Ontwikkeling van de psychiatrische verpleegkunde

Inhoud

  • Gestichtsverpleging gedurende de negentiende eeuw
  • Nieuwe psychiatrische opvattingen en behandelingen
  • Nieuwe eisen aan de deskundigheid van personeel
  • De rol van vrouwen in de nieuwe verpleegopleiding
  • De reorganisatie van de verpleging in Meerenberg
  • Het geslachtsspecifieke karakter van de verpleegopleiding
  • Een christelijke psychiatrie in Veldwijk
  • De reorganisatie van de verpleging in Veldwijk
  • Rooms–katholieke verpleging
  • Het oorspronkelijke doel maar ten dele bereikt
  • Conclusie

De term ‘psychiatrisch verpleegkundige’ is een betrekkelijk recente aanduiding, die pas in de tweede helft van deze eeuw gangbaar werd en oudere benamingen zoals ‘B–verplegende’ of ‘krankzinnigenverplegende’ verdrong (De Laat, 1984). Het beroep psychiatrisch verpleegkundige kent echter een langere geschiedenis. Gewoonlijk wordt de instelling in 1892 van een formeel examen voor ‘krankzinnigenverpleging’ door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie gekenmerkt als het beginpunt van het psychiatrisch verpleegkundig beroep. Waarom kwam dit examen toen tot stand? Wat voor opleiding kregen de eerste gediplomeerden voor ze dit examen konden afleggen? En waarin verschilden deze opgeleide, later B–verpleegkundigen genoemde verplegenden van de ongeschoolde oppassers en oppasseressen die daarvoor in de psychiatrische inrichtingen werkzaam waren? Was er wel een verschil? En was er maar één soort opleiding? Deze historische beschouwing gaat in op deze vragen, en schetst de medische en maatschappelijke ontwikkelingen tot rond 1920, die aan de opkomst van het psychiatrisch verpleegkundig beroep ten grondslag lagen.

Gestichtsverpleging gedurende de negentiende eeuw

In het begin van de negentiende eeuw bestonden er nog weinig aparte instellingen voor ‘krankzinnigen’. Krankzinnigheid was voornamelijk een sociaal probleem en men dacht nog nauwelijks aan genezing en behandeling (Vijselaar, 1992). Samen met andere armen, zieken, wezen of ouden van dagen werden zij die zich misdroegen of een gevaar opleverden voor hun omgeving in de regel ondergebracht in gasthuizen. In een aantal steden was er een klein, apart krankzinnigengesticht, zoals in Den Bosch en Utrecht. In de eerste helft van de negentiende eeuw kwam hierin verandering. Binnen het kader van een algehele burgerlijke hervormingsbeweging en reorganisatie van de armenzorg begon de hervorming van de toen zogenoemde krankzinnigenzorg. Progressieve artsen, zoals de bekende hoogleraar Jacob Schroeder van der Kolk speelden een belangrijke rol in de renovatie en omvorming van bestaande gestichten tot instellingen voor een meer humane, zedenkundige behandeling van patiënten. Krankzinnigen, zo stelde men, waren ook mensen. Met een hu mane behandeling kon men hun aangeboren vermogen tot zelfbeheersing herstellen, en konden ze zelfs genezen. De zedenkundige behandeling bestond uit de uitoefening van moreel overwicht, het houden van gesprekken en zo nodig het toepassen van medicijnen of baden. Door een regime van gepaste straf en beloning, regelmatige arbeid en ontspanning, godsdienstoefening en onderwijs probeerde men patiënten tot productieve burgers op te voeden (Binneveld, 1985; Tomes, 1994; Vijselaar, 1992). In tegenstelling tot de ontwikkelingen in het buitenland vond nieuwbouw van gestichten in deze tijd bijna niet plaats. Als uitzondering op de regel besloot het provinciaal bestuur in Noord–Holland in de jaren veertig tot het bouwen van een geheel nieuw gesticht, Meerenberg.

Geleidelijk kregen artsen in de gerenoveerde geneeskundige gestichten meer invloed op de dagelijkse leiding over de patiënten. Vanaf het begin klaagden zij erover dat de morele behandeling niet tot zijn recht kwam, mede door de slechte kwaliteit van het gestichtspersoneel. Men vond de bedienden vaak te ruw, te brutaal, veel te vaak dronken, onzedelijk en ongemotiveerd (Everts, 1854). Dergelijke klachten waren niet uniek voor hervormers van de krankzinnigenzorg. De moeilijkheid om goede bedienden te vinden was een algemene klacht van de burgerij (Jansz, 1990). Zij weerspiegelde de maatschappelijke kloof tussen de burgerstand, en de arme, weinig ontwikkelde volksklasse waaruit de oppassers en oppasseressen werden gerecruteerd. Het verloop onder het personeel was groot. Jaarlijks verliet meer dan de helft van het personeel het gesticht. Bovendien namen na ongeveer 1860 de organisatieproblemen in de gestichten toe. Men werd er geconfronteerd met een geweldige toename van het aantal – vooral chronische – patiënten. Dit leidde tot ruimtegebrek, meer onrust op de afdelingen en een nog slechtere personeelssituatie. Er vonden echter geen fundamentele veranderingen voor het personeel plaats.

Nieuwe psychiatrische opvattingen en behandelingen

Tegen het einde van de negentiende eeuw veranderde de situatie. Er ontstond een nieuwe medische visie op de behandeling van krankzinnigheid. Cultureel sterk beïnvloed door wetenschappelijke idealen van die tijd begonnen psychiaters zich te oriënteren op de inzichten van de natuurwetenschappen, net als de geneeskunde in het algemeen. Psychiaters gingen krankzinnigheid somatisch en fysiologisch verklaren, in plaats van opvoedkundig. Men ging sterker hechten aan het idee dat krankzinnigenzorg, net als geneeskunde, inderdaad een wetenschap was. Het idee dat ziekte een eenheid was met een specifieke oorzaak, die organisch verklaard kon worden en specifieke behandeling vereiste, werd de geaccepteerde visie. Psychiaters, die zich sinds 1871 verenigd hadden in de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVP), werkten er hard aan hun eigen status als wetenschappers te verhogen. Zij baseerden hun medische behandeling en wetenschappelijk onderzoek voortaan op gelijksoortige, bacteriologische noties van ziekte (Qvarsell, 1985; Vijselaar, 1995). Deze nieuwe generatie psychiaters ging ervan uit dat krankzinnigheid een hersenziekte was, of een afwijking van het zenuwstelsel, die in specifieke organen gelokaliseerd kon worden en een specifieke oorzaak had. Het waren voornamelijk de ontwikkelingen in de Duitse psychiatrie die Nederlandse psychiaters sterk beïnvloedden. Psychiatrie werd een officieel deelgebied van de geneeskunde, en aan het einde van de negentiende eeuw waren er steeds meer gestichtsartsen die aan de universiteit opgeleid waren in de psychiatrie.

De nieuwe generatie psychiaters vond bovendien dat psychiatrische patiënten op dezelfde manier behandeld moesten worden als patiënten in het algemeen ziekenhuis. Dit idee vatte post in Duitsland, maar verspreidde zich al snel ook in Nederland (Neisser, 1900; Qvarsell, 1985). Met de opkomst van de moderne geneeskunde kreeg het (moderne) ziekenhuis een steeds centralere plaats in de behandeling van zieken. Dit was een belangrijk voorbeeld voor de psychiaters. Zij poogden in de gestichten een omgeving tot stand te brengen die gelijk was aan die van het ziekenhuis. Dit verhoogde de professionele status van de psychiatrie. De arts Jacob van Deventer bijvoorbeeld, die in 1892 directeur werd van het gesticht Meerenberg, was een prominent voorstander van deze visie. Hij vond dat krankzinnigen eenzelfde verpleging dienden te krijgen als gewone zieken, en dat het gesticht gelijk was aan een gewoon ziekenhuis (Van Deventer, 1892).

Psychiaters schreven veel gestichtspatiënten voortaan een behandeling voor van bedrust, goede voeding en somatische therapieën. De belangrijkste nieuwe medische middelen om opgewonden psychiatrische patiënten te kalmeren waren bedbehandeling, waarbij de patiënt werd onderworpen aan gehele of gedeeltelijke bedrust, en hydrotherapie, die voornamelijk bestond uit natte of droge inwikkelingen. In het begin van de twintigste eeuw werden deze behandelingen aangevuld met badbehandeling, waarbij de patiënt dagen, weken en soms zelfs maanden in bad behandeld werd. Volgens de somatische visie moesten overprikkelde hersenen en zenuwen volledige rust krijgen. In de gestichten richtten artsen speciale zalen in voor observatie en bedverpleging. Men ging ervan uit dat door bedrust en deskundige, verzorging de symptomen van geestesziekte zouden verminderen. Als symptomen beschouwde men de zogenaamde ziekelijke neigingen en het onmaatschappelijke gedrag van patiënten. Daaronder vielen uiteenlopende gedragingen zoals het scheuren van kleding of beddegoed, schreeuwen, zelfverwonding, masturbatie, maar ook pogingen tot zelfmoord of ontvluchting. Psychiaters gingen ervan uit dat een nieuwe op wetenschap gebaseerde medische orde onder het toezicht van psychiaters een enorme verbetering was, vergeleken met de onderhand verouderde op lekenzorg gebaseerde zedenkundige behandeling. Het gesticht werd een professionele organisatie, een psychiatrisch ziekenhuis in handen van experts.

Nieuwe eisen aan de deskundigheid van personeel

Volgens psychiaters verlangde deze nieuwe manier van behandelen meer deskundigheid van het personeel. Bedrust vereiste bijvoorbeeld een goede huidverzorging vanwege het risico dat de huid kapot ging. Vaak werd er een dieet voorgeschreven. Bovendien moest men patiënten kalm maar doortastend in bed zien te houden en nauwkeurig observeren. Eind jaren tachtig pleitte met name Jacob van Deventer binnen de NVP voor de vervanging van traditionele ongeschoolde oppassers en oppasseressen door geschoolde ziekenverpleegsters. De oppassers waren onvoldoende getraind in medische zaken en behoorden een theoretische en praktische opleiding te krijgen in ziekenverpleging. Deze aspiraties waren ontleend aan het voorbeeld van de hervormingen in de gasthuizen. In de modernisering van gasthuizen speelden burgervrouwen, ervaren en veelal opgeleid in het verplegen van zieken een centrale rol. Zij veranderden de gasthuisafdelingen grondig in een geordende, hygiënische, medische omgeving. Dit voorbeeld inspireerde psychiaters om dezelfde hervorming te bewerkstelligen in de gestichten (Van Deventer, 1888).

Jacob van Deventer was een stuwende kracht achter de invoering van een opleiding voor ziekenverpleging in de krankzinnigenzorg. Aangezien patiënten hersenzieken waren, zo redeneerde hij, en de inrichting het karakter van een ziekenhuis diende te krijgen, moest verpleging van krankzinnigen in handen gesteld worden van ziekenverpleegsters. Zij hadden voldoende beschaving en ontwikkeling om de vereiste rust, orde en netheid aan te brengen; bovendien konden ze goed observeren (Van Deventer, 1888, 1892). In het begin van de jaren negentig begon de NVP Van Deventers plannen te steunen en stelde een commissie in om een plan te ontwikkelen voor de opleiding en een examen in de krankzinnigenverpleging. Men kan aannemen dat Van Deventer een zekere autoriteit had in deze kwestie binnen de NVP.

Al voor Van Deventer naar Meerenberg kwam, had hij als directeur van het Buitengasthuis in Amsterdam de nodige ervaring opgedaan met hervorming van de ziekenverpleging. Om te bereiken dat patiënten ten behoeve van medische observatie en geneeskundige zorg schoon en ordelijk in hygiënische lokalen in bed kwamen te liggen, had hij burgervrouwen, voor wie in die tijd de ziekenverpleging als nieuwe beroepsmogelijkheid opgeld deed, aangesteld als (hoofd)verpleegsters. Samen met zijn vrouw Antonia W. Stelling en de ziekenverpleegster Anna Reijnvaan creëerde hij in 1883 een ziekenhuisopleiding in de ziekenverpleging voor meisjes uit de middenklasse (Querido, 1966). Tijdens deze opleiding konden de leerling–verpleegsters praktische ervaring opdoen en een theoretische cursus volgen. Na afloop namen ze deel aan het sinds 1878 bestaande examen in de ziekenverpleging van het Witte Kruis.

De rol van vrouwen in de nieuwe verpleegopleiding

Op dezelfde manier wilde de NVP ook de personeelssituatie in de gestichten reorganiseren, Duidelijk geïnspireerd door de rol van burgervrouwen in ziekenhuishervorming pleitte Van Deventer ervoor ook in gestichten zoveel mogelijk burgervrouwen aan te stellen. Tot die tijd was het gebruikelijk dat er in de gestichten gelijke aantallen oppassers en oppasseressen werkten, die respectievelijk op de mannen– en vrouwenafdelingen werkzaam waren. Vrouwen uit de beschaafde stand, zo stelde Van Deventer, waren door hun natuurlijke geaardheid, hun tact en ‘stille bedrijvigheid’ erg geschikt voor de eigenlijke ziekenverpleging (Van Deventer, 1890, 1892). Ook op de mannenafdelingen zouden vrouwen geschikter zijn voor de verpleging, aangezien ze niet zoals mannen geneigd waren om patiënten te mishandelen.

De opvatting dat juist vrouwen het meest geschikt zouden zijn voor ziekenverpleging moet gezien worden tegen de achtergrond van de toen opkomende burgerlijke vrouwenbeweging. In de tweede helft van de negentiende eeuw was de heersende burgerlijke visie op de rol van de vrouw sterk in verandering. Ziekenverpleging was een van de nieuwe beroepsmogelijkheden voor burgervrouwen, en gedurende de reorganisatie van de armenzorg in de tweede helft van de eeuw ontstonden meer vrouwenberoepen zoals armenbezoekster of huisinspectrice, met name bij verschillende particuliere verenigingen voor armenzorg. Het waren vooral de veronderstelde geslachtsspecifieke, zedelijke, vrouwelijke eigenschappen die vrouwen in het bijzonder geschikt maakten voor een taak in ziekenzorg en maatschappelijke hulpverlening. Men schreef aan vrouwen een verhoogd zedelijk bewustzijn toe dat hen bij uitstek geschikt zou maken voor bescherming van de zedelijke waarden. Hun taak lag vooral in het moederschap, vond men. Naarmate burgervrouwen ook een maatschappelijke taak claimden buiten het gezin, ontwikkelden zij zich met name in beroepen waarvoor vrouwen naar aard en aanleg geschikt zouden zijn. Men doelde vooral op eigenschappen als toewijding, gevoeligheid, geduld en opofferingsgezindheid. Vanwege hun niveau van ontwikkeling en beschaving veronderstelde men dat juist burgervrouwen deze ‘hogere gevoelens’ in bijzondere mate zouden bezitten. Het argument dat vrouwen een bijzondere zedelijke maatschappelijke rol hadden te vervullen lag ook ten grondslag aan de eisen van de vrouwenbeweging voor maatschappelijke arbeid, onderwijs en uiteindelijk ook kiesrecht. Rond 1890 kreeg de vrouwenbeweging in Nederland een meer georganiseerde vorm (Eijt, 1995; Jansz, 1990; Waaldijk, 1996).

Aanvankelijk leek de wens van vrouwen om gepaste arbeid uit te oefenen naadloos aan te sluiten bij de wens van artsen om een meer georganiseerde vorm van ziekenverpleging in de gast– en ziekenhuizen in te voeren. Om meer eenheid en organisatie te brengen in de opleiding voor verpleegsters werd in 1892 in Amsterdam onder meer een groot congres over ziekenverpleging georganiseerd; artsen, adjunct–directrices en hoofdverpleegsters, maar ook vertegenwoordigers uit de vrouwenbeweging kwamen bijeen om het belang van een goede ziekenverpleging te bespreken. Van Deventer behoorde met Anna Reijnvaan en Jeltje de Bosch Kemper, bestuurslid van de Vereniging voor Ziekenverpleging van het Witte Kruis, tot de organisatoren (Van der Kooij, 1990a).

In datzelfde jaar formuleerde de NVP opleidingseisen en stelde een examen in voor verplegenden in de krankzinnigenzorg. Hoewel sommige NVP–leden eraan twijfelden of het aanstellen van beschaafde, ontwikkelde burgervrouwen, opgeleid in de ziekenverpleging, wel haalbaar was in de gestichten, steunden de leden de nieuwe examen– en opleidingseisen. De opleiding voor het NVP–examen vond plaats in de gestichten. Ze omvatte eerst twee, en later drie jaren praktijkervaring en een theoretische cursus – gegeven door de gestichtsarts – in anatomie en fysiologie, gezondheidsleer, en de grondbeginselen van zieken– en krankzinnigenverpleging. In november 1892 nam de examencommissie van de NVP, bestaande uit Van Deventer, inspecteur van het Staatstoezicht W.P. Ruysch, en de Haagse psychiater A.O.H. Tellegen, de eerste examens in de krankzinnigenverpleging af (Van Deventer, 1890; Verslag van het Staatstoezicht, 1891–93, 8–12). De geslaagde kandidaten kregen een diploma en een speldje van de NVP.

De reorganisatie van de verpleging in Meerenberg

De opleiding werd waarschijnlijk het beste opgezet in Meerenberg door Jacob van Deventer. Dit was toen de grootste en meest prestigieuze inrichting van Nederland met ongeveer 1300 patiënten en 250 personeelsleden. Van Deventer voerde – direct in 1892 – een hierarchie in van leerling–verplegenden, verplegenden en eerste–verplegenden. Aan het hoofd van elke afdeling kwam een hoofdverpleger of hoofdverpleegster. In een aantal gevallen waren dit de bestaande opzichters of opzichteressen, maar bij voorkeur stelde Van Derenter verpleegsters van het Witte Kruis als hoofdverpleegster aan. Al snel vervingen die ook de hoofdverplegers. Van Deventer begon eveneens met de cursus en in 1893 namen de eerste leerlingen van Meerenberg deel aan het NVP–examen (Verslag Meerenberg, 1892, 1893, 1–40). Uiteindelijk kreeg de opleiding de vorm van een driejarige training: een herhalingscursus lager onderwijs in het eerste jaar, onderwijs in de anatomie, fysiologie en ziekenverpleging in het tweede jaar, en onderwijs in de krankzinnigenverpleging in het derde jaar. In 1897 publiceerde Van Deventer een leerboek, speciaal geschreven voor het onderwijs aan de verplegenden in Meerenberg (Van Deventer, 1897).

De nieuwe eisen die aan de verplegenden werden gesteld, beperkten zich echter niet tot de cursus. Ook het werkklimaat van het verplegend personeel veranderde ingrijpend. Verplegers en verpleegsters werden voortaan aangesproken met ‘broeder’ en ‘zuster’. Dit onderscheidde hen van het huishoudelijk dienstpersoneel. Strikte supervisie en strak geregelde werktijden met vaste pauzes moesten de discipline bevorderen. De dienst duurde van’s ochtends zeven tot’s avonds negen uur. Na de dienst kon men zich nog twee uur ontspannen. Om elf uur was het bedtijd. Hoofdverpleegsters dienden toe te zien op de naleving van deze regels. Een uniform gaf de verplegende een net en gedisciplineerd uiterlijk. Nieuwe gewoonten moesten bijdragen aan de ontwikkeling van een beschaafdere houding. Om de manieren van het verplegend personeel te verbeteren, werden de maaltijden niet langer met patiënten gebruikt, maar in aparte eetzalen onder het toezicht van een tafelzuster of broeder. Voor de zusters kwamen er op zolders aparte slaapkamers, gescheiden van de patiënten. Ook kreeg het verplegend personeel een conversatiezaal voor ontspanning, en het aantal vrije dagen nam toe. Ieder kreeg twee weken vakantie per jaar (Verslag Meerenberg, 1982, 1893). Er kwamen, voor de broeders en zusters apart, gezelligheidsverenigingen om het culturele leven te stimuleren en het isolement van het gestichtsleven te doorbreken. In 1896 richtten de broeders een toneelvereniging op, kwam er een fanfarecorps en begonnen de zusters de ontspanningsvereniging ‘Ernst & Luim’. De broeders en zusters mochten echter niet vriendschappelijk met elkaar omgaan. Het loon van verplegenden veranderde aanvankelijk nauwelijks. Ondanks de veranderingen was het werk in veel opzichten een voortzetting van dat van de voormalige oppassers en dienstboden. Het salaris van een leerling–verplegende verschilde niet veel van dat van een dienstbode.

Het geslachtsspecifieke karakter van de verpleegopleiding

In Meerenberg hadden verpleegsters duidelijk de voorkeur boven verplegers. In 1898 vormden zij al driekwart van het aantal verplegenden. In datzelfde jaar werd voor hen een groot, prestigieus zusterhuis geopend. Het illustreerde de nieuwe status van de krankzinnigenverpleging als vrouwelijk beroep. Het nieuwe zusterhuis kreeg een belangrijke functie in de vorming van verpleegsters in vrouwelijke waarden en normen. Nieuwe leerling–verpleegsters werden eerst in het zusterhuis en de vrouwenwerkplaatsen te werk gesteld om hen voor te bereiden op het werk op de afdelingen. Zij leerden huishoudelijk werk, naaien, en nette en schone werkmethoden. De opleiding die in Meerenberg werd ingevoerd had al de kenmerken van vrouwenarbeid en meisjesonderwijs. Men modelleerde de opleiding onder meer naar het voorbeeld van de ‘Amsterdamse Huishoudschool’, die in 1891 mede–opgericht was door Jeltje de Bosch Kemper. Ook daar was het internaatsleven een middel om meisjes te vormen in burgerlijke, vrouwelijke normen. Van Deventers vrouw, Antonia Stelling, die informeel fungeerde als de adjunct–directrice van Meerenberg, had een centrale rol in deze reorganisatie van de verpleging. In het zusterhuis moesten de verpleegsters de veronderstelde vrouwelijke discipline en gehoorzaamheid verwerven (Van Deventer, 1903; Naber, 1918).

De geslachtsspecifieke vorm van de opleiding had bijzondere implicaties voor verplegers. De herstructurering van de krankzinnigenverpleging op basis van principes van vrouwenarbeid en meisjesonderwijs werkte in zekere zin vervreemdend voor verplegers. Zij raakten gemarginaliseerd, zowel in aantal als in status. Verplegers werden vooral vanwege hun fysieke overwicht ingezet op zware afdelingen met de meest onrustige patiënten, die niet door vrouwen konden worden bezet (Verslag Meerenberg, 1907, 77)– Bovendien hadden mannen weinig carriéremogelijkheden, omdat alle leidinggevende posities door vrouwen werden ingenomen.

De ambivalente positie van verplegers leidde tot onvrede en een groot verloop. Hun leefomstandigheden waren erg beperkt, net als die van de verpleegsters trouwens. Zij woonden intern, moesten toestemming vragen aan de vrouwelijke hoofdverpleegster om het terrein te mogen verlaten, en het belangrijkste struikelblok was dat ze niet konden trouwen of enig ander sociaal leven opbouwen. Om hun belangen te behartigen gingen verplegers zich apart organiseren, onafhankelijk van de eerder opgerichte Nederlandse Bond voor Ziekenverpleging (1893) en de belangenorganisatie voor verplegenden Nosokómos (1900). In 1906 richtte een groep van ongeveer twintig verontruste verplegers de Nederlandse Verplegers Vakvereniging (NVV) op. Hun doel was de verpleging van mannelijke patiënten weer terug te brengen in handen van mannelijke verplegers. Alleen op die manier, zo redeneerden zij, zouden verplegers dezelfde carriéremogelijkheden en sociale positie krijgen als verpleegsters. Zij stelden zich te weer tegen het beperkende internaatsleven en ijverden voor meer maatschappelijke vrijheid.

Een christelijke psychiatrie in Veldwijk

In zekere zin was het opleidingsmodel van Meerenberg uitzonderlijk. Andere gestichten waren veel aarzelender met het invoeren van een opleiding en een eenduidig opleidingsstelsel ontwikkelde zich niet. De verzuilde structuur die de Nederlandse samenleving rond die tijd kreeg, droeg daaraan bij. De protestantse inrichting Veldwijk, in 1886 opgericht door de Vereniging tot Christelijke Verzorging van Geestes– en Zenuwzieken (VCVGZ), creëerde een opleidingsmodel overeenkomstig haar eigen visie, en maakte een geheel andere ontwikkeling door. De VCVGZ stelde een eigen examen en diploma in voor verplegenden, onafhankelijk van de NVP (Lindeboom & Van Lieburg, 1984). De stichting van Veldwijk door de VCVGZ was deel van een bredere, protestants–christelijke oplevingsbeweging (Inwendige Zending) onder protestantse groepen die zich gedurende de negentiende eeuw in Noordwest–Europa verspreidde. De VCVGZ werd in 1884 opgericht door een groep orthodoxprotestantse kerkelijke leiders, dominees, artsen en theologen, op initiatief van de religieus geïnspireerde Lucas Lindeboom, op dat moment professor aan de Theologische Hogeschool in Kampen. Hij behoorde tot de Afscheidingsbeweging (Christelijk Gereformeerde Kerk), die in 1892 deels op zou gaan in de Nederlandse Gereformeerde Kerken. Volgens Lindeboom hadden de gevestigde kerken hun verplichting tot armen– en ziekenzorg verwaarloosd. Traditionele armenzorg was niet genoeg om de maatschappelijke nood te lenigen. Gedurende zijn werk als predikant had de zorg voor geesteszieken zijn bijzondere aandacht getrokken, en was hij geïnspireerd geraakt door het voorbeeld van de Diakonen– en Diakonessenbeweging in Duitsland. Dit motiveerde hem tot het initiatief de VCVGZ op te richten, en vervolgens een gesticht voor krankzinnigen, naar protestants–christelijke visie en op gereformeerde grondslag (Jaarverslag der Vereniging, 1884/85).

De VCVGZ wilde niet alleen de christelijke verzorging van geesteszieken ontwikkelen door middel van het oprichten van gestichten, maar zag ook een taak in het verspreiden van het idee van een christelijke psychiatrie onder gereformeerde gezinnen. Volgens de VCVGZ was geestesziekte een gevolg van zondig en onzedelijk, ongelovig leven. Naast goede ziekenzorg was geloof en liefdadigheid van belang om sociale nood te lenigen. Door middel van propagandabijeenkomsten en lokale correspondenten verspreidde de VCVGZ haar ideeën, wierf leden en verkreeg financiële steun voor haar nieuwe ‘onderneming’ (Jaarverslag der Vereniging, 1884/85, 21, 65). Omdat dit initiatief ten dele voortkwam uit kritiek op de bestaande situatie, streefde de VCVGZ ernaar om zorg te verlenen die kon concurreren met de beste bestaande instellingen, en die mogelijk beter zou zijn. Men besloot Veldwijk naar de meest moderne inzichten in te richten volgens het paviljoenstelsel. Het idee van aparte kleine paviljoens sloot goed aan bij de gereformeerde ideologie van de helende werking van een stichtelijk, gelovig gezinsleven. Aanvankelijk begon men met een lekenmodel van zorg. In elk paviljoen werd een getrouwd echtpaar zonder kinderen aangesteld als huisvader en –moeder, om leiding te geven aan het dagelijks toezicht op parianten, met een aantal (onopgeleide) verplegers en verpleegsters, die ‘broeder’ en ‘zuster’ werden genoemd. Als e en gezin deelden zij dagelijks werk en leven, die stevig geworteld waren in gereformeerd–protestantse beginselen (Jaarverslag der Vereeniging, 1884/85, 30; 1885/86,13).

Ondanks haar religieuze motieven beschouwde de VCVGZ Veldwijk als een medische instelling. Vanaf het begin was er een arts medisch directeur, hoewel die nauw samenwerkte met een dominee en een rentmeester. Gedrieënlijk vormden zij de Gestichtsraad, die de dagelijkse leiding in handen had. Rond 1900 had Veldwijk ruim 450 patiënten. De spanning die binnen de VCVGZ ontstond tussen de conservatieve, religieuze motieven en de moderne, op wetenschap georiënteerde medische opvattingen, laat zich behalve in het ideaal van de VCVGZ om te komen tot een christelijke psychiatrie ook goed aflezen in de manier waarop de opleiding voor de VCVGZ–verplegenden zich ontwikkelde.

De reorganisatie van de verpleging in Veldwijk

Vanaf het begin distantieerde de VCVGZ zich van het NVP–opleidingsmodel. Sterker nog, Veldwijk was niet ontworpen naar het voorbeeld van het algemeen ziekenhuis, noch was er de intentie om burgerlijke, opgeleide ziekenverpleegsters aan te trekken. In een lezing voor de algemene vergadering in 1886 stelde Lucas Lindeboom dat Veldwijk personeel nodig had dat trouw was aan de gereformeerde beginselen, toegewijd aan christelijke deugden, betrouwbaar en gezond, en gemotiveerd zich aan zijn dienst te wijden uit geloof in God (Lindeboom, 1886). Actief rekruteerde het bestuur personeel onder de gereformeerde gemeenten. Overeenkomstig de maatschappelijke achtergrond van de ‘Kleine Luyden’ was het meeste personeel van eenvoudige komaf. Zij hadden meestal in bescheiden mate onderwijs genoten en moesten vaak de strakke gewoonten van fatsoen en discipline nog leren wanneer ze in Veldwijk kwamen werken (Lindeboom en Van Lieburg, 1984, 130). Veldwijk trachtte zich te ontwikkelen tot een gemeenschap die het gereformeerd gezinsleven weerspiegelde (Van Belzen, 1989). Dat zou de genezing van de geesteszieken bevorderen. Overeenkomstig de visie op het familieleven droegen de verplegenden aanvankelijk geen uniformen. De huisvader en –moeder hadden hun eigen kamer, maar de broeders en zusters sliepen op dezelfde zolderkamers als de patiënten. Het dagverblijf voor patiënten was ingericht als een huiskamer. De dag begon vroeg, om zes uur, met een ochtendwijding voor personeel. Daarna hielp men de patiënten uit bed en zorgden de verplegenden zowel voor de patiënten als de huishouding. In de mannenpaviljoens gaf de huismoeder leiding aan het huishoudelijk werk van de verplegers. Tijdens iedere maaltijd werd een gebed en bijbellezing gehouden. Het personeel diende zich strikt aan de regels te houden en de huisvader en –moeder te gehoorzamen. De relatief kleine paviljoens leenden zich goed voor een grondige praktische vorming van personeel (Jaarverslag der Vereeniging, 1886/87, 14; Oosterwijk Bruyn, 1887).

Ondanks de idealen bleek dat het moeilijk was om goed personeel te werven. Vanaf het begin merkte de gestichtsraad dat goede bedoelingen en toegewijde idealen alleen niet genoeg waren, en beschouwde zij het gebrek aan ervaren personeel als een voortdurend probleem. Het verloop onder het personeel was groot, en al snel kwam men erachter dat enige vorm van training gewenst was om competente werkkrachten te verkrijgen. Maar hoe ideaal en werkelijkheid te verenigen?

Het eerste opleidingsbesluit dat de VCVGZ in 1890 goedkeurde weerspiegelde een keurig compromis tussen religieuze en medische verantwoordelijkheden. Men besloot tot het houden van twaalf maandelijkse lezingen door de arts en twaalf maandelijkse bijeenkomsten met de dominee voor al het personeel. Overeenkomstig de visie dat geestesziekte voornamelijk voortkwam uit een zondig leven kreeg de dominee de verantwoordelijkheid om de verplegenden de symptomen en behandelingen van geestesziekte te onderwijzen, naast kerkgeschiedenis en bijbelse vorming (Van Dale, 1906). Dominee Notten schreef een speciaal leerboek voor dit doel, waarbij hij de catechismus als model nam. In de vorm van vraag en antwoord konden de verplegenden de psychiatrische kennis bestuderen (Notten, 1894). De arts had zich strikt te houden aan het onderwijs in anatomie, fysiologie en somatische behandelingen.

Binnen een paar jaar voldeed dit opleidingsmodel niet meer. Het had niet tot een meer ervaren personeel geleid, en medische ontwikkelingen stelden andere eisen dan de nadruk op een sterk gezinsleven en religieuze vorming. Voor behandeling van patiënten namen de artsen van Veldwijk de gangbare, onder hun beroepsgroep geaccepteerde therapieën over. Die waren zoals gezegd voornamelijk somatisch gericht. Als moderne inrichting volgde ook Veldwijk het regime van bedbehandeling; in 1907 waren vijf van de elf mannenpaviljoens en tien van de zestien vrouwenpaviljoens ingericht voor bedbehandeling, nauwkeurige observatie en ziekenverpleging (Bijlage ‘Toestand’, 1908). In deze paviljoens was meer expertise in de ziekenverpleging vereist dan de praktische lekentraining in de paviljoens verschafte. Bovendien vereiste de snelle expansie van de VCVGZ een meer structurele aanpak tot het verkrijgen van ervaren, geschoold personeel in de ziekenverpleging. Nadat in 1892 Dennenoord en in 1895 Bloemendaal geopend waren, besloot men voor de drie inrichtingen een uniform opleidingsstelsel te ontwikkelen.

In het opleidingsbesluit dat in 1896 in werking trad waren de onderwijsverantwoordelijkheden van de arts aanzienlijk uitgebreid ten koste van die van de dominee (Reglement, 1895/96). Het professionele, medische model was in een aantal opzichten sterker, meer gewenst gebleken dan de gereformeerde gezinsideologie. De dominee zag zijn onderwijs gereduceerd tot kerkgeschiedenis, bijbelse vorming en catechismustraining. De arts onderwees nu alle medische kennis, inclusief de oorzaak en behandeling van geestesziekte. Bovendien werd een systematische herhalingscursus ingesteld van het lager onderwijs, zoals dit ook in het NVP–opleidingsmodel na een aantal jaren was ingevoerd. Verpleegsters kregen daarnaast ook aanzienlijke scholing in naaien verstelwerk. Vanaf 1896 werd er een uniform ingevoerd voor de verplegenden, hetgeen de paviljoens een medischer uiterlijk gaf. De theoretische scholing moest men verplicht volgen. De opleiding werd voortaan over drie jaren verdeeld, en na elk jaar was er een examen, dat uiteindelijk leidde tot het verkrijgen van een diploma en een speldje van de

VCVGZ. Het leerboek van de verplegenden werd opnieuw – maar nu door een arts – geschreven. In 1898 publiceerde de medisch–directeur van Bloemendaal, David Schermers, een leerboek voor verplegenden dat een wijde verspreiding vond, ook in inrichtingen buiten de VCVGZ (Schermers, 1898/1901). Maar de religieuze invloed verdween niet. Voor elk examen gold als regel dat men eerst voor het examenonderdeel bij de dominee moest slagen, wilde men toegelaten worden tot het examenonderdeel bij de arts.

Het feit dat de VCVGZ uiteindelijk een opleidingsmodel ontwikkelde dat veel overeenkomsten vertoonde met dat van de NVP maar toch een christelijk karakter behield, weerspiegelde de interne strijd om trouw te blijven aan een protestantse, gereformeerde identiteit te midden van een zich moderniserende maatschappij. Typerend voor de modernisering die ook de VCVGZ beïnvloedde, was het feit dat in Veldwijk de verpleegopleiding en de ziekenverpleging eveneens een geslachtsspecifiek karakter kreeg. Vanwege de moeilijkheid om goede, geschikte echtparen te vinden voor de leiding in de paviljoens, ging men er al snel toe over om in de vrouwenpaviljoens een opgeleide ziekenverpleegster aan te stellen als hoofd. Aanvankelijk was er verwarring of deze hoofden nu huismoeder of hoofdverpleegsters genoemd moesten worden. In 1910 besloot het bestuur dat vrouwelijke paviljoenhoofden voortaan ‘hoofdverpleegster’ heetten en met ‘zuster’ aangesproken moesten worden. Schermers voorstel aan het bestuur om ook in de mannenpaviljoens opgeleide broeders als hoofd aan te stellen vond echter geen weerklank. Daar behielden echtparen de leiding, waarbij de huisvader in de regel de opleiding voor verpleger ging volgen en de huismoeder onopgeleid bleef, maar zo wel het noodzakelijk vrouwelijk element in de helende functie van het gezinsleven kon aanbrengen (Van der Hoogt, 1898).

Ook de opleiding voltrok zich in Veldwijk uiteindelijk anders voor verpleegsters dan voor verplegers. Na een lange aanloop met veel discussie tussen de gestichtsraad, voornamelijk in de persoon van/nedisch–directeur Johan H. A. van Dale, en het bestuur, opende Veldwijk in 1909 een driemaandelijkse vooropleidingschool ‘De Boschhoek’, speciaal voor verpleegsters. Dit was een internaat, waar onder strakke leiding van hoofdverpleegster Henriëtte Koffijberg nieuwe aspirant–verpleegsters gedurende drie maanden (onbetaald) getraind werden in huishoudelijk werk en ziekenverpleging. Zo hoopte men het grote verloop onder leerling–verpleegsters te verminderen doordat ongeschikt bevonden aspiranten niet tot de opleiding werden toegelaten. De nadruk lag vooral op vorming van vrouwelijke eigenschappen en fatsoenlijke, zedige gewoonten. Henriëtte Koffijberg schreef een speciaal instructieboekje voor deze opleiding, dat sterk benadrukte hoe een juiste vrouwelijke moraal de vereiste nest, orde en netheid in de paviljoens tot stand kon brengen (Koffijberg, 1909; Regeling voor de vooropleiding, 1909; Schermers, 1918).

‘De Boschhoek’ modelleerde zich sterk naar het meisjesonderwijs, net als een soortgelijk initiatief van de Wilhelmina–Vereeniging. Deze vereniging was in 1898 opgericht door Inspecteur van het Staatstoezicht W.P Ruysch om de belangen van de krankzinnigenverpleging te behartigen. In 1901 had de Vereeniging een vooropleiding voor krankzinnigenverpleegsters geopend. Dit ‘Wilhelmina–Huis’ was een meisjesinternaat, maar met een vrij elitair karakter, waardoor het voor de meeste verpleegsters weinig aantrekkingskracht had (Jaarverslag Wilhelmina–Vereeniging, 1898–1914). In tegenstelling tot de vooropleiding van de Wilhelmina–Vereeniging, kregen aspirant–verpleegsters in De Boschhoek meteen een taak in de verpleging van een aantal eersteklaspatiënten die in De Boschhoek verbleven. Daardoor had de vooropleiding van Veldwijk een realistischer karakter en werd uiteindelijk tot een voorbeeld voor soortgelijke vooropleidingen in andere instellingen (Nieuwsbrief, 1979).

Rooms–katholieke verpleging

Hoewel dit artikel niet ingaat op de ontwikkelingen in rooms–katholieke instellingen, kan kort worden gezegd dat ook in die inrichtingen religieuze en filantropische motieven voor patiëntenzorg op gespannen voet stonden met moderne, op wetenschap gebaseerde geneeskundige opvattingen. In het rooms–katholieke gesticht Reinier van Arkel werd in het midden van de negentiende eeuw de verpleging van patiënten overgenomen door religieuze ordes van broeders en zusters, evenals in het in 1885 geopende Voorburg. Aanvankelijk weigerden deze ordes deelname aan enige vorm van medische training. Rond 1900 stond de leiding van de religieuze ordes en het bestuur van de rooms–katholieke gestichten Reinier van Arkel en Voorburg echter toe dat artsen een cursus gingen geven aan de ordebroeders en –zusters. Deze cursus was geënt op het NVP–model. Toch behield de organisatie van de religieuze verpleging haar eigen karakter.

Het oorspronkelijke doel maar ten dele bereikt

Rond de eeuwwisseling bleek dat de reorganisatie van de verpleging haar, doel maar ten dele had bereikt. De somatische benadering had de afdelingen een geheel ander aanzien en atmosfeer gegeven. Maar het idee dat psychiatrische symptomen zouden verdwijnen met somatische behandeling en verzorging bleek een illusie. Ook de verwachting dat de sterke wisseling van het personeel zou afnemen en dat een beschaafdere, hogere klasse van personeel zou worden aangetrokken was maar gedeeltelijk gerealiseerd.

Het merendeel van het verplegend personeel werd, overeenkomstig de status van het gesticht als een instelling voor lagere sociale klassen, gerecruteerd uit de lagere midden– en arbeidersklasse. Vrouwen uit de hogere burgerklasse solliciteerden nauwelijks. De geslachtsspecifieke nadruk op vereisten van vrouwelijkheid, en algemene beschaving en ontwikkeling bleek een beperkt concept om verplegenden voor te bereiden op de alledaagse realiteit van het werk op de afdelingen.

Door het algemeen ziekenhuis als model te nemen voor de krankzinnigenverpleging lag de nadruk in de opleiding op somatische verzorging. Maar in de psychiatrie werkte de biomedische metafoor maar ten dele, aangezien er geen duidelijk verband was tussen de veronderstelde oorzaak van geestesziekte en de somatische behandelingen die de verplegenden moesten toepassen. De somatische benadering leidde weliswaar tot een meer gedisciplineerde en betere lichamelijke verzorging van patiënten, maar bleef in veel opzichten een middel tot ordehandhaving. Hierdoor veranderde de taak van de verplegenden maar in beperkte mate. Hoewel er weinig gegevens beschikbaar zijn over het gebruik van dwangmiddelen en afzondering in die tijd, kan men aannemen dat het vaak niet eenvoudig was om bij psychiatrische patiënten bijvoorbeeld bedrust toe te passen. Soms werden patiënten behandeld in diepe kribben, of bedrust werd gecombineerd met kalmerende hyoscine–injecties of lauwwarme baden. Na 1890 werden in toenemende mate hydrotherapeutische wikkelingen toegepast, waarbij de patiënt als een mummie werd ingewikkeld en zijn bewegingsvrijheid geheel verloor. Bij de badbehandeling die rond 1910 populair werd, overdekte men soms de baden met planken of een sterk canvaslaken. In veel opzichten waren de nieuwe behandelingen tevens nieuwe vormen van dwang. Soms kwam er geweld bij te pas. Ook moest men bij bedverpleging veel tillen en verschonen, en al te opgewonden patiënten bleef men in afzondering verplegen. Deze belastende aspecten van het werk waren voor een deel inherent aan de patiëntenpopulatie. Zij maakten echter dat het werk voor verplegenden – ondanks de verbeteringen – weinig aantrekkelijk was. Het verloop onder het personeel bleef dan ook groot. In 1900 bijvoorbeeld vertrokken in Meerenberg bijna de helft van de verpleegsters en ongeveer alle verplegers (Verslag Meerenberg, 1900, 42). De beperkende arbeidsomstandigheden leidden tot ontevredenheid. De verplegenden bleken maar ten dele tevreden met het perspectief dat de nieuwe opleiding hen bood. Ook het onderwijskundig concept van de opleiding was erg beperkt. Opleiding hield nooit meer in dan een paar uur onderwijs per week. Vaak was de gestichtsopleiding voor verpleegsters een opstapje naar een verdere carriére in het ziekenhuis, de particuliere verpleging of in kleinere rust– en herstellingsoorden voor zenuwzieken.

Na 1900 profileerde het verplegend personeel zich sterker als beroepsgroep en ging men zich organiseren. Naast de Bond voor Ziekenverpleging, Nosokómos, en de NVV werden veel verplegenden lid van vakbonden, met name van de Algemene Nederlandse Ambtenarenbond (Van der Kooij, 1990b). In 1902 richtten protestantse organisaties voor ziekenverpleging, inclusief de VCVGZ, de Christelijke Bond voor Ziekenverpleging op. Door de patriarchale structuur en dominantie van artsen ondernam deze bond weinig stappen tot verbetering van arbeidsvoorwaarden. In 1911 werd ze opgenomen in de Algemene Nederlandse Christelijke Arbeidersbond (Bouman, 1901, 1902; Orgaan, 1910). In 1918 richtte een radicalere groep protestantse verplegenden een vakbond op, de Nederlands Christelijke Bond van Verpleegpersoneel, die zich aansloot bij het Nederlands Christelijk Vakverbond. De oprichting van de eerste afdelingen in Wolfheze en Veldwijk was een schok voor her VCVGZ–bestuur, dat onmiddellijk trachtte deze initiatieven de kop in te drukken en een aparte organisatie voor het eigen VCVGZ personeel stichtte (Jaarverslag der Vereniging, 1918, 34, 48–49). Binnen deze vakbonden en beroepsorganisaties uitten verplegenden hun onvrede over de lage maatschappelijke waardering die ze kregen. Er kwamen publieke klachten over de arbeidsomstandigheden, de lange werktijden, het verplichte internaat en de lage salarissen. Door middel van bijeenkomsten en adressen aan Staten– en parlementsleden brachten de verplegenden hun situatie onder de aandacht van het publiek. Rond 1910 kwam er geleidelijk verbetering in de arbeidsvoorwaarden. De lonen stegen, alhoewel die in Veldwijk aanzienlijk lager bleven dan die in Meerenberg. In Meerenberg werd in 1916 de tienurige werkdag ingevoerd, met een wekelijkse vrije dag, terwijl Veldwijk met de invoering van de arbeidswet in 1919 haar werktijden voor personeel aanpaste.

Conclusie

De verpleegopleiding in de psychiatrie werd door artsen tot stand gebracht om een meer gedisciplineerd, beschaafd en ontwikkeld personeel te vormen van een hogere sociale klasse. Dit paste binnen het streven van psychiaters om hun eigen professionele status te verhogen en het gesticht het karakter van een ziekenhuis te geven. Het opleidingsstelsel kreeg een geslachtsspecifiek karakter en oriënteerde zich op waarden van vrouwenarbeid, waardoor het verpleegwerk voor mannen aan prestige verloor. De opleiding had geen eenduidig karakter en bereikte haar doel maar ten dele. De strakke discipline was voor verplegenden erg beperkend en psychiatrische symptomen verdwenen niet op grond van een betere somatische verzorging. Het werk van verplegenden was zwaar, en voornamelijk gericht op ordehandhaving. Al snel ervaarden verplegenden de grote nadruk op orde en discipline in werk en opleiding als een beperking, die weinig bijdroeg aan hun beroepsmatige zelfstandigheid.
Over de auteur

Geertje Boschma
Maandblad Geestelijke volksgezondheid MGz, nr. 52 (1997), p. 959-976

Mevr. dr. G. Boschma (1959), verpleegkundige, filosoof en historica van de verpleegkunde, is universitair docent in de verpleegkunde aan de University of Alberta in Edmonton, Canada. Daarvoor (1995–96) was zij korte tijd als onderzoeksmedewerkster werkzaam aan een historisch onderzoeksproject van het Trimbos–instituut naar de geschiedenis van de psychiatrische ziekenhuizen in Noord–Holland (1849–1994), waar zij tevens werkte aan haar proefschrift over de geschiedenis van de psychiatrische verpleegkunde. Daarop is zij onlangs gepromoveerd aan de University of Pennsylvania, Philadelphia. Sigma Theta Tau International en Chi–Chapter, de American Nurses Foundation en de Catherine van Tussenbroek stichting verleenden financiële steun aan dit promotieonderzoek.

Zij publiceerde onder meer ‘Naar een professionele psychiatrie 1884–1918’ (In: J. Vijselaar: ‘Gesticht in de Duinen’, Hilversum, Verloren, 1997) en ‘Ambivalence about nursing’s expertise: the role of a gendered, holistic ideology in nursing, 1890–1990’, (In: A.M. Rafferty e.a.: ‘Nursing History and the Politics of Welfare’, London, Routledge, 1997).

Adres: Faculty of Nursing, 3rd Floor Clin. Sciences Building, University of Alberta, Edmonton AB, T6G 2G3, Canada.

 

You may also like...

Geef een reactie