Louis Heijermans, 1873-1938


Louis Heijermans, Geboren Rotterdam 22-12-1873, overleden Amsterdam 22-07-1938

herman heijermansLous Heijermans was een sociaal-democraat en sociaal-medicus en is geboren te Rotterdam op 22 december 1873 en overleden te Amsterdam op 22 juli 1938. Hij was de zoon van Herman Heijermans, journalist, en Matilda Moses Spiers. Op 12 december 1901 trad hij in het huwelijk met Johanna Bastiana Filarski, met wie hij twee dochters en twee zoons kreeg.

Heijermans was de jongere broer van de kinderboekenschrijfster Ida, beeldend kunstenares Marie en de toneelschrijver Herman. Het ouderlijk gezin, woonachtig in Rotterdam, telde elf kinderen.
De vader was journalist bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant en hoofdredacteur van het liberale Zondagsblad. Hij werkte vooral ’s nachts. Het gezin moest dan ook ’s morgens muisstil zijn. Zijn moeder herinnerde Louis zich als een door de vele bevallingen afgetobte vrouw: ‘worstelend met de zorgen van een groot gezin en tenslotte asthmatisch en neurasthenisch’.

Louis doorliep de Hoogere Burger School in Rotterdam, waarover hij zich later zeer negatief uitliet. Hij ging medicijnen studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Als student woonde hij jaren samen met zijn oudere broer Herman, eerst op kamers en later in een benedenwoninkje. In 1899 deed hij zijn artsexamen. Kort daarna werd hij assistent in het Nederlandsch Israëlitisch Ziekenhuis te Amsterdam. Hij vestigde zich in de Watergraafsmeer, toen nog een zelfstandige gemeente. Hier deed zich na de bouw van een eigen gasfabriek een reeks gasvergiftigingen voor. Naar eigen zeggen was dat de aanleiding voor zijn studie van de toxicologie, waarin hij tevens het verband tussen giftige stoffen en beroepsziekten zou onderzoeken.

Ook gold zijn interesse van meet af aan de invloed van werkomstandigheden, huisvesting en voeding op de gezondheid. Zijn sociaal-democratische blik zal daarbij van invloed geweest zijn want Heijermans had met Arie Querido en Ben Sajet gekozen voor de SDAP. Zij behoorden tot de tweede generatie sociaal-geneeskundigen. De eerste generatie van L. Ali Cohen, S.S. Coronel en H.F. van Hengel opereerde individueel en was politiek gesproken sociaal-liberaal. Heijermans’ benoeming in 1902 tot gemeentearts in Amsterdam verplichtte hem hierheen te verhuizen. Als gemeentearts behandelde hij de stadspatiënten in de Oosterpark- en Dapperbuurt. Hierbij ging het om de armen die de premie van het ziekenfonds niet konden betalen. Het was hem duidelijk dat de ziekten waarmee hij in aanraking kwam, behalve een medisch vooral een politiek-maatschappelijk probleem vormden. Zo had de belangrijkste volksziekte tuberculose, hoe belangrijk het zoeken naar een geneeswijze ook was, zeer veel te maken met huisvesting en voeding. Het ging Heijermans uiteraard om genezing maar evenzeer om preventie. Met een overvloed aan bewijzen (verschillende van zijn artikelen verschenen in De Nieuwe Tijd en De Socialistische Gids) wees hij de erbarmelijke huisvesting van de arbeidersklasse aan als de hoofdschuldige van deze ziekte.

Al vroeg nam hij stelling voor arbeidersziekenfondsen in hun strijd tegen de artsenorganisaties. Zijn eerste artikel in De Nieuwe Tijd is hieraan gewijd (1904). Maar bij dit in wezen sociale conflict, dat toen in Duitsland woedde, had hij ook oog voor de onderbetaalde vaste ziekenfondsartsen. In Nederland kwam dit aan orde toen M.W.F. Treub een ontwerp-ziektewet indiende. In een artikel uit 1916 stelde Heijermans vast dat de Maatschappij van Geneeskunst zich naar het voorbeeld van het NVV omgevormd had tot een gecentraliseerde en gedisciplineerde vakorganisatie met een sterke weerstandkas, die de strijd aangebonden had met de onderlinge arbeidersziekenfondsen. Niemand kon echter de belangen van de arbeiders beter behartigen dan de arbeiders zelf. Zij dienden hun eigen onderlinge ziekenfondsen te versterken en in verweer te komen tegen de artsenfondsen en de fabrieksfondsen. In de besturen moesten zij een meerderheidspositie innemen. Heijermans verweet de artsen primair hun materiële belangen te willen veiligstellen. Zijn magnum opus, de tweedelige Handleiding tot de kennis der beroepsziekten (Rotterdam 1908), was ‘het resultaat van zijn in de voorafgaande jaren in fabrieken en werkplaatsen in den lande verrichte onderzoeken’.

Bijzonder waardevol zijn de 160 door hemzelf vervaardigde foto’s van ziektebeelden maar ook van arbeidssituaties. Het boek ‘bood een voortreffelijk overzicht van de beroepsziekten in Nederland en werd terstond als standaardwerk erkend. Het was zijn eerste en voornaamste wetenschappelijke arbeid, waaraan hij zijn verdere leven een belangrijk deel van zijn gezag zou ontlenen’, aldus D. Spreeuwers. Bij de herziene en vermeerderde druk (Rotterdam 1926) had hij de medewerking van de arts H.W. Berinsohn. Heijermans pleitte ervoor dat bij de in 1890 ingestelde Arbeidsinspectie, waar ingenieurs een monopoliepositie innamen, ook artsen die geschoold waren in het onderkennen van beroepsziekten en in de bedrijfshygiëne een plaats zouden krijgen.

Aan de Technische Hogeschool te Delft bestond het vak bedrijfsgezondheidsleer nog steeds niet. Vergeleken met de omliggende landen lag Nederland op dit punt ver achter. Om deze leemte op te vullen nodigde de Sociaal-Technische Vereeniging van Democratische Ingenieurs en Architecten hem in 1907 en 1908 uit een cursus te geven in bedrijfshygiëne. In 1907 stond Heijermans aan de Technische Hogeschool te Delft op de voordracht voor een professoraat in beroepsziekten, maar deze leerstoel is er niet gekomen. Onder voorzitterschap van J.J. van Loghem kwam in 1920 onder auspiciën van de faculteit der geneeskunde een comité voor de opleiding tot hygiënist tot stand, met Heijermans als vice-voorzitter. Aan deze opleiding doceerde hij van 1926 tot 1928 stedelijke sanitaire organisatie, zuigelingenzorg en beroepsziekten, maar bij gebrek aan interesse moest de opleiding worden opgeheven.

Het uitdragen van medische kennis en vooral seksuele voorlichting onder de arbeiders lag Heijermans als sociaal-democraat na aan het hart. Voor de Arbeiderspers bewerkte hij het boek van Logan Clendening Het menschelijk lichaam (Amsterdam 1929) en voor Contact het boek van Fritz Kahn Het sexueele leven van den Mensch (Amsterdam 1937). Hij mengde zich in de discussie over homoseksualiteit en gaf als zijn mening te kennen dat homoseksualiteit niet verwerpelijk was, en al helemaal niet strafbaar hoorde te zijn. Maar het zich onttrekken aan de voortplanting vond hij afkeurenswaardig. Heteroseksualiteit behoorde de maatschappelijke norm te blijven. Ook over gezinsbeperking en abortus provocatus had hij zijn mening. Hij was niet tegen gezinsbeperking, maar gemiddeld vier kinderen vond hij de norm. Zijn gezin telde dan ook vier kinderen. Ingaande tegen de hier en daar in de jaren twintig ter linkerzijde klinkende eis dat het recht op abortus erkend diende te worden, stelde Heijermans: ‘De menschelijke vrucht mag niet vogelvrij verklaard worden. Mij stuit het afbreken van de normale zwangerschap, het dooden van een menschelijke vrucht, tegen de borst. Het is onnatuurlijk, een ernstige verkrachting van de biologische wetten, het vernietigen van iets wonderlijk teers’.

In 1919 was hij directeur geworden van de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GGD) te Amsterdam. Deze dienst uit 1901 (met als eerste directeur R.H. Saltet) had 44 armendokters in dienst, die in zeven over de stad verspreide lokalen spreekuur hielden voor zieke armlastigen. De GGD stelde een inspecteur aan die toezicht hield op de stadsdokters en de gesubsidieerde gasthuizen. Onder de autoritaire leiding van Heijermans – Sajet noemde hem een ‘Draufgänger’ – fuseerden in 1923 de Gezondheidsdienst en de Geneeskundige Dienst. Dit kwam de doelmatigheid zeer ten goede. Het in 1921 opgerichte Controle- en Meldingsbureau zorgde ervoor dat GGD-artsen de ziekenhuisopname regelden. De afdeling Geestes- en Zenuwzieken met nazorg kwam onder zijn leiding tot stand.

 

Tevens was hij voorzitter van de Gemeentelijke Commissie van onderzoek inzake verpleging van ‘krankzinnigen’. Heijermans bouwde de GGD uit van een dienst voor zieke armlastigen en hulp bij ongelukken tot een instelling waarvan het preventieve karakter steeds meer op de voorgrond trad. Er kwam een Medisch Statistisch Bureau en in 1920 begon het Bureau voor Zuigelingenzorg met zijn werk. In de hele stad kwamen zittingslokalen. In 1933 volgde de Kleuterzorg. Er kwamen schoolartsen en aan de Zeeburgerdijk werden quarantaine-barakken voor besmettelijke zieken gebouwd. De GGD nam ook vroedvrouwen in dienst. Dit omvangrijke medische bedrijf werd door Heijermans met vaste hand geleid. Naar zijn eigen zeggen waren het niet de afzonderlijke individuen die hem interesseerden maar de sociaal-medische problemen in algemene zin.

Dit klopt niet met het oordeel van collega’s. Heijermans stippelde de grote lijnen uit en hield hier op onverzettelijke wijze de hand aan. Als een arts hem vergeefs probeerde over te halen voor een bepaalde patiënt een uitzondering te maken, was het laatste redmiddel de vraag: ‘Wilt U de patiënt zelf niet eens zien?’. ‘Hij weigerde dit nooit’, aldus Querido, ‘en als hij dan weer de mens met al zijn noden voor zich gehad had, was de zaak meestal wel in orde’. Querido schreef over zijn ongemene daadkracht, snel inzicht, organisatorisch vermogen en ijzeren wilskracht: ‘In tien jaar tijds bouwde hij de geneeskundige dienst om tot “zijn Dienst”, een instrument voor geneeskundige en gezondheidszorg van de bevolking dat nationaal zowel als internationaal model stond voor het beste dat destijds bereikt kon worden’.

Hij bekleedde naast zijn directeurschap van de GGD vele functies. Hij was redactielid van het tijdschrift Sociale Voorzorg (1919-1924), mede-oprichter en bestuurslid van Zonnestraal. Hij was eveneens mede-oprichter en bestuurslid van de Nederlandsche vereeniging tot bevordering van den arbeid voor onvolwaardige arbeidskrachten. Hij nam het standpunt in dat arbeidsongeschiktheid een betrekkelijk begrip was en dat er voor arbeidsonvolwaardigen wel degelijk arbeidsplaatsen te vinden waren, waar zij hetzelfde salaris konden en behoorden te verdienen als volwaardige arbeidskrachten. Verder was hij ook buiten Nederland actief, onder meer als voorzitter van de Commission Mixte, gevormd door de Volkenbond en het Internationaal Arbeids Bureau, die zich met de Sociale Verzekering bezighield. Voor de Volkenbond maakte hij enkele studiereizen. Op 31 december 1937 ging Heijermans met pensioen en J.H. Tuntler volgde hem op.

Niet alleen het sociaal-medische werk vulde zijn leven. Hij schaakte, bridgte, viste, ging naar toneelvoorstellingen en interesseerde zich voor schilderkunst. Hij maakte kunstreizen door Griekenland en Italië.
Een van zijn laatste activiteiten bestond in zijn lidmaatschap van de door NVV en SDAP ingestelde commissie die tot taak had een rapport uit te brengen over sociale verzekering. Na een ernstige ziekte stierf Heijermans in juli 1938, vlak voor het rapport in augustus in druk verscheen. ‘Nadat het rapport reeds geheel gezet was is Heijermans overleden. De commissie stelt er prijs op hier een woord van weemoedige dank te brengen aan zijn nagedachtenis’.

 

You may also like...

Geef een reactie