Neurosen, inleiding, 1979


Inleiding:

In tegenstelling tot lijders aan een psychose hebben neurotici en meer uitgesproken ziektegevoel, doch het inzicht in hun ziekt ontbreekt. De klachten die zij hebben liggen deels op het psychische vlak. Ze voelen zich gespannen, of angstig, doch vaker zijn de klachten van lichamelijke aard. De oorzaak wordt door de patiënten toegeschreven aan een overwerkt zijn, of ze menen lichamelijk ziet te zijn.

Een eerste vereiste is dat elke patiënt nauwkeurig lichamelijk wordt onderzocht met de meest moderne technisch hulpmiddelen. Dit geldt in het bijzonder voor neurosen, die op latere leeftijd optreden (neurosis tarda). Vaak ziet men neurotische klachten ontstaan bij niet herkende lichamelijke ziekten. Ze treden nogal eens op bij een niet herkend hartinfarct, doch ook bij andere ziekten, zoals bij een beginnend carcinoom.

Neurotische klachten vinden hun oorzaak grotendeels in jeugdconflicten, waarop actuele conflictsituaties kunnen zijn gesuperponeerd. Opvoedingsfouten, zoals een overmatige verwenning, of een te sterke verwaarlozing spelen bij een latere neurotisering een belangrijke rol. Voor het opgroeiende kind dat in conflictsituaties gewikkeld raakt, en ditzelfde geldt voor volwassenen, bestaan globaal gezien twee mogelijkheden om daarmee in het reine te komen, nl. door middel van de agressieve afweer of via vluchtmechanismen. We spreken in dit laatste geval van afweermechanismen. Hieronder verstaat men aangeleerde reacties, die dienen om angstgevoelens te vermijden of te verminderen. De mens zelf is zich vaak niet bewust van het bestaan van afweermechanismen die dienstig zijn om zijn problemen dragelijk te maken.

Afweermechanismen komen bij normale mensen voor, doch in sterkere mate bij lijders aan een neurose. De bron van afweermechanismen ligt in kinderlijke angsten, bv voor liefdesverlies, voor separatie, in de angst om agressieve gevoelens te hebben, dan wel angst voor seksuele gevoelens, of angst voor straf. Angst kan eveneens samenhangen met schuldgevoelens wanneer het kind in gewetensconflicten geraakt.

We noemen thans enkele afweermechanismen:

Verdringing:
Pijnlijke, angstoproepende herinneringen worden verdrongen en niet tot het bewuste toegelaten. Het is opvallend hoe bijzonder pijnlijke gebeurtenissen in de jeugd op latere leeftijd nog moeilijk zijn te herinneren.

Ontkenning:
Feiten uit de realiteit worden ontkend. Een kind bv dat vijandig door de moeder wordt behandeld ontkent dit en vind dat de moeder veel van hem of haar heeft gehouden.

Projectie:
Eigen ongewenste gedachten of handelingen worden aan anderen toegeschreven.

Rationalisering:
Men gebruikt sociaal geaccepteerde redeneringen om eigen gedrag of houding te rechtvaardigen, omdat de werkelijke reden niet acceptabel is voor het eigen geweten. Als voorbeeld kan dienen, dat de ouders eigen woede reacties op het kind kunnen afreageren en dit motiveren door te zeggen dat het voor het bestwil van het kind is.

Verplaatsing:
Iemand richt een op zichzelf begrijpelijke emotionele reactie op een ander object, bv een kind dat kwaad is op zijn ouders, trapt tegen een stoel.

Reactieformatie:
Iemand die steeds bezig is zich kraakhelder te gedragen, kan dat doen als afweer tegen een te sterke en niet geaccepteerde wens om ‘vies’ te zijn.

Terugtrekking:
Vluchten uit bedreigende situaties geeft vermindering van angst, is derhalve op het moment lonend en zal steeds sneller en gemakkelijker optreden.

Regressie:
Hieronder verstaat men het weer gebruiken van gedragspatronen, die karakteristiek zijn voor een vroegere fase in de ontwikkeling.

Verder worden ook magische handelingen als afweermechanismen gezien. Belangrijk is nu, dat neurotische symptomen eveneens moeten worden gezien als afweermechanisme dwz als vlucht uit de bestaande ondragelijke realiteit.

Het ontstaan der neurosen.

Over het ontstaan van neurosen bestaan verschillende theorieën, waarbij opvoedingsfouten in alle gevallen centraal staan.

Naast meer fysiologische beschouwingen zoals die zijn ontwikkeld door pavlov in zijn theorie van de voorwaardelijke reflexen, waardoor een verklaring wordt gegeven van de toenemende sensibilisering, toenemende gevoeligheid, werd een belangrijk denkmodel aangegeven door Freud en zijn leerlingen. Daarop zullen we wat uitvoeriger ingaan, hoewel de theorieën over het ontstaan van neurologisch gedrag in extenso worden behandeld in het leerboek psychologie.

Theorieën omtrent het ontstaan van de neurosen:

Deze zijn in hoofdzaak ontwikkeld door Freud, Adler en Jung. Freud kwam op grond van de bestudering van neurotische patiënten tot het inzicht, dat er bij de mens naast een bewust ook een onbewust deel van de persoonlijkheid is. Bestudeerde hij de klachten en de verschijnselen van de lijder aan een neurose, dan bleek dat voor het ontstaan daarvan allerlei jeugdconflicten, welke reeds lang vergeten waren, respectievelijk verdrongen waren, een grote betekenis te hebben.

Deze conflicten uit de jeugd zijn onbewust werkzaam en werken storend in op de normale ontplooiing van de persoonlijkheid. De patiënt zelf weet dat niet. Milieustoornissen spelen een grote rol. Reeds bij het jonge kind is sprake van allerlei lustsensaties, welke Freud vergelijkt met de seksuele lustgevoelens, zoals die na de puberteit voorkomen. Freud spreekt van libido. De lustgevoelens treden reeds op bij het zuigen aan de moederborst. Dit is het orale stadium der lustbevrediging. Naderhand nemen de darmfuncties een centrale plaats in bij de lustbevrediging, het zg anale stadium. Nog later ontstaat het fallische genitale stadium waarbij aan de geslachtsorganen lust word beleefd.

Als het kind de indruk krijgt dat deze driften geheel of gedeeltelijk door belangrijke personen in de omgeving, met name de ouders, worden afgekeurd, kunnen ze worden afgeweerd, bv verdrongen, wat betekent dat ze onbewust worden. Afkeuring treedt met name op in de anale fase. Dan vind een productieproces plaats (faeces), dat aan de beoordeling van anderen word onderworpen. Een te strengen zindelijkheidstraining kan zijn sporen nalaten in de latere persoonlijkheidsstructuur in de vorm van een te hoge gewetens functie (het psychastheen-dwangmatige karakter). Verdringingen kunnen in de kinderjaren al, of pas veel later op volwassen leeftijd, tot neurotische stoornissen aanleiding geven.

Dergelijke op conflicten in de kinderjaren berustende stoornissen kunnen langs psycho-analytische weg worden behandeld. Het is dan de bedoeling het oude conflict op te sporen en weer bewust te maken. Eén van de middelen daartoe is de analyse van de dromen, omdat in dromen de afgekeurde onbewuste wensen op symbolische wijze –men zou kunnen zeggen in een soort beeldspraak- tot uiting worden gebracht.

De onbewuste wens is echter in de droom, omdat het een afgekeurde wens is, vermomd, zodat het opsporen ervan moeilijk is.

Oedipuscomplex

Voor het ontstaan van een neurotisch conflict is ook het zgn oedipuscomplex van betekenis. In het oedipale stadium van de ontwikkeling, ongeveer samenvallend met het fallische stadium, ontstaat bij de jongen een infantiel-seksuele belangstelling voor de moeder en een rivaliserende instelling tegenover de vader. Bij het meisje ontstaat –hoewel iets later- het omgekeerde; een erotisch (libidineuze belangstelling voor de vader en een rivaliteit met de moeder.

In de normale ontwikkeling lost dit complex zich op en maakt plaats voor de ontwikkeling van het geweten (vorming van het opper-ik, het super ego). Verloopt dit oedipale stadium gestoord, dan kunnen in het volwassen leven allerlei moeilijkheden ontstaan, bv in de keuze van een huwelijkspartner en in de verhouding met autoriteiten. Volgens Adler is één der belangrijkste strevingen van de mens het streven naar macht. Dit machtsstreven ontstaat op grond van minderwaardigheidsgevoelens, die hun oorsprong vinden in de machteloosheid van het kind tegenover de volwassenen.

Adler neemt verder aan dat een minderwaardige aanleg van organen tot een versterking van het minderwaardigheidsgevoel leidt. Eveneens spelen verwenning en/of verwaarlozing door de ouders en spanningen tussen broers en zusters in een gezin een belangrijke rol in het denken van Adler over het ontstaan van de neurose.

Jung ten slotten ziet het onbewuste niet als iets, dat vooral met de persoonlijke geschiedenis samenhangt, maar neemt aan dat de hele geschiedenis der mensheid in het onbewuste voortleeft. In dit onbewuste, volgens Jung, komen zgn archetypen voor, die zowel met het laagste als met het hoogste in de mens samenhangen. Zulke archetypen zijn bv de goddelijke vader, de grote moeder, de heldenzoon, de oude wijze. Deze overgeërfde voorstellingen kunnen, als ze sterk worden, het bewuste leven storen en een neurose doen ontstaan.

De bedoeling van elke psychotherapeutische behandeling is de onbewuste werkzame en daardoor storende invloeden bewust te maken, zodat de mens zelfstandig wordt en zijn eigen leven richting kan geven.

We zullen nu verschillende typen van neurose beschrijven. Voorop gesteld zij dat ze zelden in de zuivere vorm voorkomen. Meestal hebben we te maken met mengtypen en er bestaan vloeiende overgangen.

 

Bron:
In goede handen, psychiatrie 2
1980, Spruyt, van Mantgem & Does BV / Leiden

You may also like...

Geef een reactie