Paniekstoornis en Agorafobie

Angststoornissen: paniekstoornis en agorafobie

Bij een paniekstoornis heeft iemand meerdere paniekaanvallen. Dan heeft hij onverwacht een grote angst, zonder dat daar een directe aanleiding voor is. Het gebeurt gewoon. Hij heeft tegelijkertijd bijvoorbeeld last van hartkloppingen, zweten, opvliegers, koude rillingen, trillen of duizeligheid. Mensen met een paniekstoornis hebben veel meer kans om ook nog een depressie te krijgen, andere angststoornissen (vooral de obsessief-compulsieve of dwangstoornis) of verslavingsproblemen.De term “angst” kan verwijzen naar een langer aanhoudende stemming.

Van “paniek” is echter pas sprake indien de angst intens is en een abrupt begin en einde heeft waarbij ten minste vier symptomen binnen een tijdsbestek van tien minuten tot een piek moeten komen. Het optreden van paniekaanvallen wil nog niet zeggen dat betrokkene lijdt aan een paniekstoornis. Ook bij enkelvoudige fobie, de sociale fobie en de posttraumatische stress stoornis komen paniekaanvallen voor. Van een paniekstoornis is pas sprake wanneer de aanvallen onvoorspeld zijn en niet gebonden aan een situatie. Paniekpatiënten zijn ook tussen de aanvallen door vaak gespannen en bang voor nieuwe aanvallen; patiënten lijden vaak aan anticipatieangst. Wanneer de aanvallen onvoorspelbaar zijn, moet nagegaan worden of een lichamelijke aandoening de klachten kan verklaren. Is dit niet het geval, dan word de diagnose paniekstoornis gesteld.

Met en zonder agorafobie

De helft van de mensen met een paniekstoornis heeft ook last van agorafobie. In dat geval gaat iemand bepaalde situaties of plaatsen uit de weg, omdat hij bang is voor een nieuwe aanval: grote groepen mensen bijvoorbeeld. Of hij gaat niet naar plaatsen waar hij niet snel weg kan komen: in de trein, de bus of het vliegtuig. Ook bruggen, tunnels of plaatsen ver van huis gaat zo iemand vermijden. Agorafobie werd vroeger ook wel pleinvrees, straatvrees, ruimtevrees of engtevrees genoemd.

Diagnostische criteria voor een angststoornis:

Van een paniekstoornis is sprake indien:
1) herhaaldelijk onverwachte paniekaanvallen optreden.
2) ten minste één van de aanvallen werd gevolgd door ten minste een maand waarin betrokkene
(a) zich voortdurend zorgen maakte om nieuwe aanvallen of
(b) piekerde over de gevolgen van een nieuwe aanval of (c) t.g.v. de aanval een belangrijke gedragsverandering vertoonde. De aanval zelf beslaat een discrete periode waarin betrokkene intens angstig is en waarin ten minste vier van de onderstaande symptomen abrupt optreden en binnen tien minuten een piek bereiken:

– kloppend of bonzend hart of versnelde hartslag.
– zweten
– trillen of beven
– gevoelens van ademnood
– het gevoel te stikken
– pijn of onaangenaam gevoel op de borst
– misselijk of maagkklachten
– gevoelens van duizeligheid
– gevoelens van onvastheid
– gevoelens van lichthoofdigheid of zwakte
– derealisatie of depersonalisatie
– angst voor controleverlies of om krankzinnig te worden
– angst om te sterven
– tintelingen of verdoofd gevoel
– koude rillingen of warmtevlagen

Van paniekstoornis met agorafobie is sprake indien betrokkene voldoet aan de criteria van de paniekstoornis en bovendien bang is om zich in situaties te begeven waaruit vluchten moeilijk of vernederend zou zijn of waarin hulp niet voorhanden zou zijn indien er een paniekaanval op zou treden. Gewoonlijk betreffen agorafobische angsten situaties waarin de patiënt alleen buitenshuis vertoeft; bijvoorbeeld te midden van een rij wachtenden, op een brug, in het openbaar vervoer of in een warenhuis. Dergelijke situaties worden of vermeden of doorstaan met de angst een paniekaanval te krijgen of ze vereisen de aanwezigheid van een begeleider.

Behandeling:

Paniekklachten en agorafobie kunnen worden behandeld met medicatie of met cognitieve gedragstherapie. Wat het beste is, hangt af van wat iemand precies heeft. Bij alleen een paniekstoornis (eventueel met lichte agorafobie of lichte depressie) is er de keuze tussen medicijnen of een psychologische behandeling. Beide werken even goed. Allebei tegelijk werkt overigens niet beter.

Bij een paniekstoornis met een matige tot ernstige agorafobie is een combinatie van medicijnen en een psychologische behandeling de beste keuze. Bij een paniekstoornis (eventueel met lichte agorafobie) en een ernstige depressie begint de behandeling met medicijnen, in dit geval antidepressiva. Dit zijn medicijnen die de depressie aanpakken.

De psychologische behandeling begint vaak met leren omgaan met de paniek. Dit heet ook wel paniekmanagement. Er zijn verschillende vormen van. Ze leren dat bijvoorbeeld blozen, trillen, of een bonzend hart horen bij een paniekaanval en dat deze lichamelijke reacties geen kwaad kunnen. In kleine stapjes worden deze lichamelijke reacties uitgelokt en zo leren ze om hier minder bang voor te zijn. Met ontspanningsoefeningen leert de patiënt de paniek te beheersen. Langzaam gaat de behandeling over in het oefenen met situaties waarin mensen last krijgen van paniekaanvallen. Dit oefenen gaat in kleine stapjes waarbij de situaties steeds ‘erger’ worden. Dan worden mensen steeds een beetje minder bang. Deze behandeling heet exposure in vivo. Exposure betekent: blootstellen; en in vivo: in het echt.

Medicijnen

Gaat het om behandeling met medicijnen, dan zijn er 4 soorten die helpen.

–   SSRI’s (selectieve serotonine heropnameremmers; het zijn antidepressiva)
–   TCA’s (tricyclische antidepressiva)
–   Benzodiazepinen (kalmerings- en slaapmiddelen)
–   (irreversibele) mono-amine-oxidase remmer (fenelzine)

Van deze medicijnen staat vast dat ze allemaal ongeveer even goed werken. Bij de keuze voor een bepaald medicijn gaat het daarom meer om veiligheid en bijwerkingen. Daarom zijn de SSRI’s eerste keus en TCA’s goede tweede. Benzodiazepinen hebben een verslavend effect. Ze worden daarom alleen gebruikt als de SSRI’s en de TCA’s en psychologische behandelingen niet helpen. De MAO-remmer wordt alleen gebruikt als alle andere behandelingen niet hebben geholpen. Liever antidepressiva dan benzodiazepinen vanwege afhankelijkheid Benzodiazepinen en antidepressiva verminderen angsten en paniekaanvallen en verbeteren het fobische vermijdingsgedrag. Antidepressiva hebben bij langdurig gebruik de voorkeur boven benzodiazepinen, omdat de laatste afhankelijkheid tot gevolg kunnen hebben. Omdat bij antidepressiva pas na vier tot zes weken de angstklachten verminderen, worden benzodiazepinen in deze eerste weken wel voorgeschreven als overbrugging. Zodra de antidepressiva dan effect hebben op de angstklachten, worden de benzodiazepinen weer afgebouwd.

Cognitieve gedragstherapie vermindert terugvalkans Na het stoppen met de medicatie valt een deel van de patiënten terug. Dat verschilt per angststoornis van 50% tot bijna 100%. Wanneer medicatie gecombineerd wordt met cognitieve gedragstherapie valt een aanzienlijk minder groot deel terug na het stoppen met de medicatie. Cognitieve gedragstherapie is zeker zo effectief als medicatie en geeft minder terugvallers na stoppen met de medicatie. Bij cognitieve therapie worden irrationele gedachten, die vaak voorkomen bij angststoornissen, uitgedaagd en vervangen door rationele gedachten.

Gedragstherapie richt zich op het leren omgaan met angsten en paniekaanvallen en het verminderen van fobisch vermijdingsgedrag door ‘exposure in vivo’ (oefenen in angstwekkende situaties). De combinatie van praten en pillen heeft de voorkeur bij ernstige angststoornissen, of angststoornissen met bijkomende depressieve klachten.

Bron: Handboek Psychopathologie Deel 1, Bohn, Stafleu en van Loghum, 2000
www.trimbos.nl

You may also like...

Geef een reactie