Medicatie, 1870, opsomming

In dit artikel alle medicatie genoemd in:

Verslag over de staat der gestichten voor krankzinnigen in de jaren 1864, 1865, 1866, 1876 en 1868, aan den minister van binnenlandsche zaken, ingediend door de inspecteurs dier gestichten.

Van Weelden en Mingelen, 1871 (voorheen exemplaar van de bibliotheek van Huize Padua)

Extra bronnen met informatie over de medicatie: Veel van de genoemde medicatie is in de huidige literatuur niet meer te traceren. Daarom heb ik voor extra informatie van een tweetal boeken gebruik gemaakt, de ene uit 1913, de andere uit 1947.

(1) Pharmacotherapeutisch vademecum, Pinkhof & van der Wielen D.B. Centen, Amsterdam, 1913
(2) De werking van onze voornaamste geneesmiddelen, FA Nelemans J.H. de Bussy, Amsterdam, 1947

Het is belangrijk te weten dat onderstaand artikel is gebaseerd op achterhaalde wetenschap. Gebruik van of behandeling met de betreffende medicatie is levensgevaarlijk. 

Pagina 41 tot en met 44:

Bij het overzicht van den werkkring van zoo vele geneeskundigen, als aan de Nederlandse gestichten werkzaam zijn, is de vraag niet onbelangrijk, van welke geneesmiddelen door hen het meest gebruik gemaakt werd, welke opvatting zij omtrent de indicatie koesterden, welk effect zij daardoor verkregen.

Alle theoretische bespiegelingen ter zijde latend, willen wij de resultaten hunner ervaring op dit punt, die wij hier en daar vermeld vonden, mededeelen.

Opium: Van dit middel en zijne preaparaten werd vrij algemeen en nogal ruim gebruik gemaakt. Dordrecht (1864) vond het (2 gr. daags) dienstig ter bestrijding van manie, vier maal daags 2 gr. genomen tegen delirium tremens bij eene vrouw. Ook Amsterdam (1864) zag zeer gunstige uitwerking van opium purum in klimmende giften. Constipatie en congestie werden daarbij niet waargenomen, tenzij het individu bijzonder tot congestie gedisponeerd was. De eetlust verbeterde, de tong werd zuiverder. Laxeerende clysmata werden echter vóór het gebruik aangewend. Meerenberg (1864) zag eveneens het opium in klimmende giften bij de mannen in enkele, bij de vrouwen in vele gevallen door eene gelukkige uitkomst bekroond. Zutphen (1867) wendde het volgens Le Grand Du Saulle bij melancholie met bevredigend gevolg aan. Latere mededeeling daaromtrent werd bij genoegzame waarneming toegezegd. Utrecht (1866) vond dat narcotic op zich zelve weinig resultaten opleverden, terzij eerst alle complicatien verwijderd waren en er geen bloedaandrang aan de hersenen bestond. Franeker (1866) vond in enkele gevallen van melancholie pulv. dov. (?) werkzaam, waar opium alleen geen effect teweeg gebragt had. Zutphen zag van opium purum in klimmende giften tegen melancholie weinig snellere en gunstiger werking dan van extr. opii.

Morphine: Van morphine werd over het algemeen veel gebruik gemaakt als sedans en als hypnoticum; maar van de subcutane injectien met morphine wordt door Meerenberg (1864) gewag gemaakt als vooral te pas komende bij hen, die niet willen innemen. Zutphen (1865) verklaart er zelfs de gewenschte uitwerking door verkregen te hebben, als andere narcotica, op andere wijze toegediend, in de steek lieten. Ook Utrecht (1866) verkiest hare aanwending boven die in anderen vorm. Delft (1868) is van het zelfde gevoelen en vond de inspuitingen onder de huid met mur. morphii, als hypnoticum, gunstig bij manie en bij melancholica agitans; bij chronische manie (periëncephalitis chronica) bleven zij zonder effect op den loop der ziekte; bij twee stompzinnigen openbaarde zich haar hypnotisch effect eerst 18 uren later.

Narcine: Werd door Zutphen (1867) geprezen bij opiophobie

Narceinum, (C22,H27,NO8,3H2O) een der opium-alkaloïden, in water slecht oplosbare, kleurlooze kristallen. Gebruik: als hypnoticum en seativum, gelijk morfine, doch van zwakkere werking; 20-50 mgr., tot 0.1 gr. meerm. Daags; in clysma of suppositorium 10-50 mgr (1)

Papaverinum: ¼ gr. driemaal daags werd door ’s Bosch geprezen als hebbende 2 lijders geheel genezen en 2 veel verbeterd.

Papaverine. Een belangrijke stof die in opium voorkomt is de papaverine. Papaverine is een spasmolyticum, dwz een middel dat spasmen (contracties van gladde spieren) opheft. (Lyein beteekent losmaken). Spasmen (kramp) van gladde spieren kent men maar al te vaak. Darmkrampen zijn berucht wegens hun pijlijkheid. Verder vaatkramp, niersteen- en galsteenkolieken, blaaskramp, kramp van spieren in de longen, al deze onaangename toestanden tracht men te bestrijden door de kramp der gladde spieren te bestrijden door de kramp der gladde spieren op te heffen en als dat lukt, dan verdwijnen de pijn en andere bezwaren onmiddellijk. (2)

Digitaline (vingerhoedskruid) Digitaline werkte volgens Dordrecht (1864) gunstig tegen hersenprikkeling. Utrecht (1866) maakt er de conditie bij dat de hartsbewegingen zeer onstuimig en de krachten niet gezonken zijn. Zutphen vond in 2 gevallen van acute manie zeer gunstig werkend. ’s Bosch (1865) beveelt het vooral aan bij hallucinatien van het gehoor. Eene zeer door hallucinatien opgewekte vrouw werd in 7 dagen door inf. digit. (dr. ß op unc. vii ??) kalm en van hare hallucinatien bevrijd. Na een gebruik van 14 dagen ontstonden intoxicatieverschijnselen. Het medicament werd weggelaten en zij recidiveerde in haren vorigen toestand, die weer week, toen zij weer digitalis gebruikte. Het zelfde gunstige effect daarvan werd waargenomen bij eenen lijder, die meende aan alle spieren te worden getrokken. Waar de hallicunaties niet op zichzelven stonden, maar met andere vormen van krankzinnigheid gepaard gingen, was het effect niet merkbaar. Ook bij manie werd digitalis gunstig bevonden door ’s Bosch en tegen melancholia agitans door Delft (1867)

Cannabis indica: Cannabis indica bragt beterschap aan, volgens Zutphen (1867) bij 2 hallucinanten en herstel van eene melancholica, die door andere narcotica te zeer geconstipeerd werd; bij eene melancholia stupida bleef het zonder eenig effect. Voor het overige werden daaromtrent door Dr. Van Andel meerdere bijzonderheden medegedeeld in het Nederl. Tijdschrift voor Geneeskunde, jaarg. 1866, pag. 339 enz.

Belladona: Belladona werd door Utrecht (1866) geprezen als antispasmodiem bij habitueele constipatie. Folia Belladonae, doodkruid of wolfskers zijn de bladeren van de Atropa Belladona; ze bevatten o.a. 0.3 tot 0.4% alkaloiden, in hoofdzaak hyoscyamine met betrekkelijk weinig artopine, gebonden aan appelzuur, dus in een in water oplosbare vorm (1)
Gebruik: als rookmiddel in vereeniging met Herba Stramonii of Opium bij asthma; in pappen, poeders of per infuus bij kinkhoest, asthma, katarrhen, neuralgien, loodkoliek (waarbij het purgerend werkt), epilepsie.
Vergiftigingsverschijnselen: heeschheid, droge mond en keel, dorst, droge huid, wijde pupillen, accommoddatie-verlamming, snelle pols, lichte tot hevige deleria, dood door hartverlamming
Tegengiften: maagspoeling met tannine, carbo ligni, Iodium, opium, pilocarpine, morfine, braking verwekken door apomorfine. Clysma met zout- of azijnwater, laxantia.

Lupuline:  Dit middel dient volgens Utrecht (1866) om het geslachtsleven tot ontspanning te brengen. Delft (1867) verkreeg daarentegen bij zijne toediening een negatief resultaat.
Glandulae lupuli, lupuline (hopklieren), de schubben van de kegelvruchten van humulus luppulus; als werkzame bestanddeelen komen in de eerste plaats in aanmerking vluchtige olie en hars.
Gebruik: lupuline is een sedativum. Het word zoowel tegen nerveuze prikkelbaarheid der blaas gegeven, ter bestrijding der pollakurie, en der blaaskramp, ook bij katarrhen; 3x daags 0.1-0.5 gr in poeders of pillen. Vroeger gebruikte men lupuline als anaphrodisiacum. (1)

Helleborus niger (rhizoma hellebori nigri, rhizoma hellebori viridis) Bleef in Delft (1867) zonder uitwerking. Helleborus niger = zwarte nieswortel, werd vroeger (zegt men in 1913) gebruikt tegen epilepsie. De wortelstok van de helleborus niger bevat als werkzame bestanddeelen glucosiden, oa helleborine en helleboreine.
De zwarte nieswortel werd vroeger tegen epilepsie aangeprezen, en elctuarium tot 1 gram per dag. De groene is bij hydrops cardiacus nog wel in gebruik, in pillen met 10mgr. van het rhizoma per stuk; groote doses verwekken diarrhee en braking, wat te wijten is aan het glucoside helleboriene, waavan tot 100! Mgr per etm kan worden gegeven in pillen of slijmige mixtuur; gebruikelijke doses tot stimulatie van het hart 10-20! Mgr 4-5x per etmaal; ook het glucoside kan diarrhee verwekken. Als ooganastheticum ½ mgr. opgelost indruppelen.
Vergiftigingsverschijnselen; (diarrhee, kuitkrampen, collaps, deliria, mydriasis, daling der frequentie van pols en ademhaling en der lichaamswarmte) te behandelen met emetica, maagpomp, tannine en stimulantia, warme omslagen, hypodermoclyse.
Bereidingen: helleboreinum, (C37,H56,O18) een geelachtig poeder, oplosbaar in water en spiritus
Extractum hellebori, (sppl) een droog, met spiritus en water aa bereid extract; als alterans 30-100mgr meerm daags in pillen; als purgans en emmenagogon 0.2-0.6 gr meerm daags (1)

Brometum kalicum:  Werd in 1865 door Meerenberg zonder gevolg gegeven. Utrecht (1866) meende, dat het de irritabiliteit van de spinaalzenuwen bedaarde en die van het ruggemerg verminderde; daarenboven zou de vermeende werking van de potaschzouten door de toevoeging van het bromium verhoogd worden. Ook in 1868 werdt het door Utrecht geprezen wegens zijne bestrijding van den prikkelenden toestand der zenuwcentra. Zutphen (1867) liet zich daarover ongunstig uit.
Brometum kalicum, (KBr) witte kristallen, oplosbaar in water 1 deel in 1.6 dln, in spiritus 1 deel in 12.4 dln
Broomzouten algemeen: De broomzouten verminderen de prikkelbaarheid van het zenuwstelsel, zoowel van de bewegings- als van de gevoelscentra, en ook de reflexprikkelbaarheid. De toepassing deze eigenschap is zeer uitgebreid. Bij neuralgien, prikkelbaarheid, jeuk, jeukende uitslagen, het braken der zwangeren (onzekere werking) chorea, kinkhoest worden kleine hoeveelheden (1-2 gr per dag) gaarne voorgeschreven. Bij slapeloosheid en een gram broomzout, in een glas warme melk gebruikt een uur voor bedtijd afdoende. Groote doses, tot 8 gram per dag, maandenlang gebruikt, zijn noodig tot het onderdrukken van epileptische aanvallen.
Een chronische broomnarcose, door zeer groote giften (4 maal 8 gram per dag) broomnatrium, is door MacLeod aangewend bij psychosen, ook om het langdurige vervoer in verre gewesten mogelijk te maken (zie ned. Tijdschrift v. geneesk. 1900 blz 619, wat betreft de zeer bijzondere voorzorgen daarbij nodig) Sommige krankzinnigen zouden, uit dien slaap ontwakend, hun psychose als het ware hebben vergeten.

Bijwerkingen: acne, vermindering van het geheugen, spijsverteringsstoornissen. (1)

Jodetum kalicum: Jod. Kalic. werd door Delft (1867) als onvermogend gemeld tegen paralysis cerebri, slechts in 1 geval zou het in staat zijn geweest het verloop der ziekte te vertragen. Dit middel heeft voornamelijk somatische toepassingen zoals bij syphilis, scrophuleuze klierzwellingen, tuberculeuze peritonitis, als asthma middel, verslapping van de kleine artherien en nog wat van die dingen. Ik ga er derhalve verder niet op in. (1)

Strychnine: Werd in 1867 in Delft tegen enuresis atonica, en Oxyd. Zinci tegen enuresis erethica dienstig gevonden.

Ook hier weer voornamelijk somatische toepassingen. Het middel werd o.a. gebruikt tegen gynaecologische obstipatie, carminativum, amarum en darmtonicum. Als middel tegen amaurose en amblyopie; bij asthenische toestanden in acute ziekten, bij paresen, enuresis, maagatonie, vooral dyphtherische paresen, bij drankzucht en slangebeeten. (1)

Campher: Lang voortgezet, zeer gunstig tegen hardnekkige onanie, Zuthpen (1866) Kampfer is een middel wat al lang bekend was en al door de romeinen werd toegepast. Ten onrechte had het vroeger de naam een anaphrodisiacum te zijn.
Kampfer is een prikkel voor het hart, het vasomotorisch centrum, de centra in het verlengde merg en de groote hersenen. Therapeutisch maakt men gebruik van onderhuidse inspuitingen van kleine giften opgelost in bijvoorbeeld eather als exitans bij hartzwakte of collaps, in ’t bijzonder bij pneumonie en gastroenteritis. Camphora monobromata als sedativum, vooral in de geslachtsspheer. Verder ter voorkoming van decubitus en andere wonden. (1)

Liquor Fowleri (?) Zelfs in klimmende giften bij twee lijders aan chronische manie door Zutphen (1867) zonder het gewenschte effect toegepast.

Nitras argenti: Werd in zijne werking door Utrecht (1866) ongeveer gelijk gesteld met brom. calic. terwijl het aldaar ook tegen habitueele vaatuitzetting werd toegediend. In verdunde oplossing werkt het vaatvernauwend. Bij vergiftiging melk en keukenzoutoplossing. Na langdurig gebruik argyrie (grauwzwarte huidverkleuring door metallisch zilver)
Vroeger gebruikt bij ruggemergziekten, epilepsie en cholera. Verder nog goed tegen wratten en tegen granulomen in den darm. (1)

Infusio Valerianae: Dit middel met zwavelaether werd door Rotterdam bij idiopatische manie aanbevolen, vooral bij vrouwen, die meenen en een of anderen plicht verzuimd te hebben en nu daarvoor verwijtingen vrezen
Radix Valeriana: de bijwortels met den stengelvoet van de Valeriana officinalis. Bevat vluchtige olie, alkaloiden, (chaline, valerianine) valeriaanzuur, appelzuur, mierenzuur, azijnzuur, looistoffen. De vluchtige olie en de looistoffen komen in den verschen wortel in glucosidischen vorm voor. De valeriaanglucosiden worden na het afsterven van den wortel door fermenten gesplitst. De kleur van den wortel wordt bij het bewaren donkerder, terwijl ook het aroma sterker word.
Gebruik: als carminativum en krampopheffend middel (bijv. bij dysmenorrhee) soms van treffende werking bij hysterische en hypochondre personen, 5-19 gram daags als infuus of zelf bereide thee. (1)

Chloroform:  Chloroform werd door ’s Bosch (1865) gebruikt om de krankzinnigen bij voedselweigering te laten ruiken en zoodoende of hun tegenstand te verminderen of onder de ingetredene narcosis de voedingsbuis in te brengen. Dordrecht prees daarvan (1868) het verrassende effect, indien chloroform door middel van eenen pulverisateur met dubbelen gaffelvormigen bek langs de ruggegraat geappliceerd werd ter bestrijding van de chorea major

Chinine: Chinine werd door ’s Bosch (1865) te vergeefs tegen intermitterende manie aangewend. Kinine was natuurlijk primair het middel tegen malaria. Maar er staat nog wel geschreven dat kinine ook wel als sedativum werd gebruikt. (1)

Martialia (?) Werden te ’s Bosch (1865) in het algemeen geprezen

Tonica Amara en Roborantia: Tonicum Amara en Roborantia moesten in Meerenberg (1864) vooral toegediend worden wegens den anaemischen toestand (bloedarmoede) waarin vele lijders zich toenmaals bevonden.
Tonica Amara; Elixer viscerale Hoffmani – Cort. Cascarill. 8.0, Herb. Centaurii 4.0, Herb. Cardui bened. 4.0 Rad Gentianae 2.0, Cort. Aurant. 1.0, Spir. dil 5.0, Vin Malac. 95, Zeer bittere wijn
Gebruik: als stomachicum en tonicum, 3 m daags 1 of 2 suikerlepels voor het eten. In vele gevallen te vervangen door aangenamer smakenden Vinum Chinae (1)

Roborantia: Versterkend middel, verder niks bekend (?)

Succinas amon.-pyro-animale liq.: Werd door Delft 1867) met succes gegeven tegen paralysis agitans van een jong meisje.
Succinas ammonicus is het amoniumzout van barnsteenzuur. Kleurloze, in water oplosbare kristallen; bij krampweeen 0.1 – 0.150 gr om het kwartier in oplossing. Wat de toevoeging –pyro-animale liq. betekent weet ik niet. (1)

De murias cupro-ammoniacale (?) Door dr Richarz zoozeer geprezen tegen voedselweigering, werd door Zutphen (1865) van een hoogst twijfelachtig effect bevonden en bleef te Delft (1867) bepaald zonder gunstigen uitwerking

Decoct rahm. frag: Werd door Franeker (1864) het beste middel genoemd tegen constipatie bij melancholie en stupiditeit. Onder het gebruik daarvan bedaarde (1864) de salivatie, die bij sommige lijders in hooge mate bestond en verbeterde de algemeenen gezondheidstoestand.
Rhami frangulae is de stam van de takbast van Rhamus Fragulae. Het is het inlandsche anthrachinon-derivaten bevattende laxeermiddel, het bevat deze, evenals de cascara sagrada, de sennebladeren en de rhabarberwortel, in glucosidischen vorm, welke ten deele in water oplosbaar en ten deele onoplosbaar zijn, maar die bij koken of infunderen, toch grootendeels, in het aftreksel overgaan. De versche Rhamnusbast bevat een enzym, dat braking verwekt, vandaat dat alleen bast, die een jaar oud of, wat op hetzelfde neerkomt, die gedurende een uur bij 100 graden is verwarmd, mag worden gebruikt.
Gebruik: vuilboom of sporkenhout, ook rhamnusbast (populair; rammenasbast genoemd) is een populair laxeermiddel; als decoctum (ingekookte vloeistof) 25:200, een wijnglas vol, eenige malen, tot de werking is bereikt. Zeer bruikbaar.

Podophylline: Dit deed, volgens Meerenberg (1864) ½ tot 4 gram dagelijks, goede diensten zonder groote ongaangename nevenwerking. Zutphen gaf het (1865) in eene alcoholische oplossing met malzextract, als bier te drinken aan iemand, die weigerde in te nemen.
De wortelstok van podophyllum peltatum. Bevat als werkzaam bestanddeel een mengsel van harsachtige stoffen (resina podophylli)
Gebruik; als doelmatige laxans, bij ophooping van faeces en icterus. (1)

Tartarus emeticus: Bewees te Rotterdam goede diensten bij hevige razernij (1864); werd in Meerenberg (1864) alleen toegediend in sommige gevallen van dementie, gedurende de tijdelijke vlagen van opgewektheid in hield in Utrecht (1866) zijn speciale indicatie etc. etc.
Tartras kalico-stibicus, tartarus emticus, tartarus stibiatus etc. toegepast als braakmiddel bij volwassenen. Als expectorans bij bronchitis en pseudo croup (bij pneumonie vermijden wegens collapsgevaar) Werd vroeger als derivans bij dementia paralytica gebruikt (pokzalf) (1)

You may also like...

Geef een reactie