Subcoma behandeling met insuline


1969 de (sub)coma behandeling

1) Insuline subcoma behandeling. Bij deze vorm van behandeling, die eveneens tijdens de tweede wereldoorlog werd ontwikkeld, krijgen de patiënten intraveneus kleine hoeveelheden insuline toegediend, waardoor de suikerconcentratie in het bloed daalt en en een toestand van bewustzijns omneveling intreedt. De aanvangsdosering bedraagt 4E, waarna de dosering met 4E per dag word opgevoerd totdat de gewenste toestand van halfslaap is bereikt. De hiertoe benodigde dosering varieert in het algemeen van 20 tot 40E. De toestand van halfslaap word voorafgegaan, soms ook begeleid, door vegetatieve verschijnselen zoals transpireren, hartkloppingen en koude- of warmtesensaties in de extremiteiten. Het subcoma begint omstreeks een ½ uur na de toediening van het insuline en duurt ca 1 uur. Daarna wordt, door de intredende tegenregulatie, de normale toestand hersteld. Duurt de herstelfase te lang, dan kan men de patiënt wat suikerwater laten drinken.

In de toestand van de halfslaap houdt de therapeut voordurend contact met de patiënt, terwijl hij ook nu weer de onderwerpen die tijden fase naar voren zijn gekomen in een waakgesprek met de patiënt zal bespreken. De voedselopname wordt tijdens deze kuur dikwijls krachtig gestimuleerd hetgeen bij patiënten die in een matige voedingstoestand verkeren, een voordeel mag heten.

Verpleegtechnische aandachtspunten:

  1. a) De behandeling vindt plaats in een rustig, half verduisterd vertrek, waarin de patiënt op bed ligt. b) De patiënt moet voor de behandeling nuchter worden gehouden, aangezien de toevoer van koolhydraten (in brood, suiker e.d.) de invloed van insuline op de bloedsuikerspiegel zou verkleinen. c) Na afloop van de behandeling krijgt de patiënt een ontbijt dat rijk is aan koolhydraten (brood met zoet beleg, veel suiker in de thee) d) Als gevolg van schommelingen in de gevoeligheid voor de insulinewerking kan zich een volledig coma ontwikkelen. Bijgevolg dient men steeds een neussonde en suikeroplossing of eventueel enkele ampullen glucagon bij de hand te hebben

Koolzuur inhalatie behandeling

Deze in 1947 door Meduna (een Amerikaan geworden Hongaar, die ook bij de ontwikkeling van de shockbehandeling een rol van betekenis heeft gespeeld) geïntroduceerde behandeling beoogt de patient door middel van het inademen van koolzuurgas in een toestand van (sub)coma te brengen. Hiertoe laat men hem via een kapje dat een tweetal cylinders verbonden is, een gasmengsel in te ademen bestaande uit ca 30% koolzuurgas en 70% zuurstof. Wanneer de patiënt het bewustzijn heeft verloren, waartoe ca 20 tot 40 inademingen van node zijn, onderbreekt men de gastoevoer. In de loop van enkele minuten komt de patiënt dan weer tot bewustzijn. Gewoonlijk vindt in aansluiting aan de koolzuur behandeling een therapeutisch gesprek plaats. Deze behandeling word 2 tot 3 keer per week gegeven. Het totale aantal behandelingen wordt bepaald door het resultaat.



Aandachtstpunten:

a) Aangezien bij deze behandeling geen narcotica worden toegediend en de kans op braken derhalve klein is, behoeft de patiënt voor de behandeling niet nuchter te zijn. Toch zal men de behandeling bij voorkeur niet direct na de maaltijd doen plaatsvinden.

b) Knellende kledingstukken, met name die rond de hals, moeten worden losgemaakt en gebitsprothesen dienen te worden verwijdert.

De koolzuur inhalatiebehandeling is in hoofdzaak een cathartische behandeling. Tijdens het koolzuurcoma kunnen allerlei conflictsituaties uit het verleden worden gewekt, herbeleefd en afgereageerd. De “abreacties” kunnen zeer heftig zijn en met intensieve gevoelsontladingen gepaard gaan. Aangezien het bewustzijn sterk gedaald is bestaat voor deze belevingen gewoonlijk echter een amnesie.

Goede resultaten van deze behandeling ziet men vooral bij conversieverschijnselen van hysterische origine. Koolzuurbehandeling vormt natuurlijk geen vervangmiddel van psychotherapie. Na het eventueel verdwijnen van de (conversie)symptomen wordt de psychotherapeutische behandeling bovendien voortgezet. Psychotherapie en somatotherapie zijn, zoals reeds herhaaldelijk is beklemtoond, geen tegendelen doch vullen elkaar in vele gevallen juist op fraaie wijze aan. Bron: In Goede Handen, behandeling van Geestes- en Zenuwzieken 1996, Spruyt, van Mantgem en de Does NV / Leiden

You may also like...

Geef een reactie