelegenheid tot observatie gegeven. De president Der rechtbank kan, op verlangen van de deskundigen, toestaan dat de observatie, onder de door hem te stellen voorwaarden, buiten het gesticht plaats vindt, toch alleen op den grond dat zulks voor eene behoorlijke observatie volstrekt noodzakelijk is.

Artikel 30. De Officier van Justitie bij de rechtbank in wier ressort het gesticht gelegen is, van oordeel, dat een verpleegde niet langer in het gesticht behoort te blijven, kan diens ontslag bevelen, zoo de geneeskundige of, zoo er meer zijn de eerste geneeskundige van het gesticht daarmee instemt blijkens schriftelijke met redenen omkleed advies.

Bij gemis van die instemming kan de officieren onder overlegging der stukken, de beslissing der rechtbank vragen.

De Officier van Justitie kan eveneens de beslissing der rechtbank vragen, wanneer hij twijfelt of een verpleegde wel langer in het gestegen behoort te blijven. Hij is daartoe verplicht, wanneer de inspecteur hem zulks verzoekt. De officier vraagt ook in deze gevallen vooraf het met redenen omkleed advies van den in het eerste lid bedoelden geneeskundige en legt dit, indien het tijdig wordt ontvangen, ander rechtbank over.

De rechtbank, den Officier van Justitie gehoord, in het hoogste ressort rechtdoende, beveelt het ontslag of weigert het. De laatste drie leden van artikel 29 zijn van toepassing.

Bevindt de officier, dat een verpleegde in een krankzinnigengestichten op onwettige wijze is opgenomen of gehouden, zoo beveelt hij diens onmiddellijk ontslag, tenzij dit niet zonder gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken kan geschieden, in welk geval hij, in de in artikel 24 omschreven vormen, de machtiging der rechtbank tot verdere verblijf in het gesticht requireert.

Artikel 31. Wanneer de termijn in het eerste lid van artikel 22 gesteld, of die voor welken de plaatsing krachtens deze wet is verleend, verstreken is, geeft het bestuur van het gesticht binnen acht dagen hiervan kennis aan den Officier van Justitie in wiens ressort het gesticht gelegen is.

De officier beveelt onmiddellijk na ontvangst dier kennisgeving, of nadat hem op andere wijze van het verstrijken van den bedoelden termijn blijkt, indien geen nader verzoek aan de rechtbank is ingediend, het ontslag, hetzij in dit niet zonder gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken kan geschieden.

Zoo het bestaan van dat gevaar blijkt uit ene met redenen omkleede verklaring van den geneeskundige, of zo er meer zijn, van den eersten geneeskundige van het gesticht,requireert de officier, in de in artikel 24 omschreven vormen, de machtiging der rechtbank tot verder verblijf in een gesticht.

Artikel 31a. Het bestuur van het gesticht kan niet rauwelijks tot ontslag overgaan op den grond, dat de overeenkomst, krachtens welke de lijder in het gesticht is opgenomen, niet wordt nageleefd en de schuldenaar zonder gevolg is in gebreke gesteld om te betalen. Het vraagt eerst het schriftelijk met redenen omkleed advies van den in het vorige artikel bedoelden geneeskundige. Houdt dit advies niet in, dat het ontslag kan geschieden, dan zendt het bestuur de stukken aan den Officier van Justitie, in dat artikel genoemd. Deze vraagt de beslissing der rechtbank, den Officier van Justitie gehoord, in het hoogste ressort rechtdoende, staat het ontslag toe of weigert het. Daarbij kunnen de laatste drie leden van artikel 29 worden toegepast.

Artikel 32. Ieder meerderjarige die de zake van krankzinnigheid in een gesticht is geplaatst, verliest het beheer over zijne goederen en over die van anderen, indien hem dit mocht zijn opgedragen.

Op de verbintenissen door hem aangegaan is artikel 1367 van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk.

Is voor hem met toepassing van het volgende artikel een bewindvoerder benoemd, dan is artikel 381, derde en vierde lid van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33. Indien het noodzakelijk of wenschelijk is, om in het geheel of gedeeltelijk beheer der goederen van een verpleegde in een krankzinnigengesticht of in de waarneming zijner belangen in elk opzicht ook te voorzien, wordt eene provisioneele bewindvoerder benoemd door de rechtbank van het arrondissement zijner laatste woon-of verblijfplaats, en bij gebreke van woon-of verblijfplaats hier te lande, door die van het arrondissement waarin het gesticht gelegen is.

Die benoeming geschiedt op verzoek van hen die bevoegd zijn werk opneming in het gesticht te vragen of van andere belanghebbenden, of op requisitoir van het Openbaar Ministerie – al dan niet daartoe aangezocht door den geneeskundige van het gesticht koppelt hetwelk overigens altijd moet worden gehoord.

De vrouw kan tot provisioneele bewindvoerster voor haren man benoemd worden.

De bewindvoerder kan geene andere daden dan van zuiver de heer verrichten tenzij op machtiging des kantonrechters. Die machtiging wordt alleen verleend om gewichtige redenen en na verhoor of behoorlijke oproeping der vier naaste bloedverwanten of aangehuwden en van den echtgenoot, zoo zij er zijn.

De bepalingen van artikel 2 en 4 der wet van 18 april 1874, zijn op deze machtiging des kantonrechters van toepassing, behoudens de een plaats genoemd artikel voorkomende bepaling omtrent de vacatiën der kantonrechter, welke vervallen is door artikel 3 der wet van 9 april 1877.

De bevoegdheid panden provisioneelen bewindvoerder houdt op wanneer de verpleegde uit het gesticht is ontslagen alsmede wanneer een curator over hem is aangesteld, en de provisioneel e bewindvoerder op prettige wijze van dit een of ander in kennis is gesteld.

Artikel 34. Vervallen

Artikel 35. Van de benoeming van provisioneele bewindvoerders, van de verleende onder curateelestelling en van de benoeming van de curators en toeziende curators wordt binnen drie dagen na de dagtekening der stukken waar zij plaatshebben, door de griffiers der arrondissements-rechtbanken en de kantongerechten bij brief kennis gegeven aan het bestuur van het gesticht waarin de krankzinnige wordt verpleegd.

Die brief wordt bij het in artikel 18 vermeld register bewaard, nadat daarin van den zakelijken inhoud aantekeening is gehouden.

Artikel 35a. Eene woning, waarin ten hoogste drie krankzinnigen, in aansluiting aan de verpleging in een krankzinnigengesticht, krachtens overeenkomst met, en onder verantwoordelijkheid van het bestuur van dat gesticht, ook wat ook wat de geneeskundige verzorging betreft, worden verpleegd met inachtneming van de bepalingen bij algemeenen maatregel van bestuur vast te stellen, wordt ten opzichte van die krankzinnigen, voor toepassing de artikelen 10, 12, tot en met 25, 27-35 en 36-42 van deze wet, beschouwd als deel van dat krankzinnigengesticht.

Artikel 35b. Indien ten aanzien van iemand een ernstig vermoeden bestaat, dat hij ten gevolge van krankzinnigheid een zo onmiddellijk dreigend gevaar oplevert voor zichzelf, voor anderen of voor de openbare orde, dat een beschikking, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, niet kan worden afgewacht, is de burgemeester van de gemeente waar hij zich bevindt bevoegd, hem in bewaring te stellen ten einde dat gevaar af te wenden.

Artikel 35c. De burgemeester vraagt vooraf van een zenuwarts of zo dat niet mogelijk is, van een andere arts, hier te lande bevoegd om de geneeskunst uit te oefenen, een verklaring dat het in artikel 35b, eerste lid, bedoelde ernstig vermoeden ten aanzien van de patiënt bestaat. De burgemeester richt zich niet tot de arts, die de patiënt onder behandeling heeft, of tot diens huisarts tenzij de omstandigheden dit noodzakelijk maken. De arts, die de verklaring afgeven heeft,,licht pleegt zo vroeg mogelijk overleg met de huisarts van de patiënt. Zo mogelijk moet in de verklaring tevens worden aangegeven of de toestand van de patiënt het zinloos of op medische gronden onverantwoord doet zijn dat deze wordt gehoord door de rechter, die beslist of de in bewaringstelling moet worden voortgezet.

De in het voorgaande lid bedoelde verklaring wordt schriftelijk gegeven, overeenkomstig een door Ons vast te stellen model. Indien, in verband met de toestand waarin de patiënt verkeert, de tijd daarvoor ontbreekt, kan mondeling of telefonisch een schriftelijke verklaring worden gegeven. Een schriftelijke bevestiging, overeenkomstig het in de voorgaande zin bedoelde model, wordt zo spoedig mogelijk daarna aan de burgemeester gezonden. Van de in bewaringstelling maakt de burgemeester zo spoedig mogelijk een door hem ondertekende verklaring op, overeenkomstig een door Ons vast te stellen model. Deze verklaring wordt met de in het voorgaande lid bedoelde geneeskundige verklaring, in het gemeentehuis bewaard. De verklaring van de burgemeester vermeld in ieder geval de naam van de in bewaring gestelde en de plaats waar deze zich bevindt, een aanduiding van het gevaar, bedoeld in artikel 35b, eerste lid, de naam van degene door wie de daarbij gevolgde geneeskundige verklaring is afgegeven alsmede de datum en het uur waarop tot de in bewaringstelling is besloten.

Op de in het vorige lid bedoelde verklaring houdt de burgemeester telkens zo spoedig mogelijk aantekening van hetgeen er uitvoering van de artikelen 35d, 35e, 35f en 35j, derde lid is geschiedt.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing wanneer de beschikking tot in bewaringstelling niet is ten uitvoer gelegd.

Artikel 35d. De in bewaring gestelde binnen vierentwintig uur na het besluit tot inbewaringstelling door de zorg van de burgemeester opgenomen in een gesticht of inrichting als bedoeld in artikel 7.

Is de opneming overeenkomstig het eerste lid niet aanstonds mogelijk, dan doet de burgemeester, in overleg met de inspecteur in wiens ressort, de inbewaringstelling plaats heeft, binnen dezelfde termijn de in bewaring gestelde voorlopig opnemen in een algemeen ziekenhuis. In dat geval wordt hij door de zorg van de burgemeester, in overleg met de inspecteur, zodra dit mogelijk is, overgebracht naar een gesticht of inlichting als bedoeld in het eerste lid.

Is de in bewaring gestelde niet binnen vierentwintig uur overeenkomstig het eerste of het tweede lid opgenomen, dan draagt de burgemeester zorg dat onverwijld Onze minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid dan wel een door deze aangewezen ambtenaar, telefonische of mondeling hiervan op de hoogte wordt gesteld. Hetzelfde doet de burgemeester, indien de in bewaring gesteld en na opneming overeenkomstig het tweede lid niet binnen de vijf dagen is overgebracht naar een gesticht of inrichting als het bedoeld in het eerste lid.

Artikel 35e. De burgemeester draagt zorg dat onverwijld de inspecteur en de Officier van Justitie, hoofd van het arrondissementsparket, binnen wier ressort zich de in bewaring gestelde bevindt, van de inbewaringstelling telefonisch of mondeling op de hoogte worden gesteld.

Zo spoedig mogelijk na de inbewaringstelling ¢ de burgemeester aan de in het eerste lid bedoelde functionarissen een afschrift van de in artikel 35c, tweede en derde lid, bedoelde verklaringen. Indien de in bewaring gesteldde zich op het tijdstip der verzending van deze afschriften in het ressort van een andere Officier van Justitie bevindt dam op het tijdstip van de telefonische of mondelinge mededeling, worden deze in afschriften toegezonden aan inspecteur en aan die Officier van Justitie.

Indien na het tijdstip der verzending van de in het vorige lid bedoelde afschrift de in bewaring gesteldE de naar een andere plaats is overgebracht, geeft de burgemeester zo spoedig mogelijk na die overplaatsing daarvan kennis aan een, wien ingevolge het tweede lid, bedoeld in artikel 35c, tweede en derde lid, een afschrift zijn toegezonden. Bevindt de in bewaring gesteld de zich na de overplaatsing in het ressort van een andere inspecteur of van een andere Officier van Justitie, dan zendt de burgemeester ook an deze functionarissen afschriften van de in tweede lid bedoelde verklaringen.

Bovendien geeft de burgemeester zo spoedig mogelijk- kennis van de plaats, waar de in bewaring gestelde zich bevindt:

  1. aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot;
  2. aan de ouders, indien het een minderjarige betreft;
  3. aan degene doping de betrokkenen voor de in bewaringstelling werd verzorgd en, zo deze niet is een bloedverwanten of aan gehuwden, tevens aan de naasten de bekende, in artikel 12 bedoelde bloedverwanten of aangehuwden, indien het een ongehuwde of van tafel en bed gescheiden meerderjarige betreft;
  4. aan de curator, de voogd en de gezinsvoogd, alsmede aan de raad voor kinderbescherming, in wiens ressort de minderjarigen werd verzorgd en opgevoed;
  5. aan de huisarts, aan wie tevens zo spoedig mogelijk een afschrift wordt gezonden van de in artikel 35c. tweede lid geneeskundige verklaring, zullen deze niet door hemzelf is afgegeven

Artikel 35f. Aan het gesticht, de inrichting of het algemeen ziekenhuis waarin de in bewaring te stellen ingevolge artikel 35d is opgenomen, ¢ de burgemeester soos moet dicht mogelijk na de opneming een afschrift van de in artikel 35c, derde lid, bedoelde verklaring. Dit afschrift wordt vermeld in en, zolang de betrokkenen in het gesticht de inrichting of in het algemeen ziekenhuis verblijft, belaagd Bij een afzonderlijke register, ingericht naar een door Ons vast te stellen model. Dit register wordt aan de Officier van Justitie op hun belangen ter inzage gegeven

Aan de eerste geneeskundige van het gesticht de inrichting dan wel de geneesheer-directeur directeur van het algemeen ziekenhuis, zendt de burgemeester zo spoedig mogelijk na de opneming een afschrift van de in het tweede lid van artikel 35c bedoelde geneeskundige verklaring.

Indien een in bewaring gestelde wordt overgeplaatst, is artikel 25, tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 35g. Ten aanzien van iemand die ingevolge artikel 35d, in een gesticht, inrichting of algemeen ziekenhuis verblijft, houdt de geneeskundige dagelijks aantekening van zijn bevindingen. Van deze aantekeningen wordt aan de inspecteur desverlangd inzage gegeven. Na beëindiging van de inbewaringstelling zendt de geneeskundige een beredeneerd verslag aan de inspecteur.

De artikelen 28-30, 35a en 37-42 zijn van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van iemand die ingevolge artikel 29, tweede lid, bedoelde ontslag slechts verleend, indien een zenuwarts vertraagd dat vinden verplegen niet nodig is.

Een in bewaring gestelde die nog niet overeenkomstig artikel 35d in een gesticht, inrichting of algemeen ziekenhuis verblijft kan schriftelijk aan de burgemeester ontslag verzoeken. De burgemeester zendt dit verzoek zo spoedig mogelijk want Officier van Justitie, in wiens arrondissement de in bewaring gestelde verblijft.

Artikel 35h. De Officier van Justitie heeft te allen tijde toegang tot een in bewaring gestelde, die in zijn arrondissement verblijft.

Artikel 35i. De Officier van Justitie in dienst arrondissement de in bewaring gestelde verblijft, zendt de op deze betrekking hebbende bescheiden na ontvangst uiterlijk de volgende dag, die niet is een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, als bedoeld in de algemene termijnenwet, aan de president van de rechtbank en vordert voortzetting van inbewaringstelling. De president beslist binnen drie dagen, in hoogste ressort of de in bewaringstelling moet worden voortgezet.

Het eerste lid vindt geen toepassing indien de in bewaringstelling reeds is geëindigd. Een ingevolge dat lid reeds gedane verordening komt dan te vervallen.

Alvorens te beslissen hoort de president de in bewaring gestelde, tenzij naar zijn oordeel uit de in artikel 35c, een op zijn verzoek door de inspecteur opgemaakte verklaring blijkt dat de toestand van de in bewaring gestelde dit zinloos of uit medische overwegingen om voor antwoord doet zijn.

De president doet zich zoveel mogelijk voorlichten door personen uit de naaste omgeving van de patient. Hij is bevoegd getuigen en deskundigen op te roepen om te worden gehoord.

Is een in bewaring gestelde, die moet worden gehoord, overgeplaatst naar een ander arrondissement nadat de Officier van Justitie de in het eerste lid bedoelde bescheiden aan de president heeft gezonden, dan wordt hij gehoord door de president van de rechtbank in het arrondissement waarin hij verblijft; de president wiens beslissing verzocht is, blijft bevoegd die beslissing te nemen.

Beslist de president afwijzend, dan eindigt de in bewaringstelling door die beslissing.

Artikel 35j. De in bewaringstelling duurt ten hoogste drie weken na de beslissing van de president, bedoeld in artikel 35i, eerste lid. Indien voor het einde van die termijn machtiging tot plaatsing overeenkomstig de artikelen 12 en 13 is verzocht of gevorderd, kan de president deze termijn ambtshalve met ten hoogste drie weken verlengen. Wordt de machtiging verleend voordat de termijn van een inbewaringstelling is verstreken, dan duurt de inbewaringstelling ook na het einde van die termijn voort tot tenuitvoerlegging van de machtiging, doch niet langer dan veertien dagen na de dagtekening der machtiging.

Behalve door het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijnen en door een beslissing als bedoeld in het zesde lid van artikel 35i eindigt de inbewaringstelling:

  1. Door ontslag krachtens artikel 35g junctis de artikelen 28, 29 of 30;
  2. Door afwijzing van een verzoek of vordering tot machtiging.

Van het eindigen van de inbewaringstelling, als bedoeld in het voorgaande lid ondera, zendt het bestuur van het gesticht, de inrichting of het algemeen ziekenhuis zo spoedig mogelijk bericht aan de inspecteur en aan de Officier van Justitie, hoofd van het arrondissementsparket, binnen wier ressorten het ziekenhuis gelegen is en aan de burgemeester door wiens zorg de in bewaring gestelde was opgenomen. Van het eindigen van de inbewaringstelling, als bedoeld in het voorgaande lid onder b, zendt de griffier zo spoedig mogelijk bericht aan de inspecteur en aan de burgemeester. De burgemeester wordt tevoren telefonisch of mondeling op de hoogte gesteld.

De burgemeester doet van het einde van de inbewaringstelling zo spoedig mogelijk, telefonisch of mondeling mededeling aan de in artikel 35e, vierde lid, bedoelde personen. Een schriftelijke bevestiging wordt op zo kort mogelijke termijn gegeven.

Artikel 36. Met hechtenis van een dag tot zes maanden of geldboete van 50ct tot ƒ600,-wordt gestraft

1 °. Vervallen

2 °. Vervallen

3 °. Hij die een krankzinnigengesticht opgericht zonder onze onze vergunning of daarin krankzinnigen blijft verplegen nadat die vergunning is ingetrokken;

4 °. Vervallen

Artikel 37. Met geldboete van 50ct tot ƒ300,-worden gestraft door bestuurders van krankzinnigengestichten die:

1 °. Nalaten de vereischte kennisgeving aangaande de opneming, verplaatsing, verlof, ontslag of overlijden van een krankzinnige te doen aan het bevoegd gezag met inachtneming van de wettelijke voorschriften;

2 °. Beide opneming van krankzinnigen nalaten zich teT toen overleggen de bij de wet gevormde stukken;

3 °. Nalaten de in de wet genoemde registers te houden overeenkomstig de wettelijke voorschriften;

4 ° tot een ontslag overgaan in strijd met de wettelijke voorschriften;

5 °. Nalaten, wanneer een verzoek om ontslag is gedaan, het advies van den geneeskundige te vragen, zoals de wet voorschrijft, of indien het advies niet toewijzend luidt, het verzoekschrift met dat advies te zenden aan de Officier van Justitie.

Artikel 38. Met geldboete van 50ct tot ƒ300,-wordt gestraft:

1 °. Hij die nalaat aan het bevoegd gezag met inachtneming van de wettelijke voorschriften te doen de in artikel 3 eerste lid, voorgeschreven aangifte en het in artikel 26 voorgeschreven bericht;

2 °. De geneeskundige verbonden aan een krankzinnigengestichten die na laat, met inachtneming van de wettelijke voorschriften, aantekeeningen te houden of te verzenden, of de verklaring en adviezen op te maken bij deze wet voorgeschreven;

3 °. Hij die een verpleegden in een krankzinnigengestichten belemmert zich schriftelijk te wenden tot de hoofden der ministeriële departementen de in artikel 1 bedoelde inspecteurs en den Officier van Justitie of een brief, voor den verpleegde bestemd en blijkbaar van geen der genoemde autoriteiten afkomstig, achterhoudt.

 

Artikel 39. De bij de voorgaande artikelen strafbaar gestelde feiten worden als overtredingen aangemerkt.

Artikel 42. De stukken vereischt tot de opneming, het verblijf, de verplaatsing, het verlof en het ontslag van personen in en uit krankzinnigengestichten, zijn vrij van zegel en worden voor zoover zij aan registratie onderworpen zijn gratis geregistreerd.
Artikel 43. De artikelen 509 en 510 en het tweede lid van artikel 518 van het Burgerlijk Wetboek zijn ingetrokken.

De wet van 29 mei 1841 van het Burgerlijk Wetboek is ingetrokken.

Echter gelden de krachtens die wetten verleende rechterlijke machtigingen voor de termijnen daarin uitgedrukt.

De krachtens de wet van 29 mei 1841 erkende gestichten voor krankzinnigen en bewaarplaatsen kunnen blijven bestaan, mits hun besturen zich gedragen overeenkomstig de bepalingen der tegen woordigen wet.

Door Ons kan aan die besturen een termijn worden verleend om hunnen inrichting in overeenstemming te brengen met deze wet.

Binnen zes maanden na het in werking treden deze wet wordt door Ons voor elke der bestaande inrichtingen eene bepaling vastgesteld als bedoeld in artikel 8, 4 °

Aan bestuurders van gestichten of bewaarplaatsen onder vigueur der wet van 29 mei 1841 bestaande, kan door Ons gedurende een tijdvak van ten hoogste drie jaren worden vergund van artikel 7 alinea drie der tegenwoordigen met af te wijken.

Artikel 44. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, enz.

W I L L E M

Uitgegeven 30 april 1884

 

You may also like...

Geef een reactie