Medicamenteuze therapie 1957

Afgezien van enkele specifieke behandelingsmethodes, zoals de antiluetische, die in het speciële gedeelte aan de orde zullen komen, meent de medicamenteuze therapie in het algemeen in de psychiatrie geen zeer belangrijke plaats in.

Haar betekenis is bijna uitsluitend een symptomatische, terwijl haar indicaties vooral liggen op het terrein van de bestrijding van “nervositeit”, gejaagdheid, angst, onrust, depressieve matheid en van slaapstoornissen.

Men zij in het algemeen voorzichtig met het voorschrijven van sedativa en narcotica en men bedenke dat deze middelen bij te hoge dosering welhaast zonder uitzondering ernstige vergiftigingsverschijnselen en zelfs de dood tengevolge hebben, zodat zij door patiënten met suïcideneigingen misbruikt kunnen worden. Het is daarom in veel gevallen niet raadzaam om de patiënten zelf over deze medicamenten te laten beschikken en men zij zelfs op zijn hoede bij patiënten die onder toezicht worden verpleegd, omdat die een dagelijkse dosis van een slaapmiddel, die zij in schijn inslikken, kunnen bewaren tot zij aldus een dodelijke hoeveelheid hebben vergaard.

Van nog meer betekenis is echter, dat het gebruik van de meeste narcotica, met name dat van alle barbituraatderivaten, en ook het gebruik van wekaminen tot verslaving kan leiden, waarvoor uiteraard vele mensen met neurotische of psychopathische persoonlijkheidsstructuur bijzonder vatbaar zijn. Dat men in verband hiermee extra voorzichtig moet zijn met het voorschrijven van alcohol, dat overigens op zichzelf vaak een goed slaapmiddel is, en dat morphine uiterst gevaarlijk is, behoeft wel nauwelijks betoog.

Er zijn grote individuele verschillen in het effect der diverse sedativa en narcotica, zodat het gerechtvaardigd is om wanneer met een bepaald middel geen resultaat word verkregen, iets anders te beproeven, waarvoor trouwens de soms spoedig intredende gewenning ook een argument kan zijn.

In het algemeen verdient overigens een langdurig gebruik van deze middelen weinig aanbeveling en moet naar onderbreking, respectievelijk een volledig stopzetten van de behandeling worden gestreefd. In een zeker aantal gevallen leert de ervaring bovendien dat met Sach. Lact. dezelfde resultaten worden bereikt, vooral wanneer daaraan een sterk smakend middel, bijvoorbeeld Chinine, word toegevoegd.

Weinig krachtige sedativa, die geschikt zijn voor gebruik overdag tegen ‘nervositeit’, rusteloosheid, gejaagdheid en hyperemotionaliteit, zijn Calcibronaat, Broom, Tinct. Valeriaan, Bromural en Prominal. Van de krachtiger werkende en als slaapmiddelen te gebruiken medicamenten wil ik noemen Adalin, Sedormid, Soneryl, en de langer en sterker werkende middelen Luminal, Doriden, Somnifen en Veronal. Goede narcotica, met name ook voor motorische onrustige psychotici, zijn Chloralhydraat, waarmee men echter bij oudere patiënten voorzichtig moet zijn en vooral Paraldehyd. Dit laatste middel heeft een zeer onaangename smaak en reuk. Het kan ook intramusculair worden geïnjiceerd, evenals Somnifen en Dial.

Bij hevige opwindingstoestanden, bijvoorbeeld bij patiënten die vervoerd moeten worden, kan een sub-cutane injectie met Hydrobromas op haar plaats zijn, waarvan men bij krachtige en lichamelijk gezonde personen ¼ mgr eventueel ½ mgr en zelfs 1 mgr per injectie kan geven. De werking kan op een doelmatige wijze worden versterkt door combinatie met 20 mgr Pantopon.

De mening dat voor het vergemakkelijken van het transport van onrustige patiënten Morphine een geschikt middel is, lijkt bij vele artsen welhaast onuitroeibaar te zijn, maar is nochtans onjuist; men bereikt er in tegendeel zelden een bevredigend resultaat mee. Alleen in die gevallen waarin de motorische onrust ontstaat door pijn, of door intensieve gevoelens door lichamelijk onbehagen, zou Morphine op haar plaats kunnen zijn, al verdient dan Pantopon de voorkeur.

Pulvis opii is in sommige gevallen een goed middel ter bestrijding van angst. Men kan deze behandeling als een opium-“kuur” geven, waarbij begonnen word met 3x daags 10 mgr, welke dosering men met 3x 10 mgr per dag laat stijgen tot 3x 100 mgr gegeven wordt, welke hoeveelheid gedurende een week word gehandhaafd, waarna weer met 3x 10 mgr per dag wordt gedaald.

Bij toestanden met angstige spanning en bij opwindingstoestanden, vooral wanneer angst daarbij een rol speelt, kan men meermalen opmerkelijke verbetering verkrijgen met largactyl, (chloorpromazine). Wegens de kans op het ontstaan van diverse complicaties is grote voorzichtigheid echter geboden. Terwijl met name controle van het bloedbeeld en van de leverfuncties noodzakelijk is. Men zij er zich met name van bewust dat door een combinatie van dit middel met barbituraten de patiënten ongemerkt als het ware in een “winterslaap” kunnen geraken. Hetzelfde geld van Serpasil (Resperine).

Als opwekkende middelen tegen lusteloosheid en depressies kunnen in hardnekkige gevallen Benzedrine, Dexedrine en ook Drinamul in aanmerking komen. Men geve deze middelen, die tenslotte niet meer dan kleine zweepslagen zijn, echter niet te lang achter elkaar en nooit in gevallen waarin men bijzondere redenen heeft om het ontstaan van verslaving te vrezen en men zij met Dexedrine voorzichtig bij magere mensen wegens de eetlust remmende werking. De dosering moet bij beide middelen voorzichtig individueel geprobeerd worden. Zij dienen bij voorkeur gegeven te worden na de maaltijd en wegens de slaapverstorende werking niet op het einde van de dag. Van de anti-convulsieve middelen moet voor alles Luminal worden genoemd, terwijl voor die gevallen waarin dit niet tot het gewenste resultaat voert, Diphenylhydantoine eventueel in aanmerking komt.

Voor het bestrijden van ‘Petit Mal’ bewijst Absentol (Petitdion) dat wegens de kans op het ontstaan van leucopenie echter slechts onder regelmatige controle van het bloedbeeld mag worden toegediend, soms goede diensten.

 

Bron:

Leerboek der psychiatrie, Dr. G. Kraus

H.E.Stenfert Kroese N.V. – Leiden, 1957

You may also like...

Geef een reactie