Obsessieve compulsieve stoornis

Angst stoornissen:
Obsessieve-compulsieve stoornis (OCS)
Ook wel bekend onder: Obsessive compulsive disorder (Engels, OCD)

Bij de obsessieve-compulsieve stoornis (ocs) of dwangstoornis staan steeds terugkerende dwanggedachten en/of dwanghandelingen centraal. Voor het stellen van de diagnose is het noodzakelijk dat de klachten een ernstige inbreuk maken op het functioneren van de patiënt. Immers, de meeste mensen hebben wel eens dwanggedachten. Ook dwanghandelingen komen bij veel mensen voor. Zo worden auto en reispapieren vlak voor de vakantie vaak tientallen keren gecontroleerd. Het de DSM-4 is er sprake van een ocs indien de patiënt last heeft van dwanggedachten en/of dwanghandelingen. Daarnaast is vereist dat de dwangverschijnselen ernstige overlast veroorzaken en ten minste een uur per dat in beslag nemen, of de dagelijkse routine, werk, sociale activiteiten of relaties met anderen in ernstige mate verstoren. De betrokkene heeft in ieder geval ergens tijdens het verloop van de stoornis de dwanggedachten of –handelingen als overdreven of onrealistisch herkend. Wanneer er een andere as-I-stoornis gesteld kan worden bij de patiënt, dan dient de inhoud van de dwanggedachten zich niet tot die stoornis te beperken (bijv. Preoccupatie met eten bij een eetstoornis)

Casus:

Mw Jansen verzorgt haar huis altijd graag tot in de puntjes. Dat viel haar nooit zwaar, maar dit veranderde echter snel na de geboorte van haar zoon, drie jaar geleden. Zij werd toen een vrouw wier hele leven in het teken staat van het uitvoeren van schoonmaakhandelingen. Zij was doorgaans tot één uur bezig met schoonmaakwerkzaamheden, hierbij ’s avond geholpen door haar man. Zij is bang besmet te worden, hetgeen zij probeert te vermijden door alles wat van buiten komt grondig schoon te maken. Haar man moet eerst douchen en schone kleren aandoen voor hij in de rest van het huis wordt toegelaten. De boodschappen die hij meebrengt worden eerst grondig gereinigd voor ze in de kast worden gezet. Fruit word met zeep gewassen; vlees gaat voor het braden langdurig onder de kraan.

Dwanggedachten (obsessies) zijn steeds terugkerende, aanhoudende ideeën, gedachten beelden of impulsen die veel spanning geven. Deze gedachten worden onvrijwillig, maar uiteindelijk toch als een product van de eigen persoon beleefd. De patiënten ervaren de gedachten als zinloos of verwerpelijk; de gedachten vertonen geen overeenkomsten met het getob over werkelijke problemen. Er worden pogingen ondernomen ze te negeren of te onderdrukken. De gedachten, beelden en impulsen zijn meer dan alleen overmatige bezorgdheid over bestaande alledaagse problemen. Er worden pogingen ondernomen ze te negeren, onderdrukken of neutraliseren met andere gedachten of handelingen. Dit neutraliseren neemt vaak de vorm aan van dwanghandelingen.

Dwanghandelingen (compulsies) zijn vaak herhaalde overte handelingen (bijv handen wassen, controleren) of coverte mentale activiteiten (bijv tellen, herhalen), die volgens bepaalde regels op een stereotype wijze worden verricht. Ze worden uitgevoerd om spanning te neutraliseren of om spanning of een bedreigende gebeurtenis/situatie te voorkomen. Met deze dwanghandelingen kunnen bedreigingen natuurlijk niet werkelijk worden voorkomen. Tot honderd tellen om te voorkomen dat een familielid ziek wordt, heeft bijvoorbeeld geen enkele relatie met de gezondheid van dat familielid. Soms zijn de dwanghandelingen wel realistisch verbonden met een af te wenden gevaar, maar ze worden excessief uitgevoerd.

Bijvoorbeeld: een patient heeft het idee dat zijn handen niet schoon zijn en gaat vier uur onder de douche staan om zich te reinigen; hierbij staat de handeling (het douchen) niet in verhouding tot de bevuilde handen. Hiermee is nochtans niet het gehele klinische beeld gegeven. Naast angst, spanning en paniekgevoelens rapporteren patiënten met een dwangstoornis vaak depressieve klachten, problemen rond het werk en huishoudelijke en relationele problemen. Diagnostische criteria voor obsessieve-compulsieve stoornis (DSM-IV) A) De aanwezigheid van obsessies of dwanghandelingen B) De patient beschouwt de dwangverschijnselen op een bepaald moment als onzinnig of excessief. C) De klachten veroorzaken veel spanning. Ze kosten de patient meer dan 1 uur per dag, of verstoren in ernstige mate het dagelijks functioneren. D) Indien er een andere As-I-stoornis aanwezig is, beperkt zich de inhoud van de dwangverschijnselen niet tot die diagnose (bijv preoccupatie met eten bij een eetstoornis) E) De klachten zijn geen direct gevolg van drugs of medicijnen en geen gevolg van een lichamelijke aandoening.

De dwanghandelingen kunnen niet los worden gezien van dwanggedachten. Dowson (1977) onderzocht 41 dwangpatiënten en vond steeds een relatie van de diverse dwanghandelingen met ten minste één dwanggedachte. In de loop der jaren treden deze angstaanjagende dwanggedachten vaak door cognitieve processen minder op de voorgrond. Op de vraag waarom de schoonmaakrituelen plaatsvinden kan de patiënt met een angst voor contact met hondenpoep in eerste instantie antwoorden dat zij altijd schoonmaakrituelen uitvoert nadat ze buitenshuis is geweest. Bij doorvragen wordt duidelijk dat de gedachte dat ze bevuild zou kunnen zijn en zo het huis zou kunnen binnengaan voor haar ondraaglijk is en tot paniek leidt. Wanneer ze heeft geleerd dat poetsen, schoonmaken etc een oplossing inhouden, lukt het meestal de paniek onder controle te houden. Het angstwekkende karakter van de dwanggedachten en het angstreducerende effect van dwanghandelingen worden algemeen aangenomen. De angstaanjagende dwanggedachte komt op als een flits en word daarna gevolgd door paniek.

Patiënten leren de gedachte te herkennen en anticiperen op de mogelijkheid dat ze er weer last van kunnen krijgen. Dit kan anticipatieangst met vermijding van bepaalde taken of situaties tot gevolg hebben. Ten slotte kunnen patiënten ook vermijdingsgedrag ontwikkelen; vooral situaties die dwanggedachten of –handelingen kunnen opwekken worden vermeden. Bijvoorbeeld: een patiënt die uitvoerige controlerituelen heeft op het moment dat hij het huis verlaat, zal het huis zo min mogelijk verlaten. Sommige patiënten hebben geleerd dat ook het stellen van vragen aan gezinsleden tot geruststelling en angst en spanningsvermindering kan leiden. Een patiënt die zich moest trachten te herinneren wat hij op een bepaalde dag of tijd, soms jaren geleden, had gedaan, schakelde zijn vrouw in bij het oplossen van deze twijfel. Hij stelde haar vragen en wanneer haar antwoord naar zijn mening voldoende zeker was, voelde hij zich even –soms maar enkele seconden- vrij van twijfel. Vaak slaagde zijn vrouw er niet in –omdat zij het ook niet wist- hem een bevredigend antwoord te geven. Dit vraaggedrag kan zich, evenals de dwanghandelingen, zeer bizar ontwikkelen. Deze patiënt bijvoorbeeld vroeg zijn vrouw regelmatig “wat wilde ik ook al weer vragen”? Sommige patiënten hebben in het geheel geen dwanghandelingen, maar alleen dwanggedachten waartegen zij een aanhoudenden strijd leveren. Zij ervaren een vermindering van spanning wanneer zij de gedachten op een bepaalde manier kunnen afwikkelen.

Deze afwikkeling geschied meestal op een stereotype wijze. De patient probeert de dwanggedachten bijvoorbeeld te neutraliseren door bepaalde andere gedachten op te roepen. Deze neutraliserende gedachten of cognitieve rituelen leiden soms tot een vermindering van spanning en angst. De inhoud van de neutraliserende gedachten is vaak tegengesteld aan de inhoud van de dwanggedachte. Een patient slaagde er in de dwanggedachte “val dood” te neutraliseren door vijf maal “lang zal hij leven” te denken. Een ander patient had de dwanggedachte dat een door hem aangeraakt voorwerp ongemerkt beschadigd zou kunnen zijn. Dit had tot gevolg dat hij dit voorwerp steeds opnieuw bekeek en controleerde. Wanneer hij op zijn werk was, kon hij worden overvallen door de gedachte dat hij thuis iets beschadigd zou kunnen hebben. Als dit gebeurde ging hij vaak in gedachten nauwkeurig na wat hij met het desbetreffende voorwerp had gedaan. Vaak lukte het hem op deze manier zijn spanning te reduceren. Het is duidelijk dat deze cognitieve rituelen een vergelijkbare betekenis hebben als de dwanghandelingen of rituelen. Zij hebben eveneens een angst en spanningsreductie tot gevolg.

Het voorgaande samenvattend gaat hij bij een ocs om het ontstaan van een angst- en spanningsgevende dwanggedachte, die word gevolgd door een angst en spanningsreducerende dwanghandeling, een cognitief ritueel of dwangmatig vraaggedrag met geruststellende antwoorden van een belangrijk persoon uit de omgeving.

In de DSM-IV kan de specificatie “met weinig inzicht” worden gemaakt als betrokkene de dwanggedachten of handelingen nauwelijks herkend als buitenproportioneel of onrealistisch.

 

Bron: Handboek psychopathologie Vandereijcken, hoogduin, emmelkamp Bohn, Stafleu van loghum, 2004

You may also like...

Geef een reactie